Foto: Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 · bron
Boom · Dennenfamilie (Pinaceae)
Montereyden
Pinus radiata
In andere talen: Pin de Monterey (Français) · Monterey pine (English)
Komt van buiten Europa, maar staat hier veel in tuinen en parken.
De Montereyden komt van nature maar op een paar kleine plekken voor: aan de mistige kust van Californië rond Monterey, Año Nuevo en Cambria, en op twee eilanden voor de kust van Mexico. Toch is het de meest aangeplante den ter wereld, als snelgroeiende houtsoort in Nieuw-Zeeland, Chili, Australië en Spanje. Het is een forse boom met dichte plukken heldergroene, zachte naalden per drie en scheve kegels die in kransen tegen de takken zitten. Hij verdraagt zeewind en zout goed en is daarom een klassieker in kusttuinen in Ierland en Zuidwest-Engeland. In België is hij zeldzaam, staat hij alleen aangeplant en is hij gevoelig voor strenge vorst.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Winterhard
tot -12 °C
beschermen in strenge winters
Grootte
25 m
hoog, 10 m breed
Bloei
maart–april
| Snoeimaanden | februari–maart en juni |
|---|---|
| Hoogte | 25 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Bloei | maart–april |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Forse boom van 20–30 m, eerst kegelvormig, later met een brede, ronde of afgeplatte kroon. De stam is dik en bij oude bomen soms gevorkt.
- Naalden
- Meestal per drie in een schede, 8–15 cm, zacht, dun en heldergroen tot grasgroen; ze staan dicht opeen rond de twijg.
- Kegels
- 7–15 cm, eivormig en duidelijk scheef: de schubben aan de buitenkant zijn veel dikker en bolliger. Ze zitten in kransen dicht tegen de tak en blijven vaak jarenlang gesloten aan de boom.
- Schors
- Donkergrijs tot zwartbruin, dik en diep gegroefd.
- Wortels
- Krachtig wortelstelsel, maar op natte of ondiepe grond blijft het oppervlakkig en kan de boom bij storm omwaaien.
- Verwarring met
- Zeeden: naalden per twee, stijver en langer (15–25 cm), en lange, symmetrische kegels. Bisschopsden: naalden per twee en kegels met scherpe stekels op de schubben. Canarische den: ook naalden per drie, maar veel langer en hangend.
Bloei: maart–april · Snoeien: februari–maart en juni
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Groeit uitzonderlijk snel: jonge bomen kunnen in goede omstandigheden meer dan een meter per jaar groeien.
- Een van de beste dennen voor een windscherm aan de kust: hij verdraagt zout en harde zeewind.
- Een dicht, heldergroen naaldenkleed dat het hele jaar fris oogt.
- De dichte kroon geeft vogels dekking en nestplaatsen; zaadeters zoals sijzen en kruisbekken halen zaad uit open kegels.
- Een boom met een verhaal: van een paar kustbossen in Californië naar plantages over de hele wereld.
Waar staat een montereyden graag?
- In het wild: koele, mistige kusthellingen met zachte winters en droge zomers, op zandige en lemige grond.
- Volle zon; hij verdraagt zeewind en zoute nevel beter dan de meeste dennen.
- Diepe, goed doorlatende, liefst wat zure tot neutrale grond; op erg kalkrijke of natte grond groeit hij minder goed.
- In België: alleen voor een grote tuin of park op een beschutte plek, bij voorkeur in een zacht kust- of stadsklimaat.
Mooi samen met
- Montereycipres: Groeit in het wild samen met de Montereyden en verdraagt evengoed zeewind.
- Duindoorn: Een inheemse, zouttolerante struik met oranje bessen voor vogels, ideaal in een windscherm aan de kust.
- Gaspeldoorn: Gele bloemen in het voorjaar op dezelfde zure, zandige grond.
- Struikheide: Een lage, bloeiende onderbegroeiing op arme, zure grond, vol bijen in augustus.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een montereyden?
- Koop een kleine, in pot gekweekte boom bij een boomkwekerij. Haal nooit zaailingen of jonge bomen uit het wild.
- Plant in april–mei, zodat de boom voor de winter goed geworteld is.
- Kies een jonge boom van 40–80 cm: grotere dennen slaan slechter aan en waaien makkelijker om.
- Graaf een ruim plantgat, maak de bodem los en zet de kluit even diep als in de pot. Geen mest in het plantgat.
- Zet een korte paal schuin aan de windkant en geef meteen flink water.
- Houd minstens 10 m afstand van huizen: hij wordt snel groot en breed.
Verzorgen
- Water
- Het eerste jaar regelmatig bij droogte; daarna alleen bij lange hittegolven.
- Bemesten
- Niet nodig. Laat het naaldstrooisel liggen.
- Windscherm
- Voor een windscherm plant je een losse rij op 3–4 m van elkaar; de bomen groeien snel dicht.
- Winterbescherming
- Jonge bomen kun je de eerste winters bij strenge vorst beschermen met vlies over de kroon.
- Stormschade
- Laat grote, oudere bomen af en toe nakijken: ze zijn gevoelig voor takbreuk en omwaaien bij storm.
Tip: Wil je een snel windscherm aan de kust of op een open, winderige plek, plant dan kleine, jonge Montereydennen in het voorjaar: ze wortelen beter dan grote bomen en halen die snel in.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: februari–maart en juni.
Wanneer: Weinig nodig. Opkronen en dode takken weghalen doe je in februari–maart bij droog weer; vorstschade knip je in juni weg.
Hoe:
- Zaag dode, gebroken of zieke takken weg vlak bij de stam, net buiten de takkraag.
- Wil je onder de boom kunnen lopen, haal dan geleidelijk, over een paar jaar, de onderste takken weg.
- Houd bij een jonge boom één doorgaande top en knip een concurrerende top weg.
- Snoei bij droog weer: wonden in natte periodes zijn een ingang voor schimmels.
Let op: Knip nooit in kaal hout zonder naalden en top de boom niet in: een den loopt daar niet meer uit en verliest zijn vorm.
Vermeerderen
- Zaad
- De kegels blijven vaak dicht; leg ze op een warme plek tot ze openspringen. Zaai in maart–april in een zaaibak met luchtige grond; de zaden kiemen meestal zonder voorbehandeling. Pot de zaailingen snel op.
- Stekken
- Kwekers bewortelen stekken van heel jonge planten, maar voor de liefhebber is zaaien de gewone manier.
Hoe komt een montereyden de winter door?
Winterhard tot −12 °C: beschermen in strenge winters.
- Groenblijvend, met een frisgroene kroon in de winter.
- Matig winterhard: tot ongeveer −12 °C zonder veel schade. Bij strengere vorst verbruinen de naalden en kunnen takken afsterven.
- Natte sneeuw kan takken doen breken; schud jonge bomen voorzichtig sneeuwvrij.
- De gesloten kegels blijven aan de boom; soms gaan ze pas open bij grote warmte.
Ziektes en plagen
- Rodebandenziekte: Een schimmel die rode banden op de naalden maakt, waarna ze bruin worden en vallen, vooral in vochtige jaren. Zorg voor een luchtige plek en ruim afgevallen naalden onder jonge bomen op.
- Scheutsterfte: Jonge scheuten sterven af en blijven met bruine naalden hangen, vaak na hagel of droogte. Knip ze bij droog weer weg tot aan een gezonde, benaalde zijtak.
- Vorstschade: Bruine naalden en dode scheuten na een strenge winter. Wacht tot juni met wegknippen; vaak loopt hij opnieuw uit.
- Omwaaien: Op natte of ondiepe grond wortelt hij oppervlakkig en kan hij bij storm omvallen. Plant op diepe, goed doorlatende grond.
Het jaar rond
- Januari: Rust. Na zware sneeuw controleren op gebroken takken.
- Februari: Opkronen en dode takken wegzagen bij droog weer.
- Maart: Bloei begint: mannelijke kegeltjes geven veel geel stuifmeel. Snoeien kan nog.
- April: Bloei. Planten van jonge bomen.
- Mei: Planten. Nieuwe scheuten groeien snel.
- Juni: Vorstschade en afgestorven scheuten wegknippen. Jonge bomen water geven bij droogte.
- Juli: Jonge bomen water geven bij hitte.
- September: Letten op roodbruine banden op de naalden.
- Oktober: Gesloten kegels verzamelen voor zaad.
- December: Groenblijvend. Jonge bomen beschermen bij strenge vorst.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Van nature groeit hij op maar een handvol plekken, maar als plantageboom bedekt hij miljoenen hectaren, vooral in Nieuw-Zeeland en Chili.
- De kegels kunnen jarenlang dicht aan de boom blijven; na een bosbrand springen ze open en zaaien ze het verbrande bos opnieuw in.
- In delen van het zuidelijk halfrond, zoals Zuid-Afrika, verwildert hij uit plantages en wordt hij als een indringer bestreden.