
Foto: TeunSpaans at Dutch Wikipedia, CC BY-SA 3.0 · bron
Kruidachtige plant · Balsemienfamilie (Balsaminaceae)
Klein springzaad
Impatiens parviflora
In andere talen: Balsamine à petites fleurs (Français) · Small balsam (English)
Komt in België in het wild voor.
Klein springzaad is een eenjarig kruid van 20–60 cm met kleine, lichtgele bloemetjes en sappige, wat doorschijnende stengels. Het komt oorspronkelijk uit Centraal-Azië, ontsnapte in de 19de eeuw uit botanische tuinen in Europa en is in België nu algemeen ingeburgerd in loofbossen, parken, houtkanten en schaduwrijke tuinen. Je herkent het aan de bleekgroene, ovale, getande bladeren, de bloemetjes van amper 1 cm met een rechte spoor en vooral aan de rijpe zaaddozen, die bij aanraking openspringen en de zaden wegschieten. Het is een van de weinige planten die in de schaduw van een bos massaal bloeien en zweefvliegen voedsel geven. Omdat het zich snel uitzaait, houd je het in een natuurtuin best wat in toom.
Let op: Klein springzaad staat niet op de Europese lijst van invasieve soorten, maar breng het nooit naar bossen of natuurgebieden. Verwar het niet met reuzenbalsemien: die staat wel op de Europese lijst en mag je niet planten of verspreiden.
Licht
Halfschaduw of schaduw
verdraagt weinig zon
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Winterhard
tot 0 °C
beschermen in strenge winters
Grootte
0,5 m
hoog, 0,3 m breed
Bloei
juni–oktober
| Snoeimaanden | juni–juli |
|---|---|
| Hoogte | 0,5 m |
| Inheems in België | Nee, ingeburgerd |
| Bloei | juni–oktober |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Rechtopgaand, eenjarig kruid van 20–60 cm, soms tot 1 m, met sappige, kale, wat doorschijnende stengels.
- Blad
- Verspreid aan de stengel, ovaal tot elliptisch, 5–15 cm, bleekgroen, met een fijn getande rand en een spitse top.
- Bloem
- Klein, 5–15 mm, lichtgeel en trechtervormig met een korte, rechte spoor, in kleine trosjes boven de bladeren, van juni tot oktober.
- Vrucht/Zaad
- Slanke, knotsvormige doosvrucht van 1,5–2 cm die bij rijpheid of aanraking openspringt en de zaden tot een paar meter ver wegschiet.
- Wortels
- Ondiep en klein: de plant is makkelijk uit te trekken.
- Verwarring met
- Groot springzaad is inheems, heeft veel grotere, goudgele bloemen van 2–3,5 cm met rode stippels en een gebogen spoor, en groeit in natte bossen. Reuzenbalsemien heeft grote roze bloemen, wordt 1–2,5 m hoog en staat op de Europese lijst van invasieve soorten. Oranje springzaad heeft oranje bloemen met rode vlekjes.
Bloei: juni–oktober · Snoeien: juni–juli
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Bloeit van juni tot in oktober in de schaduw, waar weinig andere bloemen staan.
- Zweefvliegen en kleine bijen halen nectar en stuifmeel uit de bloemetjes.
- De springende zaaddozen zijn een leuk ontdekspel voor kinderen.
- Bedekt kale, schaduwrijke plekken onder bomen tijdelijk met fris groen.
- Een leerrijk voorbeeld van een uitheemse plant die zich in onze bossen heeft ingeburgerd.
- Eerlijk is eerlijk: voor de natuur heeft het minder waarde dan inheemse bosplanten zoals groot springzaad.
Waar staat een klein springzaad graag?
- In het wild: loofbossen, populieren- en essenbossen, parken, houtkanten, bosranden en schaduwrijke bermen.
- Halfschaduw tot diepe schaduw; in volle zon blijft het klein.
- Vochthoudende, humusrijke grond; op voedselrijke grond wordt het groter.
- In de tuin: verschijnt vaak vanzelf onder heesters en bomen, in een schaduwborder of tussen de tegels aan de schaduwkant van het huis.
Mooi samen met
- Groot springzaad: De inheemse verwant met grote gele bloemen, voor een natte, schaduwrijke plek.
- Robertskruid: Roze bloempjes in de schaduw, ook geliefd bij kleine bijen.
