Foto: Paul Hermans, CC BY-SA 3.0 · bron
Kamerplant · Malvaceae
Kamerlinde
Sparrmannia africana
In andere talen: Tilleul d’appartement (Français) · African hemp (English)
De kamerlinde komt uit Zuid-Afrika, waar hij als struik langs bosranden en op beschutte hellingen groeit. Als kamerplant is hij geliefd om zijn snelle groei en zijn grote, zachte, hartvormige bladeren met een licht behaarde, fluweelzachte glans. Van februari tot mei draagt hij losse trossen witte bloemen met een hart van gele en paarsrode meeldraden. Binnen kan hij in een paar jaar 1,5–2 m hoog worden en hij is makkelijk te verzorgen, als hij ’s winters maar koel mag staan. Vroeger hoorde hij bij de lindefamilie, vandaar de naam; nu staat hij bij de kaasjeskruidfamilie (Malvaceae).
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Normaal tot nat
mag niet uitdrogen
Grond
Potgrond
Winterhard
Kamerplant
min. 5 °C
Grootte
2 m
hoog, 1,5 m breed
Bloei
februari–mei
| Snoeimaanden | mei |
|---|---|
| Hoogte | 2 m |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
| Bloei | februari–mei |
Herkennen
Hoe herken je een kamerlinde?
- Groeivorm
- Snelgroeiende, opgaande struik met zachte, later houtige stengels; binnen 1,5–2 m hoog en tot 1,5 m breed.
- Blad
- Groot, 10–25 cm, hartvormig met enkele lobben en een getande rand; zachtgroen en fluweelzacht behaard.
- Bloem
- Losse schermvormige trossen met witte bloemen, in het hart gele en paarsrode meeldraden. Van februari tot mei.
- Meeldraden
- Bewegen naar buiten als je ze voorzichtig aanraakt: een leuk detail om kinderen te laten zien.
- Wortels
- Vezelig en krachtig: de pot is in het voorjaar snel doorworteld, dus regelmatig verpotten.
Bloei: februari–mei · Planten: maart–april · Snoeien: mei
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Groeit snel: in een paar jaar een ruime, weelderige kamerplant van 1,5–2 m.
- De grote, zachte bladeren geven een frisse, bijna tropische sfeer in huis.
- Bloeit in de winter en het vroege voorjaar (februari–mei), als er buiten nog bijna niets bloeit.
- Makkelijk te verzorgen en gemakkelijk te vermeerderen met stekken.
- Ideaal voor een koele, lichte plek zoals een trappenhal, een onverwarmde serre of een veranda.
Waar staat een kamerlinde graag?
- Licht, met een paar uur zon; temper de felle middagzon in de zomer met een vitrage.
- Zomer: 18–25 °C. Winter: liefst koel en licht, 5–10 °C, bijvoorbeeld in een onverwarmde serre of trappenhal.
- Losse, humusrijke potgrond met wat zand of perliet voor de afwatering; zwak zuur tot neutraal.
- Gelijkmatig vochtig, in de zomer vaak water, maar nooit met natte voeten.
- Geef hem ruimte van 50–80 cm rondom en vermijd tocht en een plek vlak boven de verwarming.
- Licht
- Zonnig of licht, zonder felle zon
- Potgrond
- Gewone potgrond of luchtige, humusrijke potgrond
- Zuurtegraad
- Zuur of neutraal
- Water geven
- Gewoon of veel
- Grootte
- 2 m hoog, 1,5 m breed
- Temperatuur
- Minimum 5 °C
Mooi samen met
- Clivia: Houdt ook van een koele, lichte winter en bloeit in dezelfde periode.
- Vingerplant (Fatsia): Groot blad en verdraagt dezelfde koele winterstand.
- Cyclaam: Bloeit in de koele winterruimte en past mooi bij de witte bloemen.
- Klimop: Groenblijvend en tevreden met een koele, lichte plek.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een kamerlinde?
Planten in maart–april.
- Verpot in maart–april, net voor de nieuwe groei begint; jonge planten elk jaar.
- Kies een pot die 3–5 cm ruimer is dan de oude, met een gat in de bodem.
- Leg een laagje kleikorrels onderin en vul aan met losse potgrond, gemengd met een vijfde perliet of zand.
- Zet de plant even diep als eerst en druk de grond licht aan.
- Geef water tot het uit het gat loopt en laat het overtollige water na een kwartier uit het bord weglopen.
- Zet de plant op een lichte plek en begin pas na 4–6 weken weer met bemesten.
