Foto: Thomas Meyer, CC BY-SA 3.0 · bron
Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)
Dubbelkelk
Helminthotheca echioides
In andere talen: Picride fausse-vipérine (Français) · Bristly oxtongue (English)
Komt in België in het wild voor.
Dubbelkelk is een stevig, ruw behaard een- tot tweejarig kruid van 30–90 cm uit de composietenfamilie, met gele, paardenbloemachtige bloemhoofdjes van juni tot in oktober. In het wild groeit hij op zonnige, open plekken: bermen, dijken, ruigtes, braakliggende grond en akkerranden, vooral op kalkrijke klei en leem. In België is hij vrij algemeen in de kuststreek en de polders, en hij duikt steeds vaker op langs wegen in het binnenland. Je herkent hem meteen aan de bladeren vol stijve borstels, die elk uit een wit bultje komen, en aan de drie tot vijf brede, hartvormige blaadjes die als een tweede kelk rond elk hoofdje staan. Omdat hij lang en laat in het jaar bloeit, is hij een welkome bron van nectar en stuifmeel voor bijen en zweefvliegen.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -20 °C
Grootte
0,6 m
hoog, 0,4 m breed
Bloei
juni–oktober
| Snoeimaanden | oktober |
|---|---|
| Hoogte | 0,6 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | juni–oktober |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Rechtopgaand, wijd vertakt kruid van 30–90 cm, een- of tweejarig; in het eerste jaar vaak een platte bladrozet.
- Blad
- Langwerpig, golvend, met een onregelmatig getande rand; overal bezet met stijve borstels die uit witte bultjes komen, waardoor het blad wrattig en ruw aanvoelt. De stengelbladeren omvatten de stengel met een hartvormige voet.
- Bloem
- Gele hoofdjes van 2–2,5 cm met alleen lintbloemen, van juni tot oktober. Rond elk hoofdje staan 3–5 brede, hartvormige, bladachtige buitenste omwindselblaadjes: de ‘dubbele kelk’.
- Vrucht/Zaad
- Kleine, gebogen nootjes met een lange snavel en een wit, gevederd pluis: een pluizenbol zoals bij de paardenbloem.
- Stengel
- Stevig, gegroefd en ruw van de stekelige haren; bij breken komt er wit melksap uit.
- Verwarring met
- Echt bitterkruid heeft ook ruwe haren en gele hoofdjes, maar smalle omwindselblaadjes zonder brede ‘tweede kelk’ en bladeren zonder witte bultjes. Paardenbloemen en havikskruiden hebben geen stijve borstels op het blad.
Bloei: juni–oktober · Snoeien: oktober
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Bloeit van juni tot in oktober, als veel andere wilde bloemen al uitgebloeid zijn: een late bron van nectar en stuifmeel.
- Wilde bijen, hommels, zweefvliegen en vlinders bezoeken de gele hoofdjes.
- Het pluizige zaad is in de nazomer voedsel voor zaadeters zoals putters.
- Een stoere pionier voor een zonnige, ruige hoek, een kruidenrijke berm of een kalkrijke dijk.
- De borstelige, wrattige bladeren maken hem een leuke soort om kinderen te leren herkennen.
Waar staat een dubbelkelk graag?
- In het wild: bermen, dijken, ruigtes, braakliggende grond, bouwterreinen en akkerranden, vaak niet ver van de kust.
- Volle zon; in de schaduw kwijnt hij weg.
- Voedselrijke, kalkhoudende grond: klei, leem of zavel. Hij verdraagt zomerdroogte goed.
- In de tuin: in een ruige, zonnige hoek, een kruidenrijke berm of op een kale, omgewoelde plek waar hij zich jaar na jaar kan uitzaaien.
Mooi samen met
- Wilde peen: Witte schermen in dezelfde zonnige berm, ook geliefd bij zweefvliegen.
- Grote kaardebol: Hoge, stekelige structuur; de zaadbollen trekken in de winter putters.
- Cichorei: Hemelsblauwe bloemen op dezelfde kalkrijke, zonnige grond.
- Slangenkruid: Blauwe bloemaren voor hommels; dubbelkelk is ernaar genoemd.
- Knoopkruid: Paarse hoofdjes voor bijen en vlinders in een bloemrijke berm.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een dubbelkelk?
- Koop zaad van inheemse herkomst bij een kwekerij of zaadhandel voor wilde planten, eventueel in een mengsel voor bermen of ruigtes.
