
Foto: Wikimedia Commons, Public domain · bron
Boom · Cupressaceae
Italiaanse cipres
Cupressus sempervirens
In andere talen: Cyprès de Provence (Français) · Italian cypress (English)
De Italiaanse cipres komt oorspronkelijk uit het oosten van het Middellandse Zeegebied, van Griekenland en Turkije tot Iran, maar wordt al sinds de oudheid rond de hele Middellandse Zee geplant. Bekend is vooral de smalle zuilvorm die de heuvels van Toscane siert; wilde bomen groeien meestal breder, met uitstaande takken. Hij heeft fijne, donkergroene, schubvormige blaadjes die harsachtig ruiken als je ze kneust, en ronde, houtige kegels van 2–4 cm. Bekende smalle rassen zijn ‘Stricta’ en het zeer smalle ‘Totem’; ‘Glauca’ heeft blauwgroen loof. Tuiniers kiezen hem voor een strak, zuidelijk accent: één zuil als blikvanger of een rij als groene wand op een zonnige, droge plek.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Grond
Zand, leem of klei
elke zuurtegraad
Winterhard
tot -15 °C
jonge planten beschermen
Grootte
15 m
hoog, 2 m breed
| Snoeimaanden | mei–augustus |
|---|---|
| Hoogte | 15 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
Herkennen
Hoe herken je een Italiaanse cipres?
- Groeivorm
- Smalle zuil van 10–15 m hoog en 1–2 m breed bij de zuilvormen; wilde bomen zijn breder en losser.
- Blad
- Fijne, schubvormige, donkergroene blaadjes dicht tegen de twijgen, harsachtig geurend als je ze kneust.
- Kegels
- Rond tot iets ovaal, 2–4 cm, met 8–14 schubben; eerst groen, later grijsbruin, en ze blijven jaren aan de boom.
- Schors
- Grijsbruin en dun, met de jaren in smalle repen afschilferend.
- Wortels
- Diep wortelend; jonge planten slaan veel beter aan dan grote, oude bomen.
Planten: april–mei en september · Snoeien: mei–augustus
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een strak, zuilvormig accent dat de tuin meteen een zuidelijke sfeer geeft.
- Groenblijvend: het hele jaar een donkergroene structuur, ook in de winter.
- Neemt weinig plaats in de breedte: ideaal voor smalle stroken, langs een oprit of als uitroepteken in een border.
- Droogtebestendig als hij eenmaal geworteld is: geschikt voor een zonnige grindtuin.
- Loof en hout ruiken aangenaam harsachtig.
- Lang levend en weinig werk: een lichte snoeibeurt volstaat.
Waar staat een Italiaanse cipres graag?
- Volle zon en warmte: een plek op het zuiden of westen, liefst beschut tegen koude oostenwind.
- Goed doorlatende grond: zand, leem of klei, zuur tot kalkrijk. Zware klei verbeter je met grof zand of grind.
- Droog tot normaal vochtig: natte voeten in de winter zijn erger dan vorst.
- Als solitair 2 m vrij rondom; voor een rij of groene wand plant je op zo’n 1–1,5 m.
- Een plek in de luwte van een muur of haag beperkt winterschade bij jonge planten.
- Licht
- Zon
- Grondsoort
- Zand, leem of klei
- Zuurtegraad
- Niet kieskeurig
- Vocht
- Droog of normaal
- Grootte
- 15 m hoog, 2 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -15 °C)
Mooi samen met
- Lavendel: Dezelfde zonnige, droge plek en een paarse, geurende voet aan de zuil.
- Rozemarijn: Mediterraan, aromatisch en droogtebestendig, op dezelfde warme plek.
- Vedergras: Fijne, wuivende halmen als zacht contrast met de strakke zuil.
- Olijfboom: Zilvergrijs blad voor een Toscaans beeld; in een pot die je bij strenge vorst beschut zet.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een Italiaanse cipres?
Planten in april–mei en september.
- Plant liefst in april–mei, zodat hij voor de winter goed wortelt; september kan op lichte, goed doorlatende grond.
- Kies een jonge plant in pot: kleine cipressen slaan veel beter aan dan grote.
- Graaf een plantgat twee keer zo breed als de kluit; meng op zware grond grof zand of grind door de grond.
- Zet hem even diep als in de pot, niet dieper, en druk de grond goed aan.
- Zet een paal schuin naast de kluit, bind de stam losjes vast met een zachte band en geef meteen een flinke gieter water.
- Mulch met grind of schors en geef het eerste jaar water bij droogte.
Verzorgen
- Water
- Het eerste jaar wekelijks bij droogte. Daarna verdraagt hij droogte goed; alleen planten in potten hebben regelmatig water nodig.
