
Foto: Karelj, CC BY-SA 3.0 · bron
Boom · Fabaceae
Alpengoudenregen
Laburnum alpinum
In andere talen: Cytise des Alpes (Français) · Scotch laburnum (English)
De alpengoudenregen komt uit de bergen van Midden- en Zuid-Europa, van de Alpen tot de Apennijnen en de Balkan. Het is een kleine boom met een ronde tot vaasvormige kroon, drietallig glanzend blad en in mei–juni lange, hangende trossen goudgele vlinderbloemen. Vergeleken met de gewone goudenregen bloeit hij een paar weken later, zijn de trossen langer en slanker en geuren de bloemen zoeter. Bijen en hommels bezoeken ze graag. De bekende bastaard tussen beide soorten, de goudenregen ‘Vossii’, wordt nog vaker geplant. Alle delen van de plant zijn zeer giftig.
Let op: Alle delen zijn zeer giftig, vooral de zaden en peulen, maar ook schors, blad en bloemen. Kinderen houden de peulen soms voor erwten of boontjes; ook honden, katten, paarden en ander vee lopen gevaar. Plant hem niet bij een speelplek of een wei, haal de peulen weg en was je handen na het werken met de boom.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Grond
Zand, leem of klei
elke zuurtegraad
Winterhard
Volledig winterhard
tot -30 °C
Grootte
6 m
hoog, 5 m breed
Bloei
mei–juni
| Snoeimaanden | juli–augustus |
|---|---|
| Hoogte | 6 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Goed voor bijen, vlinders en vogels | Ja, voor bijen |
| Giftig voor mens en huisdier | Ja, let op met kinderen en huisdieren |
| Bloei | mei–juni |
Herkennen
Hoe herken je een alpengoudenregen?
- Groeivorm
- Kleine boom, vaak met meerdere stammen, met een ronde tot vaasvormige kroon; tot ongeveer 6 m hoog en 5 m breed.
- Blad
- Drietallig, met elliptische blaadjes van 4–8 cm; glanzend donkergroen en aan de onderkant nauwelijks behaard.
- Bloem
- Goudgele vlinderbloemen in lange, slanke, hangende trossen, in mei–juni, zoet geurend.
- Vrucht
- Platte, kale peulen met donkere zaden, die tot in de winter aan de boom kunnen blijven hangen.
- Schors
- Glad en groenachtig bruin; het kernhout is donker en zeer hard.
Bloei: mei–juni · Planten: maart–april en oktober–december · Snoeien: juli–augustus
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een spectaculaire gele bloei in mei–juni, met slanke, hangende trossen tot ongeveer 30 cm.
- De bloemen geuren zoet, sterker dan die van de gewone goudenregen.
- Bijen en hommels vliegen af op de bloemen.
- Zeer winterhard en tevreden met kalkrijke grond.
- Klein genoeg voor een gewone tuin, als solitair of boven een pad.
Waar staat een alpengoudenregen graag?
- Zon of halfschaduw; in de volle zon bloeit hij het rijkst.
- Elke goed doorlatende grond: zand, leem of klei, neutraal tot kalkrijk.
- Normaal vochtig; natte voeten verdraagt hij slecht.
- Plant hem niet bij een speelplek, een kippenren of een wei met grazende dieren: de zaden zijn zeer giftig.
- Reken op ongeveer 5 m ruimte.
- Licht
- Zon en halfschaduw
- Grondsoort
- Zand, leem of klei
- Zuurtegraad
- Niet kieskeurig
- Vocht
- Normaal
- Grootte
- 6 m hoog, 5 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -30 °C)
Mooi samen met
- Blauweregen: Bloeit in dezelfde periode; samen over een pergola geven ze geel en blauwpaars.
- Sierui: Paarse bollen onder de gele trossen, een klassiek beeld.
- Akelei: Bloeit in dezelfde weken in de lichte schaduw onder de kroon.
- Baardiris: Blauwe of paarse irissen versterken het geel in mei–juni.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een alpengoudenregen?
Planten in maart–april en oktober–december.
- Plant in maart–april of van oktober tot december, als de grond niet bevroren of te nat is.
- Graaf een plantgat twee keer zo breed als de kluit en maak de bodem los; op zware klei meng je er wat grof zand door.
- Zet de boom even diep als hij in de pot stond: de wortelhals blijft op grondniveau.
- Geef een jonge boom een stevige boompaal aan de windkant: de eerste jaren waait hij makkelijk scheef.
- Druk de grond goed aan en geef meteen een paar emmers water.
- Leg een laag mulch rond de voet, zonder de stam te raken.
Verzorgen
- Water
- Het eerste jaar regelmatig water geven bij droogte. Daarna zelden nodig.
