
Foto: Tiarescott, CC BY-SA 3.0 · bron
Boom · Iepenfamilie (Ulmaceae)
Siberische iep
Ulmus pumila
In andere talen: Orme de Sibérie (Français) · Siberian elm (English)
Komt van buiten Europa, maar staat hier veel in tuinen en parken.
De Siberische iep is een snelgroeiende loofboom uit Centraal- en Oost-Azië, van Siberië en Mongolië tot Noord-China en Korea. In het wild groeit hij langs rivieren, in droge steppen en op zandige of stenige grond, en hij verdraagt zowel strenge kou als hete, droge zomers. Je herkent hem aan de kleine, bijna symmetrische, glanzend groene bladeren, aan de ronde, gevleugelde zaadjes die in het voorjaar massaal aan de takken hangen en aan de grijze, gegroefde schors. In België staat hij alleen aangeplant, als straat-, park- of tuinboom en als ouder van kruisingen die minder vatbaar zijn voor de iepziekte. Hij zaait zich makkelijk uit, dus plant hem met zorg en hou de zaailingen in de gaten.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -40 °C
Grootte
15 m
hoog, 10 m breed
Bloei
maart–april
| Snoeimaanden | december–februari |
|---|---|
| Hoogte | 15 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Bloei | maart–april |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Boom van 10–15 m, soms tot 25 m, met een open, ronde kroon en dunne, vaak wat overhangende twijgen; soms een grote struik. Schors grijs tot grijsbruin, ruw en onregelmatig gegroefd. Knoppen klein, bolrond en donkerbruin.
- Blad
- Afwisselend en klein: 2–7 cm, elliptisch, met een korte spits en een enkel of dubbel gezaagde rand. Glad en glanzend donkergroen; de voet is bijna symmetrisch, anders dan bij de meeste iepen. In de herfst geel.
- Bloem
- Kleine, roodachtige bloempjes in bundeltjes aan de kale twijgen, in maart–april, voor het blad. Tweeslachtig en bestoven door de wind.
- Vrucht/Zaad
- Ronde, platte, gevleugelde nootjes van 1–1,5 cm met het zaad in het midden, in april–mei massaal rijp. Ze waaien ver weg.
- Verwarring met
- Chinese iep: ook klein blad, maar bloeit in de nazomer en heeft een schilferende, gevlekte schors. Gladde iep of veldiep: grotere bladeren met een duidelijk scheve voet, en het zaad zit naar de top van de vleugel toe. Ruwe iep: groot, ruw blad met een sterk scheve voet.
Bloei: maart–april · Snoeien: december–februari
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Bloeit al in maart, voor het blad: een vroege bron van stuifmeel voor bijen.
- De zaadjes rijpen al in april–mei en worden gegeten door vinkachtigen zoals de groenling en de goudvink.
- Iepen zijn de waardplant van de iepenpage, een zeldzame dagvlinder; ziekteresistente iepen kunnen hem helpen overleven.
- Minder vatbaar voor de iepziekte dan onze inheemse iepen, en daarom gebruikt om resistente iepen te kweken.
- Verdraagt droogte, wind, kou en verharding: een stevige boom voor moeilijke, open plekken.
- Groeit snel en verdraagt zware snoei, ook als hoge haag of windscherm.
Waar staat een Siberische iep graag?
- In het wild: rivieroevers, steppen, zandige en stenige grond en bosranden in Centraal- en Oost-Azië, met koude winters en hete, droge zomers.
- Volle zon; in de schaduw groeit hij slap en dun.
- Bijna elke goed doorlatende grond: zand, leem of klei, ook kalkrijk en schraal. Verdraagt droogte goed, langdurig natte grond minder.
- In de tuin: alleen op een ruime plek, minstens 8 m van het huis, en niet naast een natuurgebied waar zijn zaailingen kunnen verwilderen.
- Geschikt als windscherm of hoge haag op open, winderige plekken.
Mooi samen met
- Hondsroos: Een inheemse struik voor de voet van een windscherm, met bloemen voor bijen en rozenbottels voor vogels.
- Sleedoorn: Witte bloei in maart–april, net als de iep, en een stekelige schuilplaats voor vogels.
- Duindoorn: Zilvergrijs blad en oranje bessen op dezelfde droge, zonnige grond.
- Wilde marjolein: Een geurige vlinderplant voor de zonnige, droge rand.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een Siberische iep?
- Koop een boom bij een boomkwekerij en neem nooit zaailingen mee uit het wild of uit een berm.
- Plant in de winterrust, van november tot maart, als de grond niet bevroren is.
- Graaf een ruim plantgat, zet de boom even diep als hij stond en druk de grond goed aan.
- Zet een paal aan de windkant en bind de stam vast met een brede band: de snelgroeiende jonge kroon vangt veel wind.