- Bosandoorn: Paarse aren in de halfschaduw, een prima inheems alternatief.
- Grote muur: Witte sterretjes in het voorjaar, voor het springzaad opkomt.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een klein springzaad?
- Je hoeft klein springzaad niet te planten: het komt vaak vanzelf mee met grond, potplanten of zaad uit de buurt.
- Kies voor een schaduwrijke natuurtuin liever inheemse bosplanten, zoals groot springzaad, bosanemoon of grote muur, van een kwekerij voor inheemse planten.
- Wil je het toch laten staan, laat dan een paar planten afrijpen op een schaduwrijke plek waar het niet stoort; ze zaaien zich vanzelf uit.
- Breng nooit zaad of planten naar bossen, parken of natuurgebieden: daar concurreert het met de inheemse bosflora.
- Graaf nooit wilde planten uit in het bos; bosplanten koop je bij een kwekerij.
Verzorgen
- Water
- Niet nodig. Bij lange droogte hangt het slap, maar het herstelt na regen.
- Bemesten
- Niet nodig; op rijke grond wordt het groter en zaait het zich sterker uit.
- Woekeren
- Trek planten met de hand uit voor ze zaad zetten, liefst in juni–juli; dat gaat makkelijk door de ondiepe wortels.
- Zaad laten vallen
- Laat alleen planten staan op plekken waar ze niet storen: elke plant maakt veel zaad.
- Opruimen
- Uitgetrokken planten zonder rijpe zaaddozen mogen op de composthoop; met zaaddozen beter in de groene container.
Tip: Trek klein springzaad uit in juni, als je het makkelijk herkent aan de eerste bloemetjes en voor de zaaddozen rijp zijn: zo heb je het na een paar jaar goed onder controle.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: juni–juli.
Wanneer: In juni–juli, voor de zaaddozen rijp zijn.
Hoe:
- Trek de planten met wortel en al uit; knippen is niet nodig.
- Werk voor de eerste zaaddozen openspringen: daarna verspreid je het zaad juist.
- Herhaal dat enkele jaren na elkaar, tot de voorraad zaad in de grond uitgeput is.
Vermeerderen
- Zaad
- De rijpe zaaddozen springen open en schieten de zaden een paar meter ver weg. Zo breidt het zich elk jaar uit.
- Verspreiding
- Mensen, dieren, water en verplaatste grond of potplanten brengen het zaad verder; let daarop als je grond of planten weggeeft.
Hoe komt een klein springzaad de winter door?
Winterhard tot 0 °C: beschermen in strenge winters.
- De plant sterft bij de eerste nachtvorst af: het is een echte eenjarige.
- Het zaad overwintert in de grond en heeft de koude nodig om in het voorjaar te kiemen.
- Al in maart–april verschijnen massaal zaailingen met twee ronde zaadlobben.
Ziektes en plagen
- Uitzaaien: Het grootste probleem: het vormt dichte tapijten. Uittrekken voor de zaadzetting houdt het in toom.
- Verwarring met reuzenbalsemien: Jonge planten lijken op elkaar. Reuzenbalsemien heeft tegenoverstaande of kransstandige bladeren met roodachtige tandjes; die trek je altijd uit en voer je af.
- Bladluis: Soms op de stengeltoppen; lieveheersbeestjes en zweefvlieglarven ruimen ze meestal op.
- Slap bij hitte: Hangt bij hitte en droogte snel slap. Het herstelt ’s avonds of na regen.
Het jaar rond
- Maart: De zaailingen kiemen.
- April: Zaailingen wieden waar je ze niet wilt.
- Mei: Snelle groei in de schaduw.
- Juni: Eerste gele bloemetjes; begin met uittrekken.
- Juli: Bloei; uittrekken voor de zaaddozen rijp zijn.
- Augustus: De zaaddozen springen open bij aanraking.
- September: Nog bloei en zaad.
- Oktober: Laatste bloemen.
- November: De planten sterven af na de eerste vorst.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Impatiens betekent ‘ongeduldig’: de rijpe zaaddozen springen bij de minste aanraking open.
- Parviflora betekent ‘kleinbloemig’: het heeft de kleinste bloemen van de springzaadsoorten in onze streken.
- Het ontsnapte in de 19de eeuw uit botanische tuinen en is sindsdien in grote delen van Europa ingeburgerd.