
Foto: DirkHoffmann, CC BY-SA 3.0 · bron
Heester · Myrtaceae
Lampenpoetser
Melaleuca citrina
In andere talen: Rince-bouteille (Français) · Crimson bottlebrush (English)
De lampenpoetser komt uit het zuidoosten van Australië en heette lang Callistemon citrinus. Hij is een groenblijvende struik van ongeveer 2 m hoog en 1,5 m breed, met smalle, lancetvormige bladeren. In de zomer verschijnen er felrode bloemborstels van ongeveer 10 cm lang, die doen denken aan een flessenborstel. De rode kleur komt van de lange meeldraden, niet van bloemblaadjes. Bijen komen er graag op af. In België is hij niet volledig winterhard: je kweekt hem het best in een pot op het terras en overwintert hem vorstvrij, licht en koel binnen.
Let op: Niet volledig winterhard: vorst onder ongeveer −7 °C doodt hem, zeker als de wortels in een pot bevriezen. Zet hem in oktober voor de eerste vorst binnen.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Grond
Zand of leem
zuur tot neutraal
Winterhard
tot -7 °C
beschermen in strenge winters
Grootte
2 m
hoog, 1,5 m breed
Bloei
juni–augustus
| Snoeimaanden | augustus–september |
|---|---|
| Hoogte | 2 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Goed voor bijen, vlinders en vogels | Ja, voor bijen |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
| Bloei | juni–augustus |
Herkennen
Hoe herken je een lampenpoetser?
- Groeivorm
- Groenblijvende, losse struik van ongeveer 2 m hoog en 1,5 m breed, met een wat hangende, vertakte kroon.
- Blad
- Smal en lancetvormig, leerachtig groen; de jonge scheuten zijn zilverbehaard en roodachtig.
- Bloem
- Felrode, cilindrische bloemborstels van ongeveer 10 cm, van juni tot augustus; de kleur komt van de meeldraden.
- Vrucht
- Kleine, houtige, napvormige vruchtjes die in groepjes rond de tak blijven zitten, vaak jarenlang.
- Wortels
- Fijn en vezelig, gevoelig voor verstikking: de grond moet doorlatend en luchtig zijn.
Bloei: juni–augustus · Planten: mei–juni · Snoeien: augustus–september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Felrode bloemborstels van juni tot augustus: een opvallende exoot op het terras.
- Groenblijvend blad, met jonge, zilverbehaarde, roodachtige scheuten die extra sier geven.
- Bijen komen op de nectarrijke bloemen af.
- Mooi in een pot, als solitair op het terras of in een zuidgerichte, beschutte hoek.
- Compact van formaat: ongeveer 2 m hoog en 1,5 m breed, en met snoeien in toom te houden.
Waar staat een lampenpoetser graag?
- Volle zon: alleen dan bloeit hij rijk; in halfschaduw blijft de bloei schaars.
- Doorlatende, humusrijke, zure tot neutrale grond of potgrond; geen kalk.
- Normaal vochtig: de kluit mag in het groeiseizoen nooit helemaal uitdrogen, maar water mag niet blijven staan.
- Beschut tegen koude wind, bijvoorbeeld tegen een zuidmuur of op een warm terras.
- Als hij buiten staat: 1,5 m ruimte; in een pot minstens 30–40 cm doorsnede.
- Licht
- Zon
- Grondsoort
- Zand of leem
- Zuurtegraad
- Zuur of neutraal
- Vocht
- Normaal
- Grootte
- 2 m hoog, 1,5 m breed
- Winterhard
- Matig winterhard (tot -7 °C): bescherm hem in strenge winters
Mooi samen met
- Agapanthus: Blauwe bloemschermen in de zomer, ook in een pot op het terras.
- Lavendel: Paarse bloemen en geur, zelfde warme, zonnige plek.
- Olijfboom: Zilvergroen blad, een mediterrane sfeer op het terras.
- Rozemarijn: Groenblijvend, geurend en bijvriendelijk, in een aparte pot.
- Pelargonium: Rode of roze bloemen de hele zomer op het terras.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een lampenpoetser?
Planten in mei–juni.
- Zet hem pas buiten of plant hem pas uit in mei–juni, als er geen vorst meer te verwachten is.
- Kies een pot van minstens 30–40 cm met drainagegaten en een laagje kleikorrels onderaan. Gebruik zure potgrond (voor rododendrons) met een derde zand of perliet.
- Zet de plant even diep als in de oude pot en druk de grond aan.
- In de volle grond: graaf een gat twee keer zo breed als de kluit, in zure of neutrale, doorlatende grond tegen een zonnige, beschutte muur.
- Geef meteen water, bij voorkeur regenwater, en houd de grond de eerste weken vochtig.