- Bemesten
- Meestal niet nodig. Te veel mest geeft veel blad en minder bloemen.
- Uitgebloeide trossen
- Knip ze na de bloei weg, voor de peulen rijp worden: dat voorkomt giftige zaden in de tuin en spaart de boom.
- Boompaal
- Controleer boompaal en band elk jaar en laat een jonge boom twee à drie jaar aan de paal.
- Zaailingen
- Wied zaailingen die onder de boom opkomen meteen weg.
Tip: Knip de uitgebloeide trossen weg voor de peulen rijp zijn: zo spaar je de boom en voorkom je giftige zaden in de tuin. Plant hem waar je de hangende trossen van onderen ziet, bijvoorbeeld boven een pad.
Wanneer snoei je een alpengoudenregen?
Snoeimaanden: juli–augustus.
Wanneer: Snoei in de zomer, in juli–augustus: dan bloedt hij het minst en sluiten de wonden voor de winter.
Hoe:
- Knip uitgebloeide trossen en jonge peulen weg voor ze rijp worden.
- Verwijder dode, beschadigde en kruisende takken.
- Haal scheuten aan de voet van de stam weg.
- Snoei geen dikke takken: grote wonden helen slecht.
Let op: Draag handschoenen bij het opruimen van peulen en snoeihout en gooi ze niet in een kippenren of wei.
Vermeerderen
- Zaaien
- Week het zaad een nacht in warm water en zaai het in de herfst of het voorjaar in een pot. Bewaar zaad buiten bereik van kinderen. Zaailingen bloeien pas na een aantal jaren.
- Enten
- Rassen en de bastaard ‘Vossii’ worden in de kwekerij geënt; dat is werk voor de vakman.
Hoe komt een alpengoudenregen de winter door?
Winterhard tot −30 °C.
- Zeer winterhard, tot ongeveer −30 °C: in België is geen bescherming nodig.
- Natte, zware grond in de winter is een groter gevaar dan vorst.
- Controleer jonge bomen na een storm: zet een scheefgewaaide boom recht en bind hem opnieuw vast.
- Haal achtergebleven peulen weg in de winter, als je ze goed ziet hangen.
Ziektes en plagen
- Bladmineermot: Bruine vlekken in het blad door de rupsjes van een kleine mot. Zelden schadelijk: ruim aangetast blad in de herfst op.
- Honingzwam: De boom sterft plots af, met witte schimmelwaaiers onder de schors en paddenstoelen aan de voet in de herfst. Verwijder de boom met zoveel mogelijk wortels.
- Zaailingen: Jonge goudenregens die onder de boom opkomen. Trek ze jong uit en knip de peulen tijdig weg.
- Scheefgroei: Jonge bomen waaien makkelijk scheef. Een stevige boompaal de eerste jaren voorkomt dat.
- Weinig bloei: Op een te schaduwrijke plek of na veel mest bloeit hij matig. Geef hem meer licht en bemest niet.
Het jaar rond
- Januari: Rust. Achtergebleven peulen weghalen.
- Maart: Planten. Boompaal controleren.
- April: Planten. Jonge bomen water geven bij droogte.
- Mei: Begin van de bloei met geurende, gele trossen.
- Juni: Bloei. Genieten van de geur.
- Juli: Uitgebloeide trossen en jonge peulen wegknippen. Dode of kruisende takken snoeien.
- Augustus: Eventueel nog snoeien. Overgebleven peulen weghalen.
- Oktober: Planten. Gevallen peulen en blad opruimen.
- November: Planten.
- December: Planten bij zacht weer. Achtergebleven peulen weghalen.
Gebruiken
Eetbaar en bruikbaar
Niet eetbaar. Alle delen van de goudenregen zijn giftig, vooral de zaden: de peulen lijken op die van erwten of bonen en zijn een klassieke oorzaak van vergiftiging bij kinderen. Plant hem niet waar kleine kinderen spelen, of knip de uitgebloeide trossen weg voor ze peulen vormen. Ook giftig voor paarden en honden. Bij inslikken: bel meteen het Antigifcentrum (in België 070 245 245) of je huisarts.
Goed voor dieren
- Bijen
- Nectar en stuifmeel voor honingbijen en wilde bijen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Ondanks de Engelse naam Scotch laburnum komt hij niet uit Schotland, maar uit de bergen van Midden- en Zuid-Europa; in Schotland werd hij wel al vroeg veel aangeplant.
- De bekende goudenregen ‘Vossii’ is een bastaard tussen de alpengoudenregen en de gewone goudenregen. Hij heeft lange trossen en vormt weinig zaad.
- Het donkere, harde kernhout van goudenregen werd vroeger gebruikt voor inlegwerk en draaiwerk, als vervanger van ebbenhout.