
Foto: Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 · bron
Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)
Gele morgenster
Tragopogon pratensis
In andere talen: Salsifis des prés (Français) · Goat’s-beard (English)
Komt in België in het wild voor.
Gele morgenster is een tweejarige, soms enkele jaren levende composiet van bloemrijke graslanden, wegbermen, dijken en spoorwegtaluds. In België is ze vrij algemeen, vooral op leem-, klei- en kalkhoudende grond; op arme zandgrond is ze zeldzamer. Je herkent haar aan de lange, smalle, grasachtige bladeren die met een brede voet de stengel omvatten, en aan de grote, gele bloemhoofdjes, die alleen ’s ochtends open zijn en rond de middag weer dichtgaan. Na de bloei verschijnt een enorme, zilverwitte pluizenbol, veel groter dan die van een paardenbloem. Alle delen bevatten wit melksap. De bloemen trekken bijen en zweefvliegen aan, en vroeger werden de wortel en de jonge stengels als groente gegeten.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -30 °C
Grootte
0,6 m
hoog, 0,2 m breed
Bloei
mei–juli
| Snoeimaanden | juli en september |
|---|---|
| Hoogte | 0,6 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | mei–juli |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Tweejarige, soms kortlevend overblijvende plant van 30–70 cm, met één of enkele weinig vertakte stengels. Het eerste jaar vormt ze alleen een grasachtige bladrozet.
- Blad
- Lang en smal, grasachtig, blauwgroen, met evenwijdige nerven; de brede voet omvat de stengel. De top is vaak omgekruld of gedraaid.
- Bloem
- Gele hoofdjes van 2,5–4 cm met alleen lintbloemen, alleen aan de top van een lange steel, van mei tot juli. Rond het hoofdje staan meestal acht smalle, groene omwindselblaadjes. De hoofdjes openen vroeg in de ochtend en sluiten rond de middag.
- Vrucht/Zaad
- Een grote, bolronde pluizenbol, veel groter dan die van een paardenbloem. Elk zaadje heeft een lange snavel en een pluis van fijn vertakte, verweven haartjes, als een parachuutje.
- Wortels
- Een penwortel met wit melksap; daarom verplant ze slecht.
- Verwarring met
- Paardenbloem heeft getande bladeren in een rozet en een holle, bladloze stengel; gele morgenster heeft grasachtige bladeren aan de stengel. Haverwortel, de verwante groente, heeft paarse bloemen. Zonder bloemen lijkt de rozet op een graspol, maar het witte melksap verraadt haar.
Bloei: mei–juli · Snoeien: juli en september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- De gele hoofdjes geven in mei en juni ’s ochtends nectar en stuifmeel aan bijen, hommels en zweefvliegen.
- De grote pluizenbollen zijn een blikvanger in een hooiland en een feest voor kinderen om weg te blazen.
- Een typische plant van bloemrijke bermen en hooilanden die met maaien en afvoeren beheerd worden.
- De wortel en de jonge stengels werden vroeger als groente gegeten, net als die van haar verwant, de haverwortel.
- Ze laat je de tijd lezen: open in de ochtend, dicht rond de middag.
Waar staat een gele morgenster graag?
- In het wild: hooilanden, wegbermen, dijken, spoorwegtaluds, graslanden en grasrijke randen.
- Matig voedselrijke tot schrale grond: leem, klei of zand, vaak kalkhoudend, normaal tot vrij droog.
- Volle zon; in de schaduw blijven de bloemen dicht en valt de plant om.
- In de tuin: in een bloemenweide of een strook lang gras met maaibeheer, in een zonnige border met wilde planten of op een talud.
Mooi samen met
- Margriet: Witte bloemen in hetzelfde bloemrijke hooiland.
- Knoopkruid: Paarse bloemen in de zomer, als de morgenster uitgebloeid is, geliefd bij vlinders.
- Beemdkroon: Lila bloemen voor bijen en vlinders op dezelfde zonnige grond.
- Veldlathyrus: Gele vlinderbloemen die tussen het gras klimmen.
- Ratelaar: Verzwakt het gras, zodat de bloemen meer ruimte krijgen.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een gele morgenster?
