
Foto: Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 · bron
Kruidachtige plant · Bremraapfamilie (Orobanchaceae)
Hengel
Melampyrum pratense
In andere talen: Mélampyre des prés (Français) · Common cow-wheat (English)
Komt in België in het wild voor.
Hengel is een eenjarig kruid uit de bremraapfamilie met smalle, tegenoverstaande blaadjes en buisvormige, bleekgele tot witgele bloemen, steeds twee aan twee in de bladoksels en allemaal naar één kant gericht. Het is een halfparasiet: hij maakt zelf bladgroen, maar tapt met zijn wortels water en voedingsstoffen af van de wortels van bomen en struiken zoals eik, berk en beuk, en van blauwe bosbes. Je vindt hem in lichte, zure bossen, langs bospaden, in houtkanten en aan heideranden op zandige of lemige grond. In België is hij plaatselijk vrij algemeen in de Kempen en de Ardennen, maar elders zeldzaam. Hommels bezoeken de bloemen, mieren verspreiden de zaden en de plant is een waardplant van de zeldzame bosparelmoervlinder.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -30 °C
Grootte
0,3 m
hoog, 0,2 m breed
Bloei
mei–september
| Hoogte | 0,3 m |
|---|---|
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | mei–september |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Eenjarige, slanke plant van 10–40 cm met een vertakte stengel; de takken staan meestal paarsgewijs uit.
- Blad
- Tegenoverstaand, smal lancetvormig tot lijnvormig, 2–8 cm, gaafrandig en bijna zittend. De bovenste schutbladen hebben soms enkele tandjes aan de voet.
- Bloem
- Buisvormige, tweelippige bloemen van 10–18 mm, bleekgeel tot witgeel met een dieper gele onderlip; de mond is bijna gesloten. Twee aan twee in de bladoksels, alle naar één kant gericht. Van mei tot september.
- Vrucht/Zaad
- Een afgeplat doosje met 1–4 grote, langwerpige, witachtige zaden van 4–5 mm, die op tarwekorrels of mierenpoppen lijken.
- Wortels
- Een klein wortelstelsel met zuigorgaantjes, waarmee de plant zich vasthecht aan de wortels van zijn gastheren.
- Verwarring met
- Akkerhengel heeft een dichte aar met paarsrode schutbladen en groeit op kalkrijke akkers; hij is zeer zeldzaam. Grote en kleine ratelaar zijn ook halfparasieten met gele bloemen, maar ze groeien in graslanden en hebben een opgeblazen kelk. Hengel: lichte bossen, bleekgele bloemen in paren naar één kant.
Bloei: mei–september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Hommels met een lange tong halen nectar diep uit de bloembuis; kortere hommels bijten soms een gaatje in de buis om erbij te kunnen.
- Waardplant voor de rupsen van de bosparelmoervlinder, een zeldzame dagvlinder van open plekken in bossen.
- De zaden hebben een vetrijk aanhangsel en worden door mieren naar hun nest gesleept: zo verspreidt de plant zich.
- Een kenmerkende plant van oude, zure bossen en bosranden, die laat zien dat zo’n plek nog weinig bemest of verstoord is.
- Een boeiende plant om te observeren: hij leeft half op eigen kracht en half op de wortels van zijn buren.
Waar staat een hengel graag?
- In het wild in lichte eiken- en berkenbossen, beukenbossen, langs bospaden, in houtkanten, kapvlakten en aan heideranden met blauwe bosbes.
- Halfschaduw of lichte zon; in diepe schaduw en in volle, droge zon verdwijnt hij.
- Zure, voedselarme, humusrijke zand- of leemgrond, matig droog tot vochtig, met een strooisellaag.
- In de tuin kans alleen onder bestaande eiken, berken of bosbessen op zure, nooit bemeste grond, in een natuurlijke bosrand.
Mooi samen met
- Blauwe bosbes: Een geliefde gastheer, op dezelfde zure, humusrijke grond.
- Bochtige smele: Een fijn, zilvergroen gras van dezelfde zure bosranden.
- Struikheide: Voor de overgang van bosrand naar heide.
- Valse salie: Bloeit ook in de zomer in lichte, zure bosranden, en is goed voor bijen.
- Dalkruid: Een klein, wit voorjaarsbloeiertje van dezelfde zure bossen.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een hengel?
- Weet dat het lastig is: hengel is eenjarig, heeft een gastheer nodig en kiemt alleen uit vers zaad. Planten in een pot bestaan bijna niet.
