Parnassia (Parnassia palustris)

Foto: Bernd Haynold, CC BY-SA 3.0 · bron

Kruidachtige plant · Kardinaalsmutsfamilie (Celastraceae)

Parnassia

Parnassia palustris

In andere talen: Parnassie des marais (Français) · Grass-of-Parnassus (English)

Komt in België in het wild voor.

Parnassia is een sierlijke, overblijvende plant van natte, schrale en kalkrijke plekken, met één witte, open bloem bovenaan elke stengel. Hij groeit in natte duinvalleien, kalkmoerassen, natte schraallanden en op kwelplekken. In België is hij zeldzaam en sterk achteruitgegaan; in Vlaanderen groeit hij vooral nog in natte duinvalleien aan de kust. Je herkent hem aan de hartvormige bladeren in een rozet, het ene stengelomvattende blad halverwege de stengel en de glanzende, geelgroene knopjes in het hart van de bloem. Die valse nectarkliertjes lokken in de nazomer vliegen en zweefvliegen, en maken van parnassia een van de opvallendste bloemen van natte, schrale graslanden.

Let op: Parnassia is in België zeldzaam en bedreigd. Pluk de bloemen niet, graaf nooit planten uit en betreed zijn groeiplaatsen niet: koop planten of zaad alleen bij een kwekerij.

  • Licht

    Volle zon

    warm en licht

  • Vocht

    Vochtig tot nat

    mag niet uitdrogen

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -30 °C

  • Grootte

    0,25 m

    hoog, 0,15 m breed

  • Bloei

    juli–september

Feiten op een rij
Snoeimaandenoktober
Hoogte0,25 m
Inheems in BelgiëJa
Bloeijuli–september

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Overblijvende, kale plant van 10–30 cm, met een bladrozet aan de voet en een of enkele onvertakte bloeistengels.
Blad
Rozetbladeren langgesteeld, hartvormig, gaafrandig en kaal, met een bladschijf van 1–4 cm. Halverwege de stengel zit één ongesteeld, hartvormig blad dat de stengel omvat.
Bloem
Eén witte bloem van 1,5–3 cm per stengel, met vijf ronde kroonbladen met doorschijnende, groenige nerven. Tussen de vijf meeldraden staan vijf schubben met een kam van draadjes die eindigen in glanzende, geelgroene knopjes. Van juli tot september.
Vrucht/Zaad
Een eivormige doosvrucht die met vier kleppen openspringt, met talrijke kleine, lichte zaadjes die met de wind verspreid worden.
Wortels
Een korte wortelstok met vezelige wortels; de plant vormt geen uitlopers en blijft een losse rozet.
Verwarring met
In bloei is hij nauwelijks te verwarren: geen andere witte bloem heeft die franjeschubben met glanzende knopjes. Zonder bloemen lijkt de bladrozet op die van een viooltje, maar viooltjes hebben gekartelde bladranden en geen stengelomvattend blad.

Bloei: juli–september · Snoeien: oktober

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Een late bloeier: van juli tot in september, als er in natte graslanden en duinvalleien nog maar weinig bloeit.
  • Vliegen, zweefvliegen, kleine bijen en kevers bezoeken de bloemen; de glanzende, valse nectarkliertjes lokken ze, terwijl de echte nectar verscholen zit aan de voet van de schubben.
  • Een kenmerkende soort van natte, schrale, kalkrijke plekken: waar parnassia groeit, is het water schoon en de bodem onbemest.
  • Voor een natte natuurtuin of een schrale vijveroever met kalkrijk zand is het een prachtige, maar veeleisende bloem voor de nazomer.
  • Een plant met een bijzondere bouw: de meeldraden rijpen een voor een en buigen om de beurt over de stamper.

Waar staat een parnassia graag?

  • In het wild: natte duinvalleien, kalkmoerassen, natte schraallanden, blauwgraslanden en kwelplekken aan de voet van hellingen.
  • Volle zon tot lichte halfschaduw, in een lage, open begroeiing; tussen hoog gras of riet verdwijnt hij.
  • Altijd vochtige tot natte, voedselarme grond, kalkrijk of basisch: zand of veen met kalkrijk grond- of kwelwater.
  • In de tuin: aan de ondiepe, schrale oever van een vijver, in een moerasbak met schraal, kalkrijk zand, of in een natte, kort gehouden hoek van een bloemenweide.

Mooi samen met

  • Geelhartje: Klein, fijn plantje met witte bloempjes, typisch voor dezelfde natte duinvalleien en kalkrijke graslanden.
  • Blauwe knoop: Blauwe bolletjes in augustus–september, in hetzelfde schrale, natte grasland.
  • Moeraswespenorchis: Een orchidee van natte duinvalleien die in juli bloeit; alleen als kwekerijplant.
  • Echte koekoeksbloem: Roze bloemen in mei–juni, voor parnassia begint te bloeien.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een parnassia?