- Koop zaad of planten van inheemse herkomst bij een kwekerij voor wilde planten. Graaf nooit planten uit in het wild.
- Zaai bij voorkeur ter plaatse, in april–mei of in augustus–september, op open, losgemaakte grond. De grote zaden kiemen vlot; bedek ze met ongeveer 1 cm grond.
- Zaai je in potjes, plant dan uit zolang de planten nog klein zijn: de penwortel verdraagt verplanten slecht.
- Zet planten of dun zaailingen uit tot 20–30 cm van elkaar.
- In bestaand gras: maak eerst kleine, kale plekken open, anders kunnen de kiemplanten niet doorkomen.
- Geef water na het zaaien of planten tot de jonge planten goed groeien; daarna is het niet meer nodig.
Verzorgen
- Water
- Niet nodig, behalve na het zaaien of planten.
- Bemesten
- Niet doen: op rijke grond wordt ze door hoge grassen overgroeid.
- Maaien
- Maai een bloemenweide pas in juli, als de pluizenbollen verwaaid zijn, en eventueel nog eens in september. Voer het maaisel af.
- Zaad laten vallen
- Als tweejarige sterft ze na de zaadvorming: laat ze dus elk jaar uitzaaien om ze te houden.
- Kale plekjes
- Kiemplanten hebben open grond nodig. Hark na het maaien hier en daar de grasmat open.
Tip: Wil je de bloemen zien, ga dan ’s ochtends kijken: na de middag zijn ze dicht en loop je er zo voorbij. De pluizenbollen zijn het mooist op een droge, zonnige ochtend in juni.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: juli en september.
Wanneer: Maaien in juli, als de zaden verwaaid zijn, en eventueel nog eens in september.
Hoe:
- Wacht met maaien tot de meeste pluizenbollen leeg zijn.
- Maai op 5–8 cm en laat het maaisel een paar dagen liggen voor je het afvoert, zodat de laatste zaden eruit vallen.
- In een border: knip uitgebloeide stengels pas af na de zaadrijping; de bladrozetten van jonge planten laat je staan.
- Laat een strook ongemaaid staan als schuilplaats voor insecten.
Let op: Maai je in juni, voor de zaadrijping, dan verdwijnt ze na een paar jaar: ze leeft maar kort en is afhankelijk van haar zaad.
Vermeerderen
- Zaad
- Zaai in het voorjaar of in de nazomer ter plaatse; de rozet bloeit meestal het jaar nadien.
- Zelf zaad oogsten
- Pluk op een droge dag een pluizenbol die net open is, laat hem in een papieren zak verder drogen en zaai meteen, of bewaar het zaad koel en droog.
Hoe komt een gele morgenster de winter door?
Winterhard tot −30 °C.
- Planten die gebloeid hebben, sterven na de zaadvorming af.
- Jonge planten overwinteren als grasachtige bladrozet en bloeien in het voorjaar daarna.
- Volledig winterhard.
- In een ruige rand kunnen enkele droge stengels blijven staan als schuilplaats voor insecten.
Ziektes en plagen
- Verdwijnen: Ze verdwijnt als je te vroeg maait of als de grasmat te dicht wordt. Maai na de zaadrijping en zorg voor kale plekjes.
- Overgroeiing: Op rijke grond nemen hoge grassen het over. Verschraal door te maaien en het maaisel af te voeren.
- Slakken: Ze eten jonge kiemplanten. Zaai ruim, op een zonnige, open plek.
- Roest: Soms oranje of bruine puistjes op de bladeren. Onschuldig; laat het zo.
- Dichte bloemen: Op een schaduwrijke plek of in de namiddag zijn de bloemen dicht en lijkt de plant niet te bloeien. Kijk ’s ochtends.
Het jaar rond
- Maart: De rozetten lopen weer uit.
- April: Zaaien ter plaatse. De bloeistengels schieten op.
- Mei: Begin van de bloei: ’s ochtends gaan de gele hoofdjes open.
- Juni: Volle bloei en de eerste pluizenbollen. Zaad oogsten.
- Juli: Laatste bloei; de bