Kompassla (Lactuca serriola)

Foto: Me, Public domain · bron

Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)

Kompassla

Lactuca serriola

In andere talen: Laitue scariole (Français) · Prickly lettuce (English)

Komt in België in het wild voor.

Kompassla is een een- tot tweejarig kruid van 30–150 cm, de wilde verwant en vermoedelijke stamvader van onze kropsla. Het groeit op zonnige, droge, open en verstoorde plekken: bermen, spoorwegterreinen, braakland, bouwterreinen, haventerreinen, tussen stenen en op akkerranden. In België is het algemeen, en het is de laatste decennia sterk toegenomen. Je herkent het aan de blauwgroene, stengelomvattende bladeren met een rij stekeltjes onder op de middennerf, en aan de manier waarop de bladeren in de volle zon rechtop gaan staan, met de randen naar het noorden en het zuiden. De kleine, lichtgele hoofdjes bloeien in de zomer in een grote pluim, en het pluizige zaad is geliefd bij putters.

  • Licht

    Volle zon

    warm en licht

  • Vocht

    Droog

    verdraagt droogte

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -20 °C

  • Grootte

    1 m

    hoog, 0,4 m breed

  • Bloei

    juli–september

Feiten op een rij
Snoeimaandenaugustus–september
Hoogte1 m
Inheems in BelgiëJa
Bloeijuli–september

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Rechtopgaand kruid van 30–150 cm met één stevige stengel en bovenaan een grote, piramidevormige pluim; in de herfst of het voorjaar eerst een rozet.
Blad
Blauwgroen en langwerpig, vaak diep ingesneden met naar achteren gerichte slippen; de voet omvat de stengel met twee pijlvormige oortjes. Onder op de middennerf staat een rij stekeltjes.
Bloem
Lichtgele hoofdjes van 1–1,3 cm met alleen lintbloemen, in een grote, open pluim, van juli tot september; ze zijn vooral ’s ochtends open.
Vrucht/Zaad
Grijsbruine, platte nootjes met een lange snavel en een wit pluis.
Stengel
Bleek, onderaan vaak stekelig; bij beschadiging komt er wit, bitter melksap uit.
Verwarring met
Gifsla is vaak hoger, heeft minder diep ingesneden, vaak paars getinte bladeren en zwarte rijpe nootjes; die is giftiger. Melkdistels hebben grotere, goudgele hoofdjes en geen rij stekels onder op de middennerf.

Bloei: juli–september · Snoeien: augustus–september

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Zaad voor vogels: putters en andere zaadeters eten in de nazomer graag van de pluizige zaadjes.
  • De kleine bloemen worden bezocht door zweefvliegen en wilde bijen.
  • Een boeiende ‘kompasplant’: in de zon draaien de bladeren zich naar noord en zuid.
  • Interessant voor de moestuinier: de wilde verwant van kropsla, ijsbergsla en andere slasoorten.
  • Heel jonge blaadjes zijn eetbaar en werden vroeger als bittere groente gegeten, maar ze worden snel erg bitter.

Waar staat een kompassla graag?

  • In het wild: bermen, spoorwegterreinen, braakland, bouwterreinen, haventerreinen, muren, steengruis en akkerranden.
  • Volle zon; warm en open.
  • Droge tot matig vochtige, stenige, zandige of kalkhoudende grond, ook voedselrijk.
  • In de tuin: verschijnt vaak vanzelf in een grindtuin, tussen tegels of in een zonnige ruigte; laat er een paar staan voor de vogels.

Mooi samen met

  • Wilde peen: Witte schermen in dezelfde zonnige, droge ruigte.
  • Cichorei: Hemelsblauw naast het lichtgeel, en ook familie van de sla.
  • Slangenkruid: Blauwe aren voor bijen op dezelfde droge grond.
  • Wilde reseda: Lichtgele pluimen op verstoorde, kalkrijke grond.
  • Grote kaardebol: Nog een zaadleverancier voor putters in de winter.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een kompassla?

  1. Meestal komt kompassla vanzelf; je hoeft hem zelden te zaaien.
  2. Wil je hem toch, zaai dan zaad van inheemse herkomst in maart–april of in september op een zonnige, open plek.
  3. Strooi dun, druk het zaad aan, bedek het nauwelijks en houd de grond vochtig tot de kieming.
  4. Dun de zaailingen uit tot 30–50 cm.
  5. Kies een plek waar hij niet stoort: hij zaait zich makkelijk uit.
  6. Graaf nooit planten uit in natuurgebieden.

Verzorgen

Water
Niet nodig; met zijn diepe penwortel is hij gemaakt voor droogte.
Bemesten
Niet nodig.
Woekeren
Trek jonge rozetten uit of steek ze uit met een onkruidsteker, voor de penwortel te diep zit.
Zaad laten vallen
Laat een paar planten afrijpen voor de vogels, en knip de rest af voor het pluis vrijkomt.
Oogsten
Pluk enkel heel jonge blaadjes van rozetten in het voorjaar; latere bladeren zijn erg bitter.

Tip: Leg op een zonnige dag een kompas naast een plant: je zult zien dat de meeste bladeren netjes noord–zuid staan.

Snoeien en maaien

Snoeimaanden: augustus–september.

Wanneer: In augustus–september, voor het zaad rijp is, of na de zaadval.

Hoe:

  • Knip of trek de planten af voor de pluizen vrijkomen, als je geen zaailingen wilt.
  • Laat een paar planten staan tot de vogels het zaad hebben gegeten.
  • Laat de holle, droge stengels in de winter staan voor insecten.
  • Draag handschoenen: de stengels en bladeren prikken en het melksap is kleverig.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Zaad
Rijpt vanaf augustus; de pluizen waaien met de wind mee. Zaai in de herfst of het voorjaar meteen ter plaatse.

Hoe komt een kompassla de winter door?

Winterhard tot −20 °C.

  • Planten die in de nazomer of herfst kiemen, overwinteren als rozet en bloeien het volgende jaar.
  • Bloeiende planten sterven na de zaadzetting af; de droge stengels blijven als skeletten staan.
  • De rozetten zijn winterhard tot ongeveer −20 °C.
  • Vogels pikken in de herfst en de vroege winter het laatste zaad uit de pluimen.

Ziektes en plagen

  • Uitzaaien: Kan op kale, zonnige grond massaal opkomen. Wied jonge planten of laat ze geen zaad zetten.
  • Verwarring met gifsla: Gifsla is giftiger. Eet alleen blaadjes van planten die je zeker herkent.
  • Bladluis: In de zomer op de toppen; lieveheersbeestjes en zweefvliegen ruimen ze meestal op.
  • Penwortel: Oudere planten zijn moeilijk uit te trekken. Pak ze aan als ze nog klein zijn, of maai ze voor de bloei.

Het jaar rond

  • Maart: Rozetten groeien; jonge blaadjes zijn nog mild.
  • April: Zaaien of overtollige zaailingen wieden.
  • Mei: Kijk op een zonnige dag naar de ‘kompasbladeren’.
  • Juni: De bloeistengel schiet de hoogte in.
  • Juli: Eerste lichtgele bloemetjes, ’s ochtends open.
  • Augustus: Bloei en eerste pluis; knippen als je geen zaad wilt.
  • September: Zaad rijpt; putters komen eten. Zaaien kan.
  • November: Droge stengels laten staan voor insecten.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • In de volle zon draaien de bladeren zich naar het noorden en het zuiden: zo vangen ze ’s ochtends en ’s avonds licht, maar krijgen ze de felle middagzon alleen op hun rand. Vandaar de naam kompassla.
  • Lactuca komt van het Latijnse lac, melk, naar het witte melksap van de plant.
  • Sla werd al in het oude Egypte geteeld en staat afgebeeld op muurschilderingen in graven.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…