Foto: Vilensija, CC BY-SA 3.0 · bron
Loofboom · Iepenfamilie (Ulmaceae)
Fladderiep
Ulmus laevis
De fladderiep is een inheemse iep van natte grond: van rivieroevers, beekdalen en ooibossen. Hij dankt zijn naam aan de bloemen en vruchtjes, die aan lange, hangende steeltjes in de wind fladderen. Oude bomen hebben vaak knobbels, waterloten en plankachtige wortellijsten aan de stamvoet. Hij wordt 20–30 m hoog met een kroon van zo’n 15 m: te groot voor een gewone tuin, maar een mooie boom voor een ruime tuin, een park of een beekdal. Goed nieuws: hij wordt veel minder door de iepziekte getroffen dan de andere iepen.
Let op: Ook de fladderiep is niet immuun voor de iepziekte, al wordt hij zelden getroffen: snoei alleen in de winter en ruim ziek iepenhout snel op.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Vochtig tot nat
mag niet uitdrogen
Grond
Elke tuingrond
elke zuurtegraad
Winterhard
In heel België
geen bescherming nodig
Grootte
20–30 m
hoog
Bloei
maart
| Snoeimaanden | november–februari |
|---|---|
| Hoogte | 20–30 m |
| Inheems in België | Ja |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
| Bloei | maart |
Herkennen
Hoe herken je een fladderiep?
- Groeivorm
- Boom van 20–30 m met een brede, losse kroon van zo’n 15 m; oude stammen vaak met knobbels en wortellijsten.
- Blad
- Verspreid, 6–12 cm, eivormig met een zeer scheve voet, scherp dubbel gezaagd met naar voren gebogen tanden; bovenzijde vrij glad, onderzijde zacht grijs behaard. Bladsteel 4–6 mm.
- Schors
- Grijsbruin, in dunne schilfers; oude stammen vaak met knobbels, waterloten en plankachtige wortellijsten aan de voet.
- Bloem
- Bosjes bloempjes aan lange, hangende steeltjes (1–3 cm), in maart vóór het blad.
- Vrucht
- Kleine (ongeveer 1 cm) gevleugelde vruchtjes met een fijn gewimperde rand, aan lange steeltjes; het zaad zit in het midden.
- Verschil met de gladde iep
- De gladde iep heeft bloemen en vruchtjes bijna zonder steel, een vleugelrand zonder wimpers en vaak kurklijsten.
- Verschil met de ruwe iep
- De ruwe iep heeft groter, zeer ruw blad en grote vruchtjes zonder steel.
Bloei: maart · Snoeien: november–februari
Herkennen per kenmerk: Scheve bladvoet · Gevleugelde zaadjes
Lijkt op, maar is het niet
- Gladde iep Ulmus minor: bloemen en vruchtjes bijna zonder steel, een vleugelrand zonder wimpers en vaak kurklijsten. Verschil met gladde iep
- Ruwe iep Ulmus glabra: groter, zeer ruw blad en grote vruchtjes zonder steel. Verschil met ruwe iep
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een iep die je nog kan planten: weinig gevoelig voor de iepziekte.
- Groeit goed op natte grond en verdraagt tijdelijke overstroming.
- Waardplant van de iepenpage; oude bomen met holtes zijn waardevol voor vogels en vleermuizen.
- Bloeit al in maart, met sierlijk hangende bloempjes.
Waar staat een fladderiep graag?
- Zon tot halfschaduw.
- Vochtige tot natte, voedselrijke grond, zoals rivierklei of beekdalgrond; kalk is geen probleem. Op droge zandgrond is hij niet op zijn plaats.
- Verdraagt tijdelijke overstroming: een boom voor oevers, beekdalen en natte weilanden.
- Reken op 20–30 m hoog en een kroon van zo’n 15 m: alleen voor een ruime tuin, een park of een laan.
- Licht
- Zon of halfschaduw
- Grond
- Elke tuingrond
- Vocht
- Vochtig tot nat
- Grootte
- 25 m hoog, 15 m breed
- Winterhard
- In heel België, geen bescherming nodig
Mooi samen met
- Zomereik: Samen met de fladderiep een boom van het hardhoutooibos langs rivieren.
- Zwarte els: Groeit op dezelfde natte grond en verdraagt ook overstroming.