  1. Koop planten of zaad bij een kwekerij voor inheemse planten; parnassia is in de tuin niet makkelijk, dus begin met een paar planten op een goed gekozen plek.
  2. Zaai in september–november: strooi het zeer fijne zaad op een vochtig mengsel van schraal zand en wat leem, zonder het af te dekken, en laat de pot de hele winter buiten staan. Het zaad heeft een koude periode nodig om te kiemen.
  3. Plant in april–mei of in september op een zonnige, altijd vochtige plek, 15–20 cm uit elkaar, in schrale, kalkrijke grond; meng op zure grond wat kalkrijk zand of gemalen schelpen door.
  4. Giet aan na het planten en zorg dat de grond nooit uitdroogt, ook niet in de zomer.
  5. Geef geen mest, compost of potgrond: op voedselrijke grond wordt hij overwoekerd.
  6. Graaf of pluk nooit parnassia in het wild: de plant is zeldzaam en bedreigd, en zijn groeiplaatsen zijn kwetsbaar.

Verzorgen

Water
De grond moet altijd vochtig tot nat blijven. Geef in droge zomers geregeld water; uitdrogen is fataal.
Bemesten
Nooit. Voedselrijke grond of voedselrijk water laat grassen, riet en algen woekeren, en dan verdwijnt parnassia.
Maaien
Maai de plek één keer per jaar, in oktober, als de zaden verspreid zijn, en voer het maaisel af. Zo blijft de begroeiing laag en open.
Concurrentie
Trek opschietende wilgen, riet, pitrus en forse grassen tijdig uit: parnassia heeft licht tot op de grond nodig.
Zaad laten vallen
Laat de doosvruchten op de plant openspringen: zo ontstaan rond de moederplant nieuwe zaailingen, op plekjes met wat kale, vochtige grond.

Tip: Leg een moerasbak aan met schraal zand en wat kalkrijk materiaal, zonder potgrond, en houd het water op peil: zo boots je een natte duinvallei na, en daar voelt parnassia zich thuis.

Snoeien en maaien

Snoeimaanden: oktober.

Wanneer: Niet snoeien, alleen maaien: één keer per jaar in oktober, na de zaadzetting.

Hoe:

  • Laat de uitgebloeide stengels staan tot de doosvruchten bruin zijn en openspringen.
  • Maai in oktober kort en voer het maaisel af, zodat de grond schraal blijft.
  • Laat in een grotere tuin een strook ongemaaid tot het voorjaar, als schuilplaats voor overwinterende insecten.
  • Krab af en toe een plekje kale grond open, zodat de zaadjes kunnen kiemen.

Let op: Maai niet van juli tot september: dan bloeit hij en rijpt het zaad.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Zaad
Zaai vers zaad in september–november buiten in een pot met vochtig, schraal en kalkrijk zand, zonder af te dekken. Na een koude winter kiemt het in het voorjaar; de zaailingen groeien traag en bloeien meestal niet in het eerste jaar.
Delen
Een plant met meerdere rozetten kun je in april voorzichtig delen, met een flinke kluit grond. Het lukt niet altijd, want de plant houdt niet van verstoring.

Hoe komt een parnassia de winter door?

Winterhard tot −30 °C.

  • In de herfst sterven de bladeren af; de plant overwintert met een knop vlak bij de grond.
  • Zeer winterhard: hij groeit tot ver in het noorden van Europa en hoog in de bergen.
  • Een kort gemaaide, open plek laat in het voorjaar het licht snel tot op de grond, zodat de nieuwe rozetten goed kunnen uitlopen.

Ziektes en plagen

  • Uitdrogen: In een droge zomer verdwijnt hij snel. Kies een plek die altijd nat blijft, zoals een vijveroever of een moerasbak.
  • Overwoekering: Hoge grassen, riet, pitrus en wilgenopslag nemen hem het licht af. Maai jaarlijks en trek opslag tijdig uit.
  • Slakken: Ze vreten aan de jonge bladeren en bloemknoppen. Op een natte plek met kikkers, padden en loopkevers blijft het meestal beperkt.
  • Te voedselrijk: Mest, compost of voedselrijk water laten algen en sterke planten groeien. Houd grond en water schraal en gebruik geen potgrond.

Het jaar rond

  • Maart: Een paar plekjes kale grond openkrabben voor zaailingen.
  • April: Nieuwe bladrozetten. Planten of voorzichtig delen.
  • Mei: Planten. De grond goed nat houden.
  • Juni: De bloeistengels groeien. Water geven bij droogte.
  • Juli: Eerste bloemen. Niet maaien.
  • Augustus: Volle bloei. Vliegen en zweefvliegen bezoeken de bloemen.
  • September: Laatste bloemen; de zaden rijpen. Planten of zaaien in potten.
  • Oktober: Maaien en het maaisel afvoeren.
  • November: Zaaien in potten en buiten laten overwinteren.
  • December: Rust. De plant overwintert met een knop.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • De naam verwijst naar de berg Parnassus in Griekenland: de Griekse arts Dioscorides beschreef een ‘gras van de Parnassus’, en die naam is aan deze plant blijven hangen.
  • De glanzende knopjes op de franjeschubben lijken druppels nectar, maar geven niets: ze lokken vliegen. De echte nectar zit aan de voet van de schubben.
  • Vroeger rekende men parnassia tot de steenbreekfamilie. DNA-onderzoek toonde aan dat hij verwant is aan de kardinaalsmuts, en nu staat hij in de kardinaalsmutsfamilie.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…