
Foto: Svetlana Ivanova, CC BY 3.0 · bron
Boom · Dennenfamilie (Pinaceae)
Siberische spar
Picea obovata
In andere talen: Épicéa de Sibérie (Français) · Siberian spruce (English)
Komt in het wild voor in Europa, maar niet in België.
De Siberische spar is een slanke, kegelvormige naaldboom uit de taiga, het eindeloze naaldwoud van het hoge noorden. Het wilde areaal loopt van het noordoosten van Europa, waar hij in Finland en Noord-Scandinavië overgaat in de fijnspar, over de Oeral tot diep in Siberië en Mongolië. Hij is nauw verwant aan onze bekende kerstboom, de fijnspar, en wordt soms zelfs als een ondersoort ervan beschouwd. Je herkent hem aan de kleine kegels van 5–8 cm met afgeronde, gladde schubben en aan de fijn behaarde jonge twijgen. In België staat hij alleen aangeplant, vooral in arboreta en verzamelingen; in een grote tuin is het een robuuste, extreem winterharde boom met een mooi, smal silhouet.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Normaal tot nat
mag niet uitdrogen
Winterhard
Volledig winterhard
tot -45 °C
Grootte
25 m
hoog, 7 m breed
Bloei
mei–juni
| Snoeimaanden | augustus–september |
|---|---|
| Hoogte | 25 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Bloei | mei–juni |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Rechte, slanke boom met een smalle, spitse kroon; in het wild 20–35 m hoog, bij ons meestal minder. De takken staan horizontaal tot licht hangend. De schors is grijsbruin en schilfert later in dunne plaatjes af.
- Naalden
- Vierkantig, stijf en kort, 1–2 cm, dof donkergroen tot grijsgroen. Ze staan rondom de twijg op kleine houtige pootjes, die na het afvallen een ruwe twijg achterlaten.
- Kegels
- Hangend, eivormig tot kort cilindrisch, 5–8 cm lang. Jong groen of purperrood, in de herfst van hetzelfde jaar rijp en bruin. De schubben zijn breed afgerond met een gladde, gave rand.
- Twijgen
- Jonge twijgen zijn geelbruin tot roodbruin en dicht, fijn behaard; de knoppen zijn klein en eivormig.
- Wortels
- Een ondiep, vlak wortelstelsel: daardoor gevoelig voor droogte en op natte grond voor omwaaien.
- Verwarring met
- Fijnspar: langere kegels van 10–15 cm met spitse of golvend getande schubtoppen en meestal kale of weinig behaarde twijgen. Waar beide samen groeien, zijn er veel tussenvormen. Omorikaspar: platte naalden met twee witte strepen aan de onderkant en een zeer smalle kroon.
Bloei: mei–juni · Snoeien: augustus–september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een van de meest winterharde bomen ter wereld: hij groeit tot aan de noordelijke boomgrens in Siberië, waar het in de winter kouder dan −40 °C wordt.
- Een dichte, groenblijvende kroon die vogels het hele jaar dekking, slaapplaatsen en nestplaatsen geeft; goudhaantjes en mezen zoeken tussen de naalden naar insecten.
- De zaden in de kegels zijn voedsel voor kruisbekken, sijzen en de grote bonte specht, die de kegels in een spleet klemt en openhakt.
- Een smalle, regelmatige kegelvorm die ook in de winter structuur geeft aan een grote tuin of een park.
- Boeiend voor bomenliefhebbers: naast een fijnspar zie je meteen de verschillen in kegels en twijgen tussen twee nauw verwante soorten.
Waar staat een Siberische spar graag?
- In het wild: uitgestrekte naaldbossen van de taiga, vaak op vochtige grond langs rivieren en in dalen, samen met berk, lork, den en zilverspar.
- Zon tot halfschaduw; jonge bomen verdragen vrij veel schaduw.
- Koele, vochthoudende, liefst wat zure grond: zand, leem of venige grond. Hete, droge zomers en droge kalkgrond verdraagt hij slecht.
- In de tuin: alleen voor een grote tuin of park, als solitair of in een groep, op minstens 6–8 m van huizen en andere grote bomen.
Mooi samen met
- Ruwe berk: Een lichte, witte stam naast het donkere groen, net zoals in de taiga.
- Europese lork: Een naaldboom die in de herfst goudgeel kleurt en in de winter kaal staat.
- Wilde lijsterbes: Witte bloemen in mei en rode bessen voor vogels aan de rand van de kroon.
- Blauwe bosbes: Een lage onderbegroeiing op zure, humusrijke grond.
- Stekelvaren: Een groene onderbeplanting in de halfschaduw onder de takken.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een Siberische spar?
- Koop een jonge boom bij een gespecialiseerde boomkwekerij of een kwekerij voor bijzondere coniferen. Haal nooit zaailingen of jonge boompjes uit het wild.
- Plant in oktober–november of in maart–april, als de grond niet bevroren is. Kleine bomen van 60–100 cm slaan het best aan.
- Graaf een ruim maar ondiep plantgat, maak de bodem los en zet de kluit even diep als ze in de pot stond.
