
Foto: Louise Docker from sydney, Australia, CC BY 2.0 · bron
Vaste plant · Lamiaceae
Moerassalie
Salvia uliginosa
In andere talen: Sauge des marais (Français) · Bog sage (English)
De moerassalie komt uit de natte graslanden van het zuiden van Zuid-Amerika, onder meer in Brazilië, Uruguay en Argentinië, en heeft daarom meer vocht nodig dan de meeste salies. Hij wordt 1,5 m hoog met ranke, vierkante stengels en smalle, getande bladeren. Van augustus tot de eerste vorst verschijnen er aan de toppen aartjes met hemelsblauwe bloemen met een witte keel, die door bijen en vlinders worden bezocht. Hij breidt zich uit met ondergrondse uitlopers. Hij is niet helemaal winterhard (tot ongeveer −10 °C), dus bescherming in de winter is aan te raden.
Let op: Hij maakt ondergrondse uitlopers en kan in vochtige grond flink oprukken; steek uitlopers die te ver gaan af. Hij is niet helemaal winterhard, dus bescherm de wortels in de winter.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Normaal tot nat
mag niet uitdrogen
Grond
Leem, klei of veen
zuur tot neutraal
Winterhard
tot -10 °C
beschermen in strenge winters
Grootte
1,5 m
hoog, 0,6 m breed
Bloei
augustus–oktober
| Snoeimaanden | april–mei |
|---|---|
| Hoogte | 1,5 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Goed voor bijen, vlinders en vogels | Ja, voor bijen en vlinders |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
| Bloei | augustus–oktober |
Herkennen
Hoe herken je een moerassalie?
- Groeivorm
- Ranke, rechtopgaande vaste plant van 1,5 m hoog en ongeveer 60 cm breed, met vierkante stengels; breidt zich uit met ondergrondse uitlopers.
- Blad
- Smal lancetvormig, 5–10 cm lang, getand, frisgroen; blijft dun en fijn.
- Bloem
- Hemelsblauwe lipbloemen met een witte keel in aartjes aan de toppen van de stengels, van augustus tot oktober.
- Kleur
- Een zuiver, helder blauw, dat in de late zomer zeldzaam is bij vaste planten.
- Wortels
- Dunne, ondergrondse uitlopers; ze vormen met de jaren een grote groep.
Bloei: augustus–oktober · Planten: mei–juni · Snoeien: april–mei
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Hemelsblauwe bloemen van augustus tot de eerste vorst, een kleur die zeldzaam is in de late zomer.
- Hoog en luchtig: geeft hoogte zonder zwaar te zijn.
- Bijen en vlinders bezoeken de bloemen in de late zomer en herfst, als er weinig anders bloeit.
- Houdt van vochtige tot natte grond, waar veel andere salies niet willen groeien.
- Past goed in een natuurlijke of prairie-achtige beplanting.
- Breidt jaar na jaar uit tot een mooie groep.
Waar staat een moerassalie graag?
- Volle zon voor de rijkste bloei; in halfschaduw wordt hij langer en slapper.
- Vochtige, voedselrijke leem, klei of venige grond, zuur tot neutraal.
- Houd de grond vochtig tot nat tijdens de groei; in de winter mag de grond niet blijven staan.
- Een warme, beschutte plek, bijvoorbeeld voor een zuidmuur, helpt hem de winter te overleven.
- Reken op ongeveer 60 cm ruimte per plant.
- Licht
- Zon
- Grondsoort
- Leem, klei of veen
- Zuurtegraad
- Zuur of neutraal
- Vocht
- Normaal of nat
- Grootte
- 1,5 m hoog, 0,6 m breed
- Winterhard
- Matig winterhard (tot -10 °C): bescherm hem in strenge winters
Mooi samen met
- Zonnehoed: Gele bloemen naast de hemelsblauwe aartjes: een sterk contrast.
- Siergrassen: Pluimen zoals bij Miscanthus brengen beweging en rust.
- Dahlia: Warme tinten die in dezelfde late periode bloeien.
- Herfstaster: Paarse en roze bloemen die samen met de salie het seizoen afsluiten.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een moerassalie?
Planten in mei–juni.
- Plant pas in mei–juni, als de laatste nachtvorst voorbij is.
- Graaf een plantgat dat twee keer zo breed is als de kluit en meng er compost door.
- Zet de plant even diep als in de pot en druk de grond goed aan.
- Houd 60 cm afstand en plant bij voorkeur in een groepje van drie.
- Geef meteen water en leg een laag mulch van bladcompost rond de voet.