- Geef meteen flink water en het eerste jaar ook bij lange droogte.
- Hou de omgeving in de gaten: trek zaailingen in borders, goten en tussen tegels elk jaar uit, zodat hij niet verwildert.
Verzorgen
- Water
- Alleen het eerste jaar bij droogte; daarna is hij zeer droogtebestendig.
- Bemesten
- Niet nodig: extra mest maakt de snelle groei en het brosse hout alleen maar erger.
- Zaailingen
- Hij zaait zich rijkelijk uit. Wied kiemplantjes in het voorjaar en de zomer zo jong mogelijk, voor ze een diepe wortel maken.
- Veiligheid
- Het hout is bros en takken met een scherpe hoek scheuren makkelijk uit. Snoei jong naar een goede vorm en laat oude bomen nakijken.
- Iepziekte
- Hij is minder vatbaar, maar niet immuun. Verwelkte, gele takken in de zomer kunnen erop wijzen: knip ze in de winter ruim weg en voer het hout af.
Tip: Wied kiemplantjes elk voorjaar en elke zomer meteen uit: wie dat een paar jaar volhoudt, heeft een stevige, droogtebestendige boom zonder een bos van zaailingen eromheen.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: december–februari.
Wanneer: In de winter, van december tot februari. Dan is de boom in rust en vliegen de iepenspintkevers die de iepziekte verspreiden niet.
Hoe:
- Jonge boom: kies één doorgaande hoofdstam en haal takken met een smalle, scherpe hoek tijdig weg, want die scheuren later uit.
- Haal dode, gebroken en kruisende takken weg, net buiten de takkraag.
- Als haag of windscherm: knip jaarlijks terug tot de gewenste hoogte; hij loopt goed opnieuw uit.
- Laat geen stapels iepenhout met schors liggen: daarin kunnen iepenspintkevers broeden.
Let op: Snoei niet in de lente of zomer: verse snoeiwonden trekken iepenspintkevers aan, die de iepziekte kunnen overbrengen.
Vermeerderen
- Zaad
- Oogst de rijpe zaadjes in mei en zaai ze meteen, oppervlakkig op vochtige grond; ze kiemen binnen enkele weken. Bewaard zaad verliest snel zijn kiemkracht.
- Zachte stekken
- In juni stekken van 10–15 cm van jonge scheuten nemen en in vochtige stekgrond onder plastic zetten.
Hoe komt een Siberische iep de winter door?
Winterhard tot −40 °C.
- Bladverliezend: na een gele herfstkleur staat hij kaal, met kleine, bolronde, donkere knoppen.
- Uiterst winterhard: in zijn thuisland overleeft hij −40 °C en kouder.
- Natte sneeuw en ijzel kunnen door het brosse hout takken doen afbreken.
- In de winter zie je goed waar takken met een scherpe hoek staan; een goed moment voor vormsnoei.
Ziektes en plagen
- Iepziekte: Een schimmel, verspreid door iepenspintkevers, laat takken in de zomer plots verwelken en geel of bruin kleuren. Ruim wegknippen in de winter en het hout afvoeren.
- Iepenhaantje: Geelbruine kevertjes en hun larven eten het blad tot een kantwerk. Het ziet er erg uit, maar een gezonde boom maakt nieuw blad. Mezen en andere vogels eten de larven.
- Takbreuk: Bros hout en scherpe takhoeken: takken scheuren bij storm, natte sneeuw of ijzel. Vormsnoei bij jonge bomen voorkomt veel.
- Zaailingen: Veel kiemplanten in borders, goten en tussen tegels. Jong uittrekken, en plant hem niet naast natuurgebieden.
Het jaar rond
- Januari: Rust. Snoeien bij zacht weer. Planten.
- Februari: Laatste snoeibeurt. Planten.
- Maart: Bloei aan de kale takken: kleine, roodachtige bundeltjes.
- April: Laatste bloei. Het blad loopt uit en de ronde zaadjes kleuren lichtgroen.
- Mei: Zaad rijpt en waait uit. Zaad oogsten en zaaien. Zaailingen wieden.
- Juni: Let op het iepenhaantje. Zaailingen wieden. Zachte stekken nemen.
- Juli: Let op verwelkte takken door iepziekte. Jonge bomen water geven bij droogte.
- Oktober: Gele herfstkleur.
- November: Bladval. Planten.
- December: Rust. Snoeien en planten.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Na de stofstormen van de jaren 1930 werd de Siberische iep massaal aangeplant in windschermen in de Great Plains van de Verenigde Staten; daar is hij intussen een lastige verwilderaar.
- In Spanje en Italië kruist hij met de inheemse veldiep, waardoor de oorspronkelijke iepen daar plaatselijk vermengd raken.
- De soortnaam pumila betekent ‘dwergachtig’, wat vreemd klinkt voor een boom die tot 25 m hoog kan worden.