
Foto: KENPEI, CC BY-SA 3.0 · bron
Kruidachtige plant · Vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
Vaste lupine
Lupinus polyphyllus
In andere talen: Lupin des jardins (Français) · Garden lupin (English)
Komt in België in het wild voor.
De vaste lupine is een stevige vaste plant met lange, rechtopstaande bloemaren in blauwpaars, roze of wit. Hij komt uit het westen van Noord-Amerika, maar is in België ingeburgerd: je ziet hem verwilderd langs bermen, op spoorwegtaluds, op zandige braakgrond en op open plekken in bossen. Herken hem aan de handvormige bladeren met 9–17 smalle deelblaadjes en de dichte bloemkaarsen van juni tot augustus. Hommels komen er massaal op af voor het stuifmeel, en dankzij wortelknolletjes met bacteriën legt hij zelf stikstof uit de lucht vast. De kleurrijke Russell-lupines in tuinen zijn hybriden met deze soort als belangrijkste ouder.
Let op: Alle delen, en vooral de zaden, bevatten giftige alkaloïden. Gevaarlijk voor kinderen (de peulen lijken op erwten), honden, katten en grazers zoals paarden, schapen en runderen. Zaai of plant hem niet in de buurt van natuurgebieden of schrale graslanden, waar hij zich kan uitzaaien en andere planten verdringen.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
1,2 m
hoog, 0,6 m breed
Bloei
juni–augustus
| Snoeimaanden | juli en oktober |
|---|---|
| Hoogte | 1,2 m |
| Inheems in België | Nee, ingeburgerd |
| Bloei | juni–augustus |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Vaste plant met een stevige pol, 80–150 cm hoog en 50–60 cm breed. Sterft in de winter bovengronds af.
- Blad
- Handvormig samengesteld, met 9–17 smalle, lancetvormige deelblaadjes aan een lange steel; onderaan licht behaard.
- Bloem
- Vlinderbloemen in dichte, rechtopstaande trossen van 30–50 cm, van juni tot augustus. In het wild blauwpaars, in tuinen ook roze, wit, geel, rood en tweekleurig.
- Vrucht
- Behaarde peulen van 3–5 cm die bij rijpheid openspringen en de zaden enkele meters ver wegslingeren.
- Wortels
- Een diepe penwortel met knolletjes waarin bacteriën stikstof binden; daardoor verdraagt hij verplanten slecht.
- Verwarring met
- De boomlupine is een struikje met meestal gele bloemen. Eenjarige lupines uit landbouw- en groenbemestermengsels blijven lager en hebben minder deelblaadjes.
Bloei: juni–augustus · Snoeien: juli en oktober
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Hommels en bijen verzamelen er veel stuifmeel: de bloemen zijn vooral een stuifmeelbron, met weinig nectar.
- Een van de opvallendste bloeiers van de vroege zomer, met bloemkaarsen tot 50 cm lang.
- Bloeit vaak een tweede keer in augustus als je de uitgebloeide aren op tijd wegknipt.
- Legt via wortelknolletjes stikstof uit de lucht vast en groeit zo ook op arme zandgrond.
- Het handvormige blad is ook buiten de bloei mooi: na een regenbui blijft er een waterdruppel als een parel in het midden liggen.
Waar staat een vaste lupine graag?
- In het wild: bermen, spoorwegtaluds, zandige braakgrond, ruigtes en open plekken in bossen, vooral op zand.
- In de tuin: volle zon of lichte halfschaduw.
- Lichte, goed doorlatende, liefst wat zure grond; op zware, natte klei of kalkrijke grond houdt hij het niet lang vol.
- Plant hem in een zonnige border, niet in een schraal bloemrijk grasland: daar verrijkt hij de grond en verdringt hij andere soorten.
Mooi samen met
- Kattenkruid: Lage, blauwe kussens aan de voet, ook geliefd bij bijen.
- Ridderspoor: Nog meer hoge kaarsen in de zomerborder.
- Margriet: Witte bloemen tussen de kleurrijke aren.
- Oosterse papaver: Bloeit tegelijk, in een warm contrast.
- Siergrassen: Vullen de plek op als de lupine in de nazomer minder mooi wordt.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een vaste lupine?
- Koop jonge planten in pot bij een kwekerij en plant ze in april–mei of september–oktober.
- Of zaai: laat het harde zaad een nacht weken in lauw water of schuur het licht op met schuurpapier, en zaai in april–mei 1–2 cm diep in diepe potjes of meteen ter plaatse.
- Plant op 50–60 cm afstand, even diep als in de pot, zonder de penwortel te beschadigen.
