Foto: Me, Public domain · bron
Kruidachtige plant · Balsemienfamilie (Balsaminaceae)
Groot springzaad
Impatiens noli-tangere
In andere talen: Balsamine des bois (Français) · Touch-me-not balsam (English)
Komt in België in het wild voor.
Groot springzaad is een inheemse, eenjarige plant van vochtige, schaduwrijke loofbossen, beekoevers, broekbossen en bronzones op humusrijke, voedselrijke grond. In België is hij vrij zeldzaam: je vindt hem vooral in Wallonië, met verspreide groeiplaatsen in vochtige bossen in Vlaanderen. Je herkent hem aan de sappige, glazige stengels met verdikte knopen, de dunne, grof getande bladeren en vooral aan de hangende, citroengele bloemen met een omgekrulde spoor en roodbruine stippen binnenin. Rijpe vruchten springen bij de minste aanraking open en schieten de zaden weg, vandaar de naam. Hommels bezoeken de bloemen, en in Europa is het de enige voedselplant van de rups van een zeldzame nachtvlinder.
Let op: Groot springzaad is licht giftig: laat kinderen en huisdieren er niet van eten. Verwar het niet met reuzenbalsemien: die staat op de Europese lijst van invasieve soorten en mag je niet planten of verspreiden.
Licht
Halfschaduw of schaduw
verdraagt weinig zon
Vocht
Normaal tot nat
mag niet uitdrogen
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
0,8 m
hoog, 0,4 m breed
Bloei
juli–september
| Hoogte | 0,8 m |
|---|---|
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | juli–september |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Eenjarige, kale plant van 30–100 cm, met een rechtopgaande, vertakte stengel en een ondiep wortelstelsel.
- Blad
- Afwisselend, eirond tot elliptisch, 5–12 cm lang, dun, blauwachtig groen en kaal, met een grof getande rand.
- Bloem
- Hangend aan dunne steeltjes onder de bladeren, citroengeel, 2–3,5 cm lang, met een brede keel vol roodbruine stippen en een spoor die aan de top omgekruld is. Daarnaast vormt de plant kleine, gesloten bloemetjes die zichzelf bestuiven.
- Vrucht/Zaad
- Een langwerpige, groene doosvrucht van 2–3 cm. Rijp springt ze bij aanraking open: de kleppen krullen bliksemsnel op en schieten de zaden tot een paar meter ver weg.
- Stengel
- Sappig, glazig doorschijnend, bros en kaal, met verdikte knopen; breekt makkelijk.
- Verwarring met
- Klein springzaad, een uitheemse soort die veel algemener is, heeft kleine, bleekgele, rechtopstaande bloemen met een rechte spoor. Oranje springzaad uit Noord-Amerika heeft oranje bloemen met rode vlekjes. Reuzenbalsemien wordt tot 2,5 m hoog, heeft roze tot paarse bloemen en staat op de Europese lijst van invasieve soorten.
Bloei: juli–september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een van onze weinige inheemse balsemienen: met zijn hangende, gele bloemen is hij een blikvanger in een vochtige schaduwtuin.
- Hommels kruipen in de bloemen om bij de nectar in de spoor te komen en bestuiven ze daarbij.
- De rups van de nachtvlinder Eustroma reticulata leeft uitsluitend op deze plant.
- Hij bloeit in de zomer op natte, schaduwrijke plekken waar weinig andere planten zo opvallend bloeien.
- De openspringende vruchten zijn een spel voor kinderen en een mooi voorbeeld van hoe planten hun zaad verspreiden.
Waar staat een groot springzaad graag?
- In het wild: vochtige tot natte loofbossen, broekbossen met els en es, beekoevers, kwelplekken en bronzones, vaak samen met varens.
- Hij wil humusrijke, voedselrijke grond die nooit uitdroogt, in halfschaduw tot schaduw.
- In de tuin: een vochtige, beschaduwde hoek onder bomen, langs een beek of vijverrand, of in een natte schaduwborder.
- In volle zon en op droge grond verwelkt hij snel en verdwijnt hij.
Mooi samen met
- Wijfjesvaren: Fijn, lichtgroen varenblad op dezelfde vochtige, schaduwrijke plek.
- Groot heksenkruid: Fijne, witte bloempjes in de zomer onder bomen, op humusrijke grond.
- Moerasspirea: Romige, geurende pluimen in de zomer langs een beek of vijverrand.
- Dotterbloem: Goudgele bloemen in het voorjaar, lang voor het springzaad bloeit.
- Paarbladig goudveil: Een laag, groen tapijt met gele bloempjes op natte, beschaduwde grond.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een groot springzaad?
- Koop zaad bij een kwekerij voor inheemse planten en controleer dat het echt om groot springzaad gaat, niet om een uitheemse balsemien. Haal nooit planten of zaad weg uit het wild.