- Gelderse roos: Witte bloemschermen en rode bessen in de vochtige struiklaag.
- Vogelkers: Geurige witte trossen in het voorjaar, in dezelfde natte bossen.
Past goed bij, en liever niet bij
Past goed bij
- Verdragen de schaduw onder deze boom: mahonie, rododendron, olijfwilg, skimmia, haagliguster, camelia, altijdgroene sneeuwbal, haagkamperfoelie
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een fladderiep?
- Plant van november tot maart, als de grond niet bevroren is.
- Kies bij voorkeur plantgoed van inheemse (autochtone) herkomst, bij een betrouwbare kwekerij.
- Zet een jonge boom vast aan een boompaal en houd de boomspiegel de eerste jaren vrij van gras.
- Geef water na het planten en de eerste zomers bij droogte.
Verzorgen
- Water
- Op natte grond zelden nodig; op gewone tuingrond de eerste jaren bij droogte.
- Bemesten
- Niet nodig.
- Waterloten
- Knip waterloten op de stam in de winter weg als je een gladde stam wil.
- Controle
- Kijk in juni–juli toch even of er takken verwelken: ook een fladderiep kan de iepziekte krijgen, al gebeurt het zelden.
Tip: Wil je een iep planten zonder resistent ras, kies dan de fladderiep: hij is inheems, wordt weinig getroffen door de iepziekte en groeit waar andere bomen natte voeten krijgen.
Wanneer snoei je een fladderiep?
Snoeimaanden: november–februari.
Wanneer: In de winter (november–februari).
Hoe:
- Weinig snoei nodig. Waterloten op de stam mag je in de winter wegknippen.
- Geef een jonge boom één doorgaande leider en kroon hem geleidelijk op. Snoei nooit in lente of zomer: verse wonden trekken de iepenspintkever aan.
Let op: Laat het zagen van zware takken bij oude bomen over aan een boomverzorger.
Vermeerderen
- Zaaien
- De vruchtjes zijn in mei–juni rijp en blijven maar kort kiemkrachtig: zaai ze meteen, oppervlakkig, op vochtige grond.
Hoe komt een fladderiep de winter door?
Winterhard in heel België: geen bescherming nodig.
- Volledig winterhard.
- In de winter snoei je, en zie je de knobbels en wortellijsten van oude stammen het best; in maart hangen de eerste bloempjes al aan hun lange steeltjes.
Ziektes en plagen
- Iepziekte: Zeldzaam, maar niet uitgesloten: takken die in juni–juli verwelken en geel tot bruin worden. Laat de boom nakijken.
- Waterloten: Veel jonge scheuten op de stam, vooral bij oude bomen of na zware snoei. Knip ze in de winter weg.
- Droogte: Op droge grond kwijnt hij en verliest hij vroeg zijn blad. Kies een vochtige plek.
- Bladgallen: Opgerolde bladeren of gallen op het blad, gemaakt door bladluizen. Onschuldig.
Het jaar rond
- Januari: Snoeien als het nodig is; waterloten wegknippen.
- Februari: Laatste maand om te snoeien.
- Maart: Bloei aan lange, hangende steeltjes; nog plantseizoen.
- Mei: Vruchtjes rijp (mei–juni): meteen zaaien.
- Juni: Kijk naar verwelkende takken; niet snoeien.
- Juli: Jonge bomen op gewone grond water geven bij droogte.
- Oktober: Gele herfstkleur.
- November: Plantseizoen; snoeien kan weer.
- December: Snoeien: waterloten wegknippen.
Gebruiken
Wat kan je ermee?
- Tuin en landschap
- Een iep die je nog kan planten: weinig gevoelig voor de iepziekte en geschikt voor natte grond en beekdalen.
- Voor de natuur
- Waardplant van de iepenpage; oude bomen met holtes zijn waardevol voor vogels en vleermuizen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Hij wordt veel minder door de iepziekte getroffen dan andere iepen: de iepenspintkevers, die de schimmel overbrengen, mijden zijn schors.
- Zijn vruchtjes hebben een fijn gewimperde rand: zo onderscheid je hem van alle andere inheemse iepen.
- Oude bomen met holtes en knobbels zijn waardevol voor vogels en vleermuizen.