- Geef water na het planten en hou de grond de eerste weken vochtig, daarna enkel bij droogte.
- Bescherm de jonge scheuten in het voorjaar tegen slakken.
- Zaai of plant hem niet in of vlak bij natuurgebieden en schrale graslanden, en graaf nooit planten uit in het wild.
Verzorgen
- Water
- Na het aanslaan weinig nodig dankzij de diepe penwortel; enkel bij lange droogte.
- Bemesten
- Niet nodig: hij maakt zijn eigen stikstof. Mest geeft vooral veel blad en slappe stengels.
- Uitgebloeide aren
- Knip ze weg voor ze zaad vormen: dat geeft vaak een tweede bloei en voorkomt ongewenste zaailingen.
- Steun
- Zet op een winderige plek een plantensteun of een paar stokken, want de zware aren knakken bij storm.
- Levensduur
- Vaste lupines leven niet zo lang: na enkele jaren bloeien ze minder. Hou ze op tijd jong met stekken.
Tip: Knip de bloeiaren meteen na de eerste bloei weg: je krijgt vaak een tweede bloei in augustus, en er komen geen giftige peulen of ongewenste zaailingen.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: juli en oktober.
Wanneer: In juli de uitgebloeide aren wegknippen; in oktober–november de afgestorven stengels terugknippen.
Hoe:
- Knip uitgebloeide aren af tot net boven een stevig blad, voor de peulen rijp zijn.
- Wil je zaad oogsten, laat dan één aar staan en knip die af zodra de peulen bruin worden, voor ze openspringen.
- Knip in de herfst het vergeelde blad en de stengels terug tot 5–10 cm boven de grond.
- Laat gerust een paar holle stengels staan tot het voorjaar voor overwinterende insecten.
Let op: Hou rijpe peulen buiten bereik van kinderen: de zaden lijken op erwtjes, maar zijn giftig.
Vermeerderen
- Basale stekken
- In maart–april jonge scheuten van 8–10 cm met een stukje van de wortelstok aan de voet afsnijden en in zanderige stekgrond zetten. Zo krijg je precies dezelfde kleur.
- Zaad
- Weken of opschuren en zaaien in april–mei. Zaailingen van tuinrassen geven vaak andere kleuren dan de moederplant.
- Uitzaaien
- Hij zaait zich vanzelf uit; wied zaailingen die je niet wilt als ze nog klein zijn.
Hoe komt een vaste lupine de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- Bovengronds sterft hij volledig af; de wortelstok overwintert diep in de grond en is goed winterhard.
- In het vroege voorjaar verschijnen de eerste rozetten van handvormige blaadjes, geliefd bij slakken.
- Op natte, zware grond kan de wortel in de winter rotten: kies dus een goed doorlatende plek.
Ziektes en plagen
- Lupinebladluis: Grote, grijswitte bladluizen die in mei–juni de bloeiaren bedekken. Spuit ze weg met een harde waterstraal, laat lieveheersbeestjes hun werk doen en knip zwaar aangetaste aren weg.
- Slakken: Vreten de jonge scheuten in maart–april kaal. Raap ze ’s avonds op of zet een kraag rond de jonge plant.
- Meeldauw: Wit poeder op het blad in de nazomer, vooral bij droogte. Knip het blad na de bloei terug, dan groeit er fris blad.
- Wortelrot: Op natte, zware grond rot de wortel en sterft de plant. Kies lichte, goed doorlatende grond.
- Verwilderen: Hij zaait zich uit en kan in schrale bermen en graslanden andere planten verdringen. Knip uitgebloeide aren op tijd weg.
Het jaar rond
- Maart: Jonge scheuten. Slakken in de gaten houden. Basale stekken nemen.
- April: Planten of zaaien. Plantensteun zetten op winderige plekken.
- Mei: De bloemaren groeien. Letten op bladluis.
- Juni: Volle bloei. Hommels op de bloemen.
- Juli: Uitgebloeide aren wegknippen voor een tweede bloei.
- Augustus: Tweede, kleinere bloei. Water geven bij lange droogte.
- September: Planten kan. Rijpe peulen op tijd weghalen.
- Oktober: Afgestorven stengels terugknippen tot 5–10 cm.
- November: Rust onder de grond.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De bekende Russell-lupines zijn genoemd naar George Russell, een tuinier uit York die er jarenlang op selecteerde; ze kwamen in de jaren 1930 op de markt.
- Polyphyllus betekent ‘veelbladig’, naar de vele deelblaadjes van elk blad.
- In Scandinavië en delen van Midden-Europa heeft hij zich zo sterk uitgebreid langs bermen en in graslanden dat hij er als een probleemsoort geldt.