Natuurtuin
Natuurtuin: Maai Mei Niet en vierentwintig gidsen voor een tuin vol leven
Een natuurtuin maak je niet in één keer: begin met een paar eenvoudige stappen, zoals in mei je gazon laten bloeien, bladeren laten liggen en een inheemse struik planten, en je tuin trekt meteen meer bijen, vlinders, vogels en egels aan.
Maai Mei Niet: wat is het?
Maai Mei Niet is een oproep om in mei je gazon niet te maaien. Het idee komt uit Groot-Brittannië (No Mow May) en wordt in Vlaanderen en Nederland elk voorjaar door tuiniers, gemeenten en natuurorganisaties opgepikt.
In mei bloeien in een gazon dat je laat staan madeliefjes, paardenbloemen, witte klaver, hondsdraf, ereprijs en boterbloemen. Net dan hebben wilde bijen, hommels en zweefvliegen veel nectar en stuifmeel nodig voor hun jongen.
Zo doe je mee
- Zet de grasmaaier in mei aan de kant, voor je hele gazon of een flink stuk ervan. Je hoeft je nergens in te schrijven.
- Maai enkel een pad of een rand, zodat je tuin er verzorgd blijft uitzien en je er nog door kunt lopen.
- Kijk in mei wat er opkomt en bloeit, en tel eens hoeveel bijen en hommels je ziet op een zonnige dag.
- Duid in Bladwijzer de uitdaging Maai Mei niet aan als je meedoet.
Wat levert het op?
- Meer bloemen en dus meer voedsel voor bestuivers, in een maand waarin veel tuinen nog weinig bloei hebben.
- Langer gras houdt de grond vochtiger en koeler, en biedt schuilplaats aan insecten, kikkers en egels.
- Minder werk, minder lawaai en minder brandstof of stroom.
En na mei?
- Maai begin juni niet alles in één keer: laat stroken of eilanden staan tot ze uitgebloeid zijn, dan blijft er voedsel en schuilplaats.
- Zet de maaier hoger, op 5–6 cm, en maai daarna om de drie à vier weken in plaats van elke week: de bloemen blijven terugkomen.
- Maai nooit ’s avonds of ’s nachts met een robotmaaier: dan zijn egels op pad.
Een bloemrijk gazon: minder maaien, meer bloemen · Naar Uitdagingen en badges
Wist je dat? Hoe minder je een gazon bemest en maait, hoe meer bloemen erin komen: op voedselarme grond kunnen grassen de kruiden niet verdringen.
Alle gidsen
Planten voor bijen, vlinders en vogels
- Bijvriendelijke plantenBijvriendelijke planten zijn planten met veel nectar en stuifmeel die samen bloeien van februari tot oktober: begin met inheemse struiken zoals boswilg, sleedoorn en meidoorn voor het voorjaar, en vul aan met knoopkruid, beemdkroon, rolklaver en wilde marjolein voor de zomer.
- VlindertuinEen vlindertuin heeft twee dingen nodig: nectarplanten in de zon voor de vlinders, zoals knoopkruid, koninginnekruid en wilde marjolein, én waardplanten voor de rupsen, zoals brandnetel, pinksterbloem, sporkehout en rolklaver.
- Inheemse haagEen inheemse haag plant je van november tot maart, met 3 tot 5 planten per meter in een dubbele rij in zigzag, en met een mengeling van soorten zoals meidoorn, sleedoorn, haagbeuk, Spaanse aak, hazelaar, Gelderse roos en hondsroos.
- BloemenweideEen bloemenweide leg je aan op schrale, zonnige grond: haal de voedselrijke toplaag weg of verschraal door maaisel af te voeren, zaai in september–oktober of maart–april een mengsel van inheemse kruiden zoals margriet, knoopkruid, beemdkroon en rolklaver, en maai één à twee keer per jaar.
- Bloemrijk gazonEen gazon wordt bloemrijk als je minder vaak en hoger maait (om de drie à vier weken, op 5–6 cm), niet meer bemest en de madeliefjes, witte klaver, paardenbloemen, hondsdraf en brunel laat staan.
- SchaduwtuinIn een schaduwtuin gedijen inheemse bosplanten die vroeg in het voorjaar bloeien, zoals bosanemoon, lievevrouwebedstro, slanke sleutelbloem en wilde hyacint, onder struiken zoals hulst, taxus en hazelaar, met klimop en varens als groenblijvende basis.
- Groene gevelEen groene gevel maak je met een klimplant op 30–50 cm van de muur: klimop of klimhortensia hechten zich zelf vast, kamperfoelie, hop en bosrank slingeren en hebben draden of een rek nodig.
- Kleine tuin en balkonOok op een balkon of in een kleine stadstuin help je bijen en vlinders: zet in potten van minstens 30 cm diep inheemse kruiden en bloemen zoals tijm, wilde marjolein, grasklokje, beemdkroon en rolklaver, aangevuld met lavendel, rozemarijn en salie.
