
Foto: Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 · bron
Kruidachtige plant · Steenbreekfamilie (Saxifragaceae)
Paarbladig goudveil
Chrysosplenium oppositifolium
In andere talen: Dorine à feuilles opposées (Français) · Opposite-leaved golden-saxifrage (English)
Komt in België in het wild voor.
Paarbladig goudveil is een laag, kruipend plantje van bronnen, beekjes en natte, beschaduwde bossen. Het vormt dichte, frisgroene matten op plekken waar grondwater uit de bodem sijpelt, meestal op zure tot neutrale grond. In Vlaanderen is het vrij zeldzaam en vooral te vinden in bronbossen en beekvalleien in heuvelachtige streken, zoals de Vlaamse Ardennen en het Brabantse heuvelland; in de Ardennen is het algemener. Je herkent het aan de ronde, gekartelde blaadjes die in paren tegenover elkaar staan en aan de minuscule, goudgroene bloempjes zonder kroonblaadjes, die in het vroege voorjaar tussen geelgroene schutbladen oplichten. Het is een echte bronplant: waar het groeit, weet je dat er zuiver, sijpelend water is.
Let op: In Vlaanderen is paarbladig goudveil vrij zeldzaam en het groeit in kwetsbare bronbossen: pluk het niet, graaf het nooit uit en betreed de natte bronplekken niet. Koop planten alleen bij een kwekerij.
Licht
Halfschaduw of schaduw
verdraagt weinig zon
Vocht
Vochtig tot nat
mag niet uitdrogen
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
0,1 m
hoog, 0,3 m breed
Bloei
maart–mei
| Hoogte | 0,1 m |
|---|---|
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | maart–mei |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Lage, kruipende vaste plant van 5–15 cm, die met wortelende stengels dichte matten vormt.
- Blad
- Tegenoverstaand, rond tot breed eirond, 1–2 cm, met een gekartelde rand en een korte steel; frisgroen en bovenaan met verspreide haartjes.
- Bloem
- Minuscule bloempjes van 3–4 mm zonder kroonblaadjes, met vier geelgroene kelkblaadjes en acht meeldraden, in platte trosjes tussen geelgroene schutbladen; van maart tot mei.
- Vrucht/Zaad
- Een open, komvormige doosvrucht met kleine, glanzende zaadjes, die door regendruppels worden weggespat.
- Stengel
- Kruipend en op de knopen wortelend; de bloeistengels zijn kort en opstijgend.
- Verwarring met
- Verspreidbladig goudveil heeft verspreid staande, grotere, niervormige bladeren met lange stelen en feller gele schutbladen; het groeit vaker op kalkrijkere plekken. Bittere veldkers en witte waterkers, die op dezelfde plekken groeien, hebben geveerde bladeren en witte bloemen.
Bloei: maart–mei
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Bloeit al in maart–april, als er in het natte bos nog weinig bloeit: kleine vliegjes, muggen en kevertjes bezoeken de bloempjes.
- Een kenmerkende bronplant: het verraadt plekken waar zuiver grondwater uit de bodem sijpelt.
- Vormt een groene mat die bijna het hele jaar mooi blijft en natte, kale plekken bedekt.
- Een prachtige bodembedekker voor de natste, schaduwrijkste hoek van de tuin, waar bijna niets anders wil groeien.
- De vochtige matten bieden schuilplaats aan kleine diertjes zoals slakjes, pissebedden en jonge amfibieën.
- De goudgroene schutbladen geven in het vroege voorjaar een zachte gloed langs beekjes.
Waar staat een paarbladig goudveil graag?
- In het wild bij bronnen en kwelplekken, langs beekjes, in natte bronbossen en elzenbroekbossen, op natte rotsen en oevers.
- Schaduw tot halfschaduw, onder bomen en struiken.
- Altijd natte, humusrijke grond, liefst zuur tot neutraal en met wat stromend of sijpelend water.
- In de tuin aan een beschaduwde vijveroever, langs een beekje of bij een bronnetje, of op een plek waar regenwater van het dak de grond nat houdt.
Mooi samen met
- Bittere veldkers: Witte bloemen met paarse helmknoppen op dezelfde natte plekken, net na het goudveil.
- Dotterbloem: Grote, glanzend gele bloemen in maart–april aan de rand van het water.