- Leg een laag zure mulch (schors of bladcompost) op de grond, zonder de stam te bedekken.
Verzorgen
- Water
- In het groeiseizoen regelmatig, zodat de kluit licht vochtig blijft; liefst regenwater, want kalkrijk water geeft bleke bladeren. Laat geen water in het bord staan.
- Bemesten
- Van mei tot augustus maandelijks een meststof voor zuurminnende planten, volgens de dosering op de verpakking.
- Verpotten
- Om de 2–3 jaar in april–mei in een iets grotere pot met verse, zure potgrond.
- Uitgebloeide bloemen
- De uitgebloeide borstels groeien door tot een bladscheut. Knip ze niet te diep terug.
- Terrasplek
- Zet hem van mei tot oktober op een zonnig, beschut terras; wen hem aan het buitenlicht door hem eerst enkele dagen in de halfschaduw te zetten.
Tip: Kweek hem in een pot en zet hem van mei tot oktober op een zonnig, beschut terras. Overwinter hem licht, koel en vorstvrij; in een milde streek mag hij tegen een zuidmuur blijven staan.
Wanneer snoei je een lampenpoetser?
Snoeimaanden: augustus–september.
Wanneer: Na de bloei, in augustus–september.
Hoe:
- Knip de uitgebloeide borstels met een paar centimeter groene scheut eraan weg.
- Vorm de struik licht bij: kort te lange scheuten in tot boven een bladknoop.
- Haal dode of zwakke takken helemaal weg.
- Laat de houtige vruchtjes zitten of knip ze mee weg; ze zijn niet schadelijk.
Let op: Snoei niet in oud, kaal hout: daar loopt hij vaak niet meer uit. Snoei ook niet laat in het najaar, want de nieuwe groei vriest dan makkelijk af.
Vermeerderen
- Halfhoutige stekken
- In juli–september: stekken van 8–10 cm van stevig, halfverhout hout, onderste bladeren weg, in zandige, zure potgrond onder plastic op een warme, lichte plek. Wortelen duurt weken tot maanden: geduld.
- Zaaien
- Het zaad uit de houtige vruchtjes strooi je op het oppervlak van vochtige, zure zaaigrond bij ongeveer 18–20 °C, zonder te bedekken. Zaailingen kunnen verschillen van de moederplant.
Hoe komt een lampenpoetser de winter door?
Winterhard tot −7 °C: beschermen in strenge winters.
- Niet volledig winterhard: hij verdraagt lichte vorst tot ongeveer −7 °C, maar niet als de wortels in een pot bevriezen.
- Zet hem in oktober, voor de eerste vorst, binnen op een lichte, koele (5–10 °C), vorstvrije plek: een koude serre of een lichte kelder. Water spaarzaam: de kluit mag net niet uitdrogen. Geen mest.
- In een milde streek kan hij tegen een zuidmuur blijven staan, met een dikke laag mulch en een vliesdoek bij vorst; houd er rekening mee dat hij in een strenge winter kan sneuvelen.
Ziektes en plagen
- Gele bladeren: Door kalkrijk gietwater of grond (ijzergebrek). Giet met regenwater en gebruik zure potgrond.
- Schildluis en spint: Vooral tijdens de overwintering binnen: kleefrig blad, bruine schilden of fijn spinsel. Wrijf de luizen weg met een natte doek, spoel het blad af en lucht regelmatig.
- Bruine, vallende bladeren: Door uitdroging of juist natte voeten in de pot. Houd de kluit licht vochtig en zorg dat het water kan wegvloeien.
- Geen bloemen: Te weinig licht of te hard gesnoeid. Zet hem in volle zon en snoei enkel lichtjes na de bloei.
Het jaar rond
- Maart: Binnen op een lichte, koele plek. Nog weinig water.
- April: Verpotten indien nodig. Iets meer water geven.
- Mei: Na de ijsheiligen buiten zetten of uitplanten. Maandelijks voeden.
- Juni: Begin van de bloei. Regelmatig water geven.
- Juli: Volle bloei. Water geven bij droogte.
- Augustus: Bloei afronden. Licht snoeien. Stekken nemen.
- September: Licht snoeien. Stekken nemen.
- Oktober: Voor de eerste vorst naar binnen halen.
- November: Koel en licht overwinteren, spaarzaam water.
- December: Rust binnen, bijna geen water.
Gebruiken
Goed voor dieren
- Bijen
- Nectar en stuifmeel voor honingbijen en wilde bijen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Hij werd vroeger Callistemon citrinus genoemd; dat geslacht is sinds de jaren 2000 bij Melaleuca ondergebracht.
- De rode ‘borstel’ bestaat uit lange meeldraden, niet uit bloemblaadjes.
- De houtige vruchtjes blijven vaak jarenlang in groepjes rond de tak zitten.