- Bemesten
- Nauwelijks nodig. Op arme grond in april een handje organische mest voor coniferen.
- Samenbinden
- Bind de zuil met een zachte band in een losse spiraal samen, zodat sneeuw en wind de takken niet uit elkaar duwen.
- Steun
- Laat de paal twee à drie jaar staan en controleer of de band niet in de stam snijdt.
- In een pot
- Kan jaren in een grote, zware pot met een mengsel van potgrond en grind; zet de pot in de winter tegen een beschutte muur.
Tip: Plant een kleine, jonge cipres in het voorjaar op een goed doorlatende plek: hij wortelt dan diep en wordt veel sterker dan een grote boom. Bind de zuil van in het begin losjes samen met een zachte band in een spiraal.
Wanneer snoei je een Italiaanse cipres?
Snoeimaanden: mei–augustus.
Wanneer: Snoeien is nauwelijks nodig. Wil je hem smaller of strakker houden, knip dan licht tussen mei en augustus, niet laat in de herfst.
Hoe:
- Knip uitstekende twijgen licht in, alleen in het groene, beschubde deel van de takken.
- Bind uitgezakte takken terug tegen de zuil in plaats van ze af te zagen.
- Haal bruine of dode takken weg tot in gezond hout.
- Plant je een rij als haag, knip dan elk jaar een beetje in plaats van om de paar jaar veel.
Let op: Knip nooit in kaal, bruin hout zonder groen: een cipres loopt daar niet meer uit en de kale plek blijft zichtbaar.
Vermeerderen
- Zaad
- In het voorjaar zaaien in zaaigrond. De kegels gaan open als je ze een tijd droog en warm legt. Zaailingen van zuilvormen groeien niet allemaal smal: kies de smalste uit.
- Stekken
- Halfrijpe stekken van 10–15 cm met een hieltje in augustus–september, in vochtige stekgrond onder glas of plastic. Ze wortelen traag en niet allemaal; zo blijven rassen wel zuiver.
Hoe komt een Italiaanse cipres de winter door?
Winterhard tot −15 °C: jonge planten beschermen.
- Winterhard tot ongeveer −15 °C: in de meeste Belgische winters geen probleem, maar in een strenge winter kan het loof verbruinen of kan een jonge plant doodvriezen.
- Natte voeten zijn gevaarlijker dan vorst: zorg voor een goed doorlatende plek.
- Bescherm jonge planten de eerste winters tegen koude oostenwind met een windscherm of vlies.
- Bind de zuil samen tegen sneeuwlast en schud zware sneeuw meteen van de takken. Zet potten tegen een beschutte muur en wikkel ze in jute.
Ziektes en plagen
- Uitgezakte zuil: Sneeuw, ijzel of wind duwen de takken uit elkaar. Bind de zuil op tijd samen met een zachte band in een spiraal.
- Winterbruin loof: Bruin loof na een strenge winter of koude, droge wind. Wacht tot mei: vaak lopen de takken weer groen uit; knip daarna alleen het echt dode hout weg.
- Wortelrot: De boom wordt dof en bruin en sterft af, vooral op natte, zware grond. Voorkom het met een goed doorlatende plek; aangetaste bomen herstellen zelden.
- Cipressenkanker: Afzonderlijke takken kleuren roodbruin, met harsvloed en ingezonken plekken in de schors. Knip aangetaste takken ruim tot in gezond hout weg en ontsmet je snoeischaar.
Het jaar rond
- Januari: Rust. Zware sneeuw van de takken schudden.
- Februari: Band rond de zuil controleren. Jonge planten beschermen tegen koude wind.
- Maart: Windscherm weghalen bij zacht weer. Paal en band nakijken.
- April: Planten. Bruine takken nog laten staan tot mei.
- Mei: Planten. Winterschade wegknippen. Licht in vorm knippen.
- Juni: Licht snoeien. Jonge planten water geven bij droogte.
- Juli: Jonge planten en potten water geven bij droogte.
- Augustus: Laatste lichte snoeibeurt.
- September: Planten op lichte grond. Zuil samenbinden voor de winter.
- Oktober: Potten tegen een beschutte muur zetten.
- November: Jonge planten beschermen tegen koude oostenwind.
- December: Rust. Zware sneeuw van de takken schudden.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Rond de Middellandse Zee wordt de cipres al eeuwenlang op begraafplaatsen geplant, als symbool van rouw en eeuwigheid.
- Cipressen kunnen heel oud worden: de cipres van Abarkuh in Iran wordt op duizenden jaren geschat.
- De smalle zuilvorm is door de mens geselecteerd en verspreid; wilde bomen in Griekenland en Turkije groeien meestal breder, met uitstaande takken.