- Zoek zaad bij een kwekerij of zaadhandel voor inheemse planten. Vind je het niet, verzamel dan nooit zaad in natuurgebieden.
- Zaai het zaad zo vers mogelijk, in de nazomer of de herfst, net onder het strooisel aan de voet van eik, berk of blauwe bosbes. Laat het zaad niet uitdrogen.
- Het zaad heeft een koude winter nodig en kiemt pas in de late winter of het vroege voorjaar.
- Laat het strooisel liggen, spit niet, bemest niet en geef geen water: de plant leeft van de grond zoals die is.
- Graaf nooit planten uit in het wild: ze zitten vast aan de wortels van hun gastheer en sterven bij het uitgraven.
Verzorgen
- Water
- Niet nodig. In een normale bosrand is er vocht genoeg.
- Bemesten
- Nooit. Mest en kalk verdringen hengel en laten gras en braam de plek overnemen.
- Strooisel
- Laat bladeren en naalden liggen: daarin kiemt het zaad en overwintert het.
- Gastheer
- Spaar de bomen, struiken en bosbessen in de buurt: zonder hun wortels kwijnt hengel weg.
- Zaad laten vallen
- Laat alle planten afsterven en zaad zetten: als eenjarige leeft hij alleen voort via zaad, en dat zaad leeft maar kort.
Tip: Probeer hengel alleen als je al zure grond met eik, berk of bosbes hebt, en zaai het zaad meteen vers in de strooisellaag: gedroogd zaad kiemt bijna niet.
Snoeien en maaien
Wanneer: Snoeien of maaien is niet nodig: hengel is eenjarig en verdwijnt vanzelf in de herfst.
Hoe:
- Laat de planten na de bloei staan tot ze hun zaad hebben laten vallen.
- Ruim de afgestorven plantjes niet op: ze vergaan vanzelf in het strooisel.
- Houd een bosrand open door hier en daar een braam of opslag weg te knippen, zodat er genoeg licht blijft.
Let op: Rijd of loop niet over de groeiplaats in het voorjaar: de kiemplantjes zijn piepklein en kwetsbaar.
Vermeerderen
- Zaad
- Vers zaad uit de rijpe doosjes in juli–september meteen zaaien onder het strooisel bij een gastheer. Gedroogd of oud zaad kiemt bijna niet.
- Mieren
- In een geschikte bosrand verspreiden mieren het zaad vanzelf over korte afstanden.
Hoe komt een hengel de winter door?
Winterhard tot −30 °C.
- Hengel is eenjarig: de planten sterven in de herfst af.
- Het zaad overwintert in het vochtige strooisel en kiemt in de late winter of het vroege voorjaar.
- Het zaad overleeft de vorst goed, maar niet uitdrogen: daarom is een strooisellaag zo belangrijk.
Ziektes en plagen
- Kiemt niet: Meestal omdat het zaad uitgedroogd of te oud was, of omdat er geen gastheer in de buurt is. Zaai vers zaad, dicht bij eik, berk of bosbes.
- Verdwijnt: Door te veel schaduw, bemesting, betreding of het wegharken van strooisel. Houd de plek licht, schraal en ongestoord.
- Gaatjes in de bloemen: Kortere hommels bijten de bloembuis open om nectar te stelen. Dat is normaal en schaadt de plant niet.
- Overgroeid: Braam, adelaarsvaren of gras kunnen hem verdringen. Knip ze in een kleine bosrand af en toe terug.
Het jaar rond
- Februari: Het zaad kiemt onder het strooisel.
- Maart: Kleine kiemplantjes; niet betreden.
- Mei: Eerste bleekgele bloemen.
- Juni: Bloei. Hommels op de bloemen.
- Juli: Bloei. Eerste rijpe doosjes; mieren slepen zaad weg.
- Augustus: Bloei en zaad. Vers zaad meteen zaaien.
- September: Laatste bloemen. Zaaien onder het strooisel.
- Oktober: De planten sterven af; strooisel laten liggen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De naam Melampyrum komt van het Griekse melas, ‘zwart’, en pyros, ‘tarwe’: zaden van akkerhengel tussen het graan maakten het brood donker.
- De zaden lijken in vorm, grootte en kleur op mierenpoppen. Mieren slepen ze naar hun nest, eten het vetrijke aanhangsel en laten het zaad zelf liggen.
- Ook de Engelse naam cow-wheat verwijst naar de zaden, die op tarwekorrels lijken.