- Zaai in september–november, zo vers mogelijk, ter plaatse of in potten die buiten blijven staan: het zaad heeft een koude winter nodig om te kiemen. Bedek het met een dun laagje grond.
- De kiemplanten verschijnen vroeg in het voorjaar, vaak al in maart.
- Verplant of dun jonge zaailingen in april uit tot 25–30 cm afstand, met een kluitje. Later verplanten lukt slecht door de brosse stengels.
- Houd de grond vochtig, vooral bij droogte in het voorjaar en de zomer.
- Omdat hij eenjarig is, moet hij zich elk jaar opnieuw uitzaaien: laat de vruchten rijpen en houd wat open plekjes vrij.
Verzorgen
- Water
- De grond moet altijd vochtig blijven. Geef in droge zomers water, liefst regenwater; bij droogte laat hij meteen zijn bladeren hangen.
- Bemesten
- Niet nodig: een dun laagje bladaarde of afgevallen blad houdt de grond humusrijk genoeg.
- Bladstrooisel
- Laat een dunne laag afgevallen blad liggen: die houdt de grond vochtig. Een dikke laag op de kiemplekken haal je in februari weg.
- Zaad laten vallen
- Laat de planten na de bloei staan tot de vruchten opengesprongen zijn. Ruim ze niet op.
- Concurrentie
- Houd brandnetels en klein springzaad in toom, zodat de kiemplanten in het voorjaar licht en ruimte krijgen.
Tip: Zaai groot springzaad in de herfst, meteen na het oogsten, op een vochtig, schaduwrijk plekje: na de winter kiemt het vanzelf, en daarna houdt het zich jaar na jaar zelf in stand.
Snoeien en maaien
Wanneer: Snoeien is niet nodig: het is een eenjarige plant die na de zaadzetting vanzelf afsterft.
Hoe:
- Laat de planten staan tot de vruchten opengesprongen zijn en het zaad verspreid is.
- Laat de afgestorven stengels liggen: ze vergaan snel tot humus.
- Haal hooguit stengels weg die over een pad hangen, maar pas na de zaadzetting.
Let op: Ruim niet op in de zomer of de vroege herfst: dan verlies je het zaad voor volgend jaar.
Vermeerderen
- Zaad
- De enige manier. Oogst rijpe vruchten in augustus–september door er een papieren zakje omheen te houden en ze dan aan te raken. Zaai meteen buiten: vers zaad kiemt het best.
- Zelf uitzaaien
- Op een goede plek houdt hij zich elk jaar zelf in stand en breidt hij zich langzaam uit rond de oorspronkelijke planten.
Hoe komt een groot springzaad de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- De plant sterft bij de eerste nachtvorst af; hij overwintert alleen als zaad in de grond.
- Het zaad is volledig winterhard en heeft de winterkou zelfs nodig om in het voorjaar te kiemen.
- De vergane stengels en bladeren worden humus die de grond vochtig en rijk houdt.
Ziektes en plagen
- Verwelken: Bij droogte of te veel zon hangt hij slap. Geef water en kies een vochtigere, schaduwrijkere plek.
- Slakken: Vreten graag aan de jonge zaailingen in het voorjaar. Zaai ruim en laat padden en loopkevers hun werk doen.
- Bladluis: Op de toppen in de zomer. Meestal ruimen lieveheersbeestjes en larven van zweefvliegen ze op.
- Uitheemse balsemienen: Klein springzaad en reuzenbalsemien kunnen dezelfde plekken overnemen. Trek ze uit voor ze zaad zetten, en controleer altijd wat je zaait.
Het jaar rond
- Maart: Kiemplanten verschijnen. Bescherm ze tegen slakken.
- April: Zaailingen uitdunnen of verplanten.
- Mei: De planten groeien snel. Water geven bij droogte.
- Juni: Eerste knoppen. Klein springzaad uittrekken.
- Juli: Bloei. Hommels bezoeken de gele bloemen.
- Augustus: Volle bloei en eerste rijpe vruchten die openspringen.
- September: Laatste bloemen. Zaad oogsten en meteen zaaien.
- Oktober: Zaaien. De planten sterven af bij de eerste vorst.
- November: Laatste kans om te zaaien. Stengels laten vergaan.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Noli me tangere is Latijn voor ‘raak mij niet aan’, de woorden die Jezus volgens het Johannesevangelie tot Maria Magdalena sprak. Ook de geslachtsnaam Impatiens, ‘ongeduldig’, verwijst naar de vruchten die bij aanraking openspringen.
- Naast de grote, gele bloemen maakt de plant ook kleine bloemetjes die nooit opengaan en zichzelf bestuiven; zo zet hij ook in diepe schaduw zaad.
- Klein springzaad, zijn uitheemse verwant uit Centraal-Azië, ontsnapte in de 19e eeuw uit botanische tuinen en is nu in veel bossen veel algemener dan de inheemse soort.