
Foto: mehdichetibi, CC BY 4.0 · bron
Boom · Dennenfamilie (Pinaceae)
Algerijnse zilverspar
Abies numidica
In andere talen: Sapin de Numidie (Français) · Algerian fir (English)
Komt van buiten Europa, maar staat hier veel in tuinen en parken.
De Algerijnse zilverspar is een altijdgroene naaldboom uit Noord-Afrika. In het wild groeit hij alleen op een paar bergtoppen in het noordoosten van Algerije, vooral op de Babor en de Tababor, op ongeveer 1800–2000 m hoogte: hij is een van de zeldzaamste zilversparren ter wereld. Bij ons zie je hem af en toe in parken en arboreta, waar hij uitgroeit tot een dichte, regelmatige kegel. Je herkent hem aan de korte, dikke, stompe naalden die als een borstel vooral naar boven en opzij op de twijg staan. Hij verdraagt kalk en is in ons klimaat een gezonde, sterke boom voor een grotere tuin.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -20 °C
Grootte
15 m
hoog, 6 m breed
Bloei
april–mei
| Snoeimaanden | februari–maart |
|---|---|
| Hoogte | 15 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Bloei | april–mei |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Dichte, regelmatige kegel met takken in duidelijke kransen; in het wild 20–25 m, bij ons meestal 12–20 m.
- Naalden
- Kort (1–2 cm), dik, plat en stomp of licht ingekeept; dicht opeen, vooral naar boven en opzij gericht als een borstel. Donkergroen, onderaan twee witte strepen, bovenaan bij de top vaak een grijzige vlek.
- Bloei
- In april–mei: kleine mannelijke kegeltjes onder de twijgen en rechtopstaande vrouwelijke kegeltjes bovenaan in de kroon.
- Kegels
- Rechtopstaand, cilindrisch, 12–18 cm, rijp bruin; de schutbladen zitten verborgen tussen de schubben. Ze vallen in de herfst op de boom uiteen.
- Schors
- Grijs en lang glad, bij oude bomen gebarsten in kleine platen. Jonge twijgen zijn kaal en glanzend bruin.
- Verwarring met
- De Spaanse zilverspar heeft ook korte, stijve naalden, maar die staan heel regelmatig rondom de twijg. De Griekse zilverspar heeft langere, scherp gepunte naalden die prikken. De gewone zilverspar heeft langere naalden in twee platte rijen.
Bloei: april–mei · Snoeien: februari–maart
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een dichte, donkergroene kegel die het hele jaar mooi blijft, ook van dichtbij bekeken.
- Verdraagt kalk en droogte beter dan veel andere zilversparren.
- Een zeldzaamheid: in het wild groeit hij alleen op een paar Algerijnse bergen.
- Altijdgroene beschutting voor vogels zoals het goudhaantje, mezen en de vink.
- Groeit rustig en blijft smaller dan veel andere sparren: ook geschikt voor een grotere tuin, niet alleen voor een park.
- De zaden uit de uiteenvallende kegels zijn voedsel voor eekhoorns en zaadetende vogels.
Waar staat een Algerijnse zilverspar graag?
- In het wild in koele bergbossen op kalksteen, samen met de Atlasceder en eiken, met veel neerslag en sneeuw in de winter.
- In de tuin: zon tot lichte halfschaduw; jonge bomen verdragen meer schaduw.
- Goed doorlatende, wat vochthoudende grond; kalk is geen probleem. Geen natte voeten.
- Liefst beschut tegen koude, uitdrogende oostenwind.
- Reken op een kroon van 5–7 m breed en plant minstens 8 m van gebouwen.
Mooi samen met
- Atlasceder: Groeit in Algerije in dezelfde bergen en geeft met zijn blauwgrijze naalden een mooi contrast.
- Spaanse zilverspar: Een verwante zilverspar van de Middellandse Zee met even korte, stijve naalden: samen een boeiende verzameling.
- Hulst: Altijdgroene onderbeplanting voor de schaduw, met bessen voor vogels.
- Sneeuwklokje: Wit in februari aan de rand van de kroon, waar het nog licht is.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een Algerijnse zilverspar?
- Koop een jonge boom in een pot of met kluit bij een boomkwekerij die verzamelbomen kweekt.
- Plant in oktober–november of in maart–april, als de grond niet bevroren of drijfnat is.
- Graaf een ruim plantgat, maak de bodem los en meng zware grond met wat grof zand; zet de boom even diep als hij stond.
- Druk aan, geef meteen ruim water en mulch rond de voet met houtsnippers of bladcompost, niet tegen de stam.
- Zet een grotere boom de eerste jaren aan een schuine paal aan de windkant.
- Graaf nooit jonge boompjes uit in de natuur: koop ze bij een kwekerij. In het wild is deze soort bovendien zeldzaam en bedreigd.
Verzorgen
- Water
- De eerste twee zomers bij droogte wekelijks water; daarna alleen bij lange droogte.
- Bemesten
- Niet nodig. Laat het naaldstrooisel onder de boom liggen.
- Mulchen
- Een laag bladcompost of houtsnippers houdt de grond koel en vochtig, zeker de eerste jaren.
- Topscheut
- Laat de rechte topscheut altijd staan. Krijgt hij twee toppen, knip dan de zwakste weg.
- Ruimte
- Geef hem rondom licht: in de schaduw van andere bomen wordt hij aan die kant kaal.
Tip: Plant hem op een plek waar je dicht bij de boom kunt komen: zijn schoonheid zit in de dichte, borstelige twijgen, die je van dichtbij het best ziet.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: februari–maart.
Wanneer: Bijna nooit nodig. Kleine correcties doe je in februari–maart, voor het uitlopen.
Hoe:
- Verwijder dode of gebroken takken tegen de stam of tot op een gezonde zijtak.
- Houd één topscheut: knip een tweede, concurrerende top weg.
- Laat de onderste takken bij een vrijstaande boom staan: de dichte kegel tot op de grond is net zijn schoonheid.
Let op: Knip nooit in de top en niet tot in kaal hout: een zilverspar loopt daar niet opnieuw uit.
Vermeerderen
- Zaad
- Pluk kegels in september voor ze uit elkaar vallen en laat ze drogen. Bewaar het zaad 4–6 weken koud en vochtig en zaai in maart–april in een bak. Een alleenstaande boom geeft vaak vooral holle zaden.
- Enten
- Kwekers enten hem soms op een onderstam van een andere zilverspar; voor de liefhebber is zaaien de gewone weg.
Hoe komt een Algerijnse zilverspar de winter door?
Winterhard tot −20 °C.
- Altijdgroen en winterhard tot ongeveer −20 °C.
- De dichte kroon biedt in de winter een schuilplek aan kleine vogels.
- Na het uitlopen kunnen late nachtvorsten de jonge scheuten beschadigen; de boom herstelt meestal vlot.
- Natte sneeuw blijft in de dichte kroon hangen: schud ze bij jonge bomen voorzichtig af.
Ziektes en plagen
- Bevroren scheuten: Bruine, slappe jonge scheuten na een late nachtvorst. Knip ze in juni weg; de boom loopt opnieuw uit.
- Wolluis: Witte, wollige pluisjes op naalden en twijgen. Meestal onschuldig; spuit jonge bomen af met een harde waterstraal.
- Wortelrot: Gele of bruine naalden en een kwijnende boom op natte, verdichte grond. Plant alleen op goed doorlatende grond.
- Droogte bij jonge bomen: Bruine naaldpunten of vallende naalden in de eerste zomers. Geef wekelijks water en mulch de grond.
Het jaar rond
- Februari: Dode of gebroken takken wegknippen.
- Maart: Planten. Eventueel een tweede top wegnemen.
- April: De bloei begint: kleine mannelijke kegeltjes. Let op nachtvorst bij het uitlopen.
- Mei: Bloei en nieuwe groei. Jonge bomen water geven bij droogte.
- Juni: Bevroren scheuten wegknippen.
- Juli: Water geven bij droogte, vooral de eerste twee jaar.
- September: Kegels rijp: plukken voor zaad.
- Oktober: Planten. De kegels vallen op de boom uiteen.
- November: Planten. Mulch aanbrengen rond jonge bomen.
- December: Rust. Natte sneeuw afschudden.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Numidica verwijst naar Numidië, het oude Berberse koninkrijk in Noord-Afrika, ongeveer in het noorden van het huidige Algerije.
- In de bossen van de Babor, waar hij groeit, werd in 1975 een nieuwe vogelsoort ontdekt: de Algerijnse boomklever, die alleen in een klein stukje van Noord-Algerije voorkomt.
- Samen met de Spaanse zilverspar uit Andalusië en de Marokkaanse zilverspar hoort hij bij een groepje zilversparren rond de westelijke Middellandse Zee met korte, stijve naalden.