Verzorgen
- Water
- In de zomer ruim water zodra de bovenste 2 cm droog zijn: het grote blad verdampt veel en hangt snel slap. In de koele winter slechts even vochtig houden.
- Bemesten
- Van maart tot september om de twee weken vloeibare kamerplantenmest in het gietwater. In de winter niet.
- Luchtvochtigheid
- Verdraagt gewone kamerlucht. Af en toe besproeien met kalkarm water houdt het blad fris en spint op afstand.
- Blad schoonmaken
- Veeg het grote blad af en toe af met een vochtige doek, zodat er meer licht doorkomt.
- Buiten zetten
- Vanaf half mei, als er geen nachtvorst meer komt, op een lichte, beschutte plek buiten, uit de felle middagzon.
- Verpotten
- Jonge planten elk jaar, oudere om de twee jaar; anders de bovenste laag potgrond vernieuwen.
Tip: Draai de pot regelmatig een kwartslag, zodat hij gelijkmatig groeit en niet scheef naar het licht trekt. Neem in de zomer een paar stekken, zodat je altijd een jonge reserveplant hebt.
Wanneer snoei je een kamerlinde?
Snoeimaanden: mei.
Wanneer: Direct na de bloei, in mei. Zo blijft de plant compact en vol.
Hoe:
- Kort de stengels in tot 30–50 cm boven de pot, net boven een bladknoop.
- Haal dode, kale of te lange stengels helemaal aan de voet weg.
- Kort ook zijscheuten in: zo vertakt de plant en krijg je een dichte vorm.
- Gebruik een scherp, schoon mes of een schaar; de snoeiresten zijn bruikbaar als stek.
Let op: Snoei niet voor of tijdens de bloei: dan verlies je de bloemen van dit seizoen.
Vermeerderen
- Kopstekken
- In april–juli: stekken van 10–15 cm van niet-bloeiende scheuten, onderste bladeren weg, in vochtige stekgrond bij 20–25 °C onder een doorzichtige zak. Na 3–5 weken wortelen ze.
- Zaaien
- In het voorjaar bij 20–22 °C op zaaigrond; dit duurt langer dan stekken en geeft minder voorspelbare planten.
Hoe komt een kamerlinde de winter door?
- Niet winterhard: het minimum is 5 °C. Hij staat het liefst koel en licht bij 5–10 °C; dat helpt de bloei in het voorjaar.
- Geef weinig water: de grond mag even droog worden. Vanaf februari, als de knoppen komen, weer wat meer water en iets warmer.
- Op een warme plek in de winter laat hij bladeren vallen en krijgt hij last van spint en witte vlieg; kies liever een koelere, lichte plek.
- Haal hem in oktober voor de eerste nachtvorst weer binnen.
Ziektes en plagen
- Bladval: Gele bladeren die afvallen komen door een te warme winterplek, te weinig licht of wisselende watergeving. Zet hem koeler en lichter en geef regelmatig water.
- Slap blad: Meestal droogte in de zomer: geef ruim water en laat de pot goed doorlopen. Bij natte grond juist te veel water: laat opdrogen.
- Spint: Fijn spinrag en lichte stipjes op het blad bij droge, warme lucht. Spoel de plant af met lauw water, verhoog de luchtvochtigheid en herhaal na een week.
- Witte vlieg en luis: Kleine witte vliegjes of luizen onder het blad. Afspoelen met water en gele vangplaten ophangen helpt.
Het jaar rond
- Januari: Koel en licht zetten (5–10 °C). Weinig water.
- Februari: De bloei begint. Iets meer water geven.
- Maart: Bloei. Verpotten indien nodig. Beginnen met bemesten.
- April: Volle bloei. Om de twee weken bemesten.
- Mei: Terugsnoeien na de bloei. Vanaf half mei beschut buiten zetten.
- Juni: Ruim water geven. Stekken nemen.
- Juli: Ruim water en bemesten.
- Augustus: Bemesten. Blad schoonmaken met een vochtige doek.
- September: Laatste keer bemesten. Controleren op luis en spint.
- Oktober: Voor de eerste nachtvorst binnen, koel en licht. Minder water.
- November: Koel en licht. Weinig water.
- December: Rust. Af en toe controleren op luis.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De meeldraden van de bloem bewegen naar buiten als je ze voorzichtig aanraakt, een zogenoemde aanraakreactie.
- De naam verwijst naar Anders Sparrman, een Zweedse natuuronderzoeker en leerling van Linnaeus, die planten verzamelde in Zuid-Afrika.
- In zijn thuisland wordt de plant een struik of kleine boom van enkele meters hoog.