- Wijfjesvaren: Fijne, frisgroene varen voor de natte schaduw erboven.
- Slanke sleutelbloem: Lichtgele bloemen in maart–april in het vochtige bos ernaast.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een paarbladig goudveil?
- Graaf nooit planten uit in het wild: het is in Vlaanderen vrij zeldzaam. Koop ze bij een kwekerij voor inheemse planten of vijverplanten.
- Plant in maart–april of in september–oktober, als de grond nat en koel is.
- Zet de plantjes 15–20 cm uit elkaar in natte grond, net boven de waterlijn of op een plek die altijd vochtig blijft.
- Druk ze goed aan, zodat de kruipende stengels contact maken met de natte grond; ze wortelen dan snel in.
- Houd de grond na het planten altijd nat en laat ze nooit uitdrogen, ook niet in de zomer.
- Haal in de herfst dikke lagen afgevallen blad weg, zodat de lage matten niet verstikken.
Verzorgen
- Water
- Altijd nat houden. Op een plek zonder bron of beekje geef je in droge periodes regenwater, liefst geen kalkrijk leidingwater.
- Bemesten
- Niet nodig; bemesting maakt de grassen en brandnetels rond de plant alleen sterker.
- Blad weghalen
- Haal in de late herfst dikke lagen afgevallen blad van de matten, met de hand.
- Concurrentie
- Trek hogere kruiden zoals brandnetels en grassen weg als ze de matten overgroeien.
- Rust
- Loop er niet over: de matten en de natte grond zijn kwetsbaar voor vertrappeling.
Tip: Leid het regenwater van een dakgoot naar een beschaduwde, ondiepe kuil met grind en humus: zo maak je een mini-bron waar paarbladig goudveil en bittere veldkers zich thuis voelen.
Snoeien en maaien
Wanneer: Niet nodig.
Hoe:
- Laat de matten ongemoeid: ze blijven vanzelf laag.
- Knip eventueel uitlopers terug die over een pad of een stapsteen groeien.
- Verwijder afgevallen blad met de hand en niet met een hark, om de matten te sparen.
Vermeerderen
- Scheuren
- In maart–april of september: snijd een stuk mat met wortels los en plant het meteen op een natte plek.
- Wortelende stengels
- De kruipende stengels wortelen op de knopen; een beworteld stukje groeit makkelijk aan.
- Zaad
- Zaai vers zaad in de zomer op natte, kale grond in de schaduw en houd het zaaibed constant nat.
Hoe komt een paarbladig goudveil de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- Blijft in zachte winters grotendeels groen; bij strenge vorst sterven de bovenste blaadjes wat af.
- Winterhard tot ongeveer −25 °C; sijpelend bronwater bevriest zelden.
- Al in februari–maart verschijnen de eerste geelgroene schutbladen.
Ziektes en plagen
- Uitdrogen: Bruine, verschrompelde matten in de zomer. Kies een plek die altijd nat blijft, of geef regenwater.
- Slakken: Ze grazen aan de jonge blaadjes. Meestal geen groot probleem; de mat groeit weer bij.
- Overgroeiing: Grassen, brandnetels of een dikke laag blad verstikken de lage matten. Wied rondom en haal het blad weg.
- Te veel zon: In de volle zon verbrandt en verdroogt het blad. Plant het in de schaduw van bomen of struiken.
Het jaar rond
- Februari: De eerste geelgroene schutbladen verschijnen.
- Maart: Begin van de bloei. Planten of scheuren.
- April: Volle bloei: goudgroene matten langs het water.
- Mei: Laatste bloei; de komvormige vruchtjes rijpen.
- Juni: Regendruppels spatten de zaadjes weg.
- Juli: Nat houden bij droogte.
- Augustus: Nat houden; overgroeiende kruiden wegtrekken.
- September: Planten of scheuren.
- November: Afgevallen blad van de matten halen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Chrysosplenium komt van het Griekse chrysos, goud, en splen, milt: de plant werd vroeger in verband gebracht met de milt.
- De zaadjes worden verspreid door regendruppels: een vallende druppel spat ze uit het open, komvormige vruchtje een eind weg.
- Het hoort bij de steenbreekfamilie, maar in tegenstelling tot de meeste steenbreken heeft het geen kroonblaadjes: de goudgroene kleur komt van de kelkblaadjes en de schutbladen.