- Zaai in september–oktober of in maart–april op een open, onkruidvrije plek; strooi dun, druk het zaad aan en bedek het nauwelijks.
- Houd de grond vochtig tot de kieming en dun de zaailingen daarna uit tot 30–40 cm.
- Je kunt ook in potjes voorzaaien en de jonge rozetten in de herfst of het voorjaar uitplanten, zolang de penwortel nog klein is.
- Na de eerste keer zaait hij zich meestal zelf uit op kale grond.
- Graaf nooit planten uit in het wild of in natuurgebieden.
Verzorgen
- Water
- Niet nodig, behalve voor jonge zaailingen in een droog voorjaar.
- Bemesten
- Niet nodig. Op te rijke grond wordt hij groot en slap; schrale grond houdt hem stevig.
- Maaien
- In een berm of ruigte één keer maaien in oktober, na de zaadzetting, en het maaisel afvoeren.
- Woekeren
- Op open grond zaait hij zich flink uit. Steek overtollige rozetten in het voorjaar uit met een onkruidsteker, zolang de penwortel nog kort is.
- Zaad laten vallen
- Laat een paar planten afrijpen als je hem volgend jaar terug wilt; de pluizen waaien ook naar de buren.
Tip: Kijk eens van dichtbij naar een blad: elke stijve borstel staat op een wit bultje. Zo onderscheid je dubbelkelk meteen van alle andere gele composieten.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: oktober.
Wanneer: In oktober, na de zaadzetting; of eerder als je het uitzaaien wilt beperken.
Hoe:
- Knip of maai de uitgebloeide planten af als het meeste zaad verspreid is.
- Wil je minder zaailingen, knip de pluizenbollen dan weg voor ze openspringen.
- Laat een paar stengels staan tot het voorjaar: insecten kruipen erin en vogels pikken het laatste zaad.
- Draag handschoenen: de stijve borstels prikken.
Vermeerderen
- Zaad
- Rijpt vanaf augustus. Zaai het in de herfst of het voorjaar meteen ter plaatse; hij zaait zich ook vanzelf uit.
Hoe komt een dubbelkelk de winter door?
Winterhard tot −20 °C.
- Planten die in de zomer of herfst kiemen, overwinteren als platte, borstelige rozet en bloeien het volgende jaar.
- Bloeiende planten sterven na de zaadzetting af; de droge stengels blijven staan.
- De rozetten zijn winterhard tot ongeveer −20 °C en doorstaan een gewone Belgische winter zonder probleem.
- Laat dode stengels staan als schuilplaats voor overwinterende insecten.
Ziektes en plagen
- Uitzaaien: Op kale, rijke grond kan hij zich sterk uitzaaien. Knip een deel van de pluizenbollen weg en wied jonge rozetten.
- Bladluis: In de zomer soms op de stengeltoppen. Lieveheersbeestjes en larven van zweefvliegen ruimen ze meestal op.
- Te weinig licht: In de schaduw of tussen hoog gras blijft hij klein en bloeit hij weinig. Geef hem een open, zonnige plek.
- Prikkende haren: De stijve borstels zijn onaangenaam bij het wieden. Draag stevige handschoenen.
Het jaar rond
- Maart: Zaaien op een open, zonnige plek kan nog. Rozetten van vorig jaar beginnen te groeien.
- April: Overtollige zaailingen uitsteken zolang ze klein zijn.
- Mei: De bloeistengels schieten omhoog.
- Juni: Eerste gele hoofdjes.
- Juli: Volle bloei; bijen en zweefvliegen bezoeken de bloemen.
- Augustus: Bloei en eerste pluizenbollen; putters komen zaad eten.
- September: Nog volop bloei. Zaaien voor bloei volgend jaar.
- Oktober: Laatste bloemen. Uitgebloeide planten maaien of een deel laten staan.
- December: Rozetten overwinteren; dode stengels bieden schuil aan insecten.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De Nederlandse naam slaat op de brede, hartvormige buitenste omwindselblaadjes, die als een tweede kelk rond het hoofdje staan.
- De soortnaam echioides betekent ‘lijkend op Echium’, het slangenkruid, door de ruwe, borstelige bladeren. Ook de Franse naam picride fausse-vipérine verwijst ernaar.
- Lange tijd heette hij Picris echioides en stond hij in hetzelfde geslacht als echt bitterkruid.