Schuilplaatsen en nestplekken
- Egelvriendelijke tuinEen tuin wordt egelvriendelijk met een opening van 13 × 13 cm in de schutting naar de buren, een rommelhoek met bladeren en takken om te overwinteren, een ondiep schaaltje water en geen slakkenkorrels of robotmaaier ’s nachts.
- Vogels in de winterVogels help je in de winter het best met struiken die lang bessen dragen, zoals meidoorn, lijsterbes, hulst, Gelderse roos en klimop, met zaaddozen die je laat staan, en bij vorst of sneeuw met wat extra voer en vers water.
- NestkastenEen nestkast hang je in de herfst of uiterlijk in februari op 2 à 3 m hoogte, met de opening naar het oosten of zuidoosten, uit de felle zon en de wind; een opening van 28 mm is voor pimpelmezen, 32 mm voor koolmezen en mussen.
- BijenhotelEen goed bijenhotel heeft gladde, aan de achterkant gesloten gaatjes van 3–9 mm in hardhout, holle stengels of riet, hangt vanaf maart op een zonnige, droge plek op het zuiden of zuidoosten op minstens een halve meter hoogte, en staat dicht bij bloemen.
- VleermuizenVleermuizen help je met een tuin vol nachtvlinders en andere insecten: plant inheemse struiken en bloemen die ’s avonds geuren, maak een poel, houd de tuin ’s nachts donker, gebruik geen gif en hang een vleermuiskast hoog op een zonnige muur of boom.
- AmfibieënKikkers, padden en salamanders help je met een poel zonder vissen en met een flauwe oever, met vochtige schuilplekken zoals een takkenril, een stapel stenen of een bladhoop om te overwinteren, en met een tuin zonder gif waar ze vrij in en uit kunnen.
- Takkenril en houtstapelEen takkenril maak je door snoeihout tussen twee rijen paaltjes op te stapelen tot een wal van ongeveer 1 m breed en 1 m hoog; samen met een stapel dikke stammen is hij een schuilplaats voor egels, winterkoninkjes, padden, kevers en wilde bijen.
Water en bodem
- PoelEen poel graaf je in september–oktober op een plek met minstens een halve dag zon, met een deel van 60–80 cm diep en flauwe oevers, gevuld met regenwater, beplant met inheemse waterplanten en zonder vissen.
- RegenwaterRegenwater houd je in je tuin met een regenton of regenput voor het gieten, en door de rest te laten insijpelen in een wadi of regentuin: een ondiepe, beplante kom waar het water van het dak naartoe loopt.
- Tegels eruitTegels eruit halen doe je het best in de herfst of vroeg in de lente: haal de tegels en het zand of de steenslag eronder weg, maak de grond los, vul aan met goede teelaarde en plant er inheemse planten, een struik of een stukje bloemenweide.
- Bladeren laten liggenBladeren laat je in de herfst liggen onder struiken, in borders en onder de haag, en wat op het gazon of het pad ligt, hark je daarnaartoe of naar een bladhoop: zo voeden ze de grond en overwinteren er egels en insecten in.
- ComposterenGoede compost maak je door groen en bruin materiaal te mengen, zoals groenteresten en gras met bladeren, stro en fijne takjes, de hoop vochtig maar niet nat te houden en af en toe om te zetten; na zes tot twaalf maanden heb je kruimelige, donkere compost.
Onderhoud zonder schade
- Zonder gifZonder gif tuinieren betekent dat je geen bestrijdingsmiddelen tegen insecten, slakken, onkruid of mos gebruikt, en plagen voorkomt met gezonde planten op de juiste plek en een tuin vol natuurlijke vijanden zoals mezen, lieveheersbeestjes, zweefvliegen en egels.
- Vogelvriendelijk snoeienVogelvriendelijk snoeien betekent dat je zwaar snoeit en hagen verjongt tussen half augustus en half maart, en in het broedseizoen hoogstens licht knipt nadat je gecontroleerd hebt dat er geen bewoond nest in zit.
- Invasieve exoten vervangenInvasieve exoten zoals laurierkers, Amerikaanse vogelkers, hemelboom, robinia en rimpelroos vervang je door inheemse soorten: hulst, taxus of wilde liguster in plaats van laurierkers, vogelkers of lijsterbes in plaats van Amerikaanse vogelkers, en hondsroos of duindoorn in plaats van rimpelroos aan de kust.
- Vlinderstruik vervangenEen vlinderstruik vervang je het best door inheemse planten die nectar geven en waar ook rupsen van leven, zoals sporkehout, wilde liguster, koninginnekruid, echte valeriaan, beemdkroon en wilde marjolein; houd je hem toch, knip dan elke uitgebloeide pluim weg voor hij zaad zet.