Verzorgen
- Water
- Ruim water in droge perioden: hij is een plant van natte grond en laat bij droogte zijn blad hangen.
- Bemesten
- In het voorjaar een schep compost of organische mest. Meer is niet nodig.
- Mulchen
- Een laag bladcompost in het voorjaar houdt de grond vochtig; in de herfst extra mulch voor de winter.
- Steun
- De ranke stengels kunnen buigen bij wind. Zet hem tussen sterkere planten of geef steun met takken.
- Toppen
- Knijp in mei–juni de toppen uit voor een vollere, compactere plant met meer bloemen.
- Uitlopers
- Steek uitlopers die te ver gaan in het voorjaar af en geef ze weg of plant ze elders.
Tip: Plant hem in mei–juni op een warme, vochtige, beschutte plek en dek de wortels in november af met een dikke laag blad. Overwinter voor de zekerheid een stek vorstvrij.
Wanneer snoei je een moerassalie?
Snoeimaanden: april–mei.
Wanneer: In april–mei, als je onderaan nieuwe scheuten ziet; de oude stengels zijn een winterbescherming.
Hoe:
- Wacht met snoeien tot er nieuwe scheuten uit de grond komen, want dat gebeurt laat.
- Knip dan de oude stengels tot vlak boven de grond af.
- Knijp in mei–juni de toppen van de nieuwe scheuten uit voor een compactere plant.
Let op: Hij maakt ondergrondse uitlopers en kan in vochtige grond flink oprukken; steek uitlopers die te ver gaan af. Hij is niet helemaal winterhard, dus bescherm de wortels in de winter.
Vermeerderen
- Zachte stekken
- In augustus–september stekken van 8–10 cm van niet-bloeiende toppen nemen, onderste bladeren weg, in vochtige stekgrond. Overwinter ze vorstvrij en licht.
- Delen
- In april–mei, als de nieuwe scheuten verschijnen, een stuk met wortels en scheuten afsteken en elders planten.
Hoe komt een moerassalie de winter door?
Winterhard tot −10 °C: beschermen in strenge winters.
- Niet helemaal winterhard: verdraagt ongeveer −10 °C. In milde winters op een beschutte plek overleeft hij, in strenge winters kan hij doodvriezen.
- Laat de stengels in de winter staan en dek de grond in november af met een dikke laag (10–15 cm) blad, compost of stro.
- Neem in augustus–september stekken en overwinter ze vorstvrij en licht, als reserve als de moederplant sterft.
- In een pot: zet de pot in de winter binnen op een koele, lichte plek zonder vorst en geef weinig water.
Ziektes en plagen
- Vorstschade: Geen scheuten in het voorjaar. Wacht tot juni voor je hem opgeeft, want hij loopt laat uit; mulch in de herfst voorkomt veel schade.
- Droogte: Slap, hangend blad. Geef ruim water en leg een laag mulch.
- Omvallende stengels: Ranke stengels buigen bij wind en regen. Plant tussen andere planten, knijp de toppen uit en geef steun.
- Slakken: Jonge scheuten worden in het voorjaar aangevreten. Raap slakken ’s avonds op of leg een barrière van grof zand.
- Bladluis: Op jonge scheuten en bloemknoppen. Meestal ruimen lieveheersbeestjes ze op; anders afspuiten met water.
Het jaar rond
- Maart: Nog niet snoeien. Winterbescherming laten liggen.
- April: Nieuwe scheuten verschijnen. Winterbedekking wegnemen. Oude stengels afknippen.
- Mei: Planten na de laatste vorst. Toppen uitknijpen.
- Juni: Planten. Water geven. Steun plaatsen.
- Juli: Water geven bij droogte.
- Augustus: Start van de bloei. Stekken nemen.
- September: Volle bloei. Stekken nemen voor de winter.
- Oktober: Bloei tot de eerste vorst.
- November: Dik afdekken met blad of stro. Stekken vorstvrij zetten.
Gebruiken
Goed voor dieren
- Bijen
- Nectar en stuifmeel voor honingbijen en wilde bijen.
- Vlinders
- Nectar voor dagvlinders.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De soortnaam uliginosa komt van het Latijnse uliginosus, ‘van moerassige plaatsen’, wat past bij zijn voorliefde voor vochtige grond.
- Hij groeit van nature in de natte graslanden van Brazilië, Uruguay en Argentinië.
- Hij bloeit tot de eerste vorst, vaak tot in oktober, en is daarmee een van de laatste salies in de tuin.