- Zet een korte paal schuin aan de windkant en bind de boom losjes vast; haal de paal na twee jaar weg.
- Geef meteen een flinke gieter water en leg een laag naaldstrooisel, schors of bladcompost rond de voet.
- Geef de eerste twee zomers water bij droogte: de ondiepe wortels drogen snel uit.
Verzorgen
- Water
- De eerste twee jaar wekelijks bij droogte, flink in één keer. Daarna alleen in lange, hete droogteperiodes.
- Bemesten
- Niet nodig. Laat afgevallen naalden liggen: ze vormen een natuurlijke strooisellaag die de grond licht zuur houdt.
- Mulchen
- Een laag houtsnippers of naaldstrooisel houdt de wortels koel en vochtig in de zomer.
- Onderste takken
- Laat ze staan: de boom is het mooist als hij tot op de grond vertakt is, en vogels schuilen er graag in.
- Late vorst
- In ons zachte klimaat kan hij vroeg uitlopen. Plant hem niet in een laagte waar koude lucht blijft hangen; bij jonge bomen kun je de scheuten bij nachtvorst afdekken met vlies.
Tip: Plant de Siberische spar op een open, iets hoger gelegen plek in plaats van in een koude laagte: daar heeft hij veel minder last van late nachtvorst op de jonge scheuten.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: augustus–september.
Wanneer: Zelden nodig. Dode of beschadigde takken haal je weg in augustus–september.
Hoe:
- Zaag dode, gebroken of zieke takken weg vlak bij de stam, net buiten de verdikte takkraag.
- Heeft een jonge boom twee toppen, houd dan de sterkste en knip de andere weg.
- Knip nooit terug tot in het kale hout zonder naalden: daar loopt een spar niet meer uit.
- Haal onderste takken alleen weg als het echt moet, bijvoorbeeld voor een pad.
Let op: Top een spar nooit in: hij krijgt dan meerdere toppen en verliest voorgoed zijn mooie kegelvorm.
Vermeerderen
- Zaad
- Pluk kegels in september–oktober, laat ze op een warme, droge plek openspringen en bewaar de zaden koel en droog. Zaai in maart–april in een zaaibak; een paar weken koud en vochtig in de koelkast (stratificeren) verbetert de kieming. Bescherm de zaailingen tegen felle zon.
- Enten
- Bijzondere vormen worden door kwekers geënt op een onderstam van fijnspar. Dat is werk voor de specialist.
Hoe komt een Siberische spar de winter door?
Winterhard tot −45 °C.
- Groenblijvend en extreem winterhard: een Belgische winter is voor hem een zachte winter.
- De kegels hangen nog lang aan de boom en geven zaad aan kruisbekken, sijzen en spechten.
- De dichte kroon is een beschutte slaapplaats voor kleine vogels in koude nachten.
- Na een zachte winter kan hij te vroeg uitlopen; late nachtvorst bevriest dan de jonge scheuten, maar de boom herstelt meestal.
Ziektes en plagen
- Sitkaluis: Een klein groen bladluisje dat in de winter en het voorjaar op oudere naalden zuigt; die worden geel en vallen af, vooral na een zachte winter. Meestal herstelt de boom vanzelf, en mezen eten de luizen.
- Spint: Kleine mijten maken de naalden in hete, droge zomers grauw en dof. Water geven en een niet te hete, luchtige plek helpen.
- Letterzetter: Deze schorskever valt vooral verzwakte sparren aan na droge zomers. Een gezonde boom op een koele plek is de beste bescherming; sterk aangetaste bomen tijdig weghalen.
- Droogte: Bruine naalden en dode takken na een hete zomer. Mulchen en water geven helpen; op droge zandgrond is hij geen goede keuze.
- Omwaaien: Door de ondiepe wortels kan hij op natte grond bij storm omwaaien. Vermijd plekken met stilstaand water.
Het jaar rond
- Januari: Rust. Bestand tegen elke Belgische winter.
- Maart: Planten mogelijk zolang de grond niet bevroren is.
- April: Planten. De knoppen zwellen; in een zachte lente loopt hij soms al vroeg uit.
- Mei: Bloei: gele mannelijke en groene tot purperrode vrouwelijke kegeltjes. Lichtgroene nieuwe scheuten.
- Juni: Einde bloei. Jonge bomen water geven bij droogte.
- Juli: Water geven bij hitte en droogte. Letten op spint.
- Augustus: Dode of gebroken takken wegzagen.
- September: Kegels rijpen. Laatste maand voor snoeiwerk.
- Oktober: Kegels plukken voor zaad. Goede plantmaand.
- November: Planten. Kruisbekken en sijzen zoeken zaad in de kroon.
- December: Groenblijvend silhouet; vogels schuilen in de dichte kroon.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De naam obovata betekent ‘omgekeerd eirond’ en slaat op de kegelschubben, die bovenaan breed afgerond zijn.
- Waar de Siberische spar en de fijnspar elkaar ontmoeten, van Finland tot aan de Oeral, kruisen ze vrij en vormen ze een brede zone met tussenvormen.
- Hij groeit tot aan de noordelijke boomgrens, waar de zomer maar enkele weken duurt en de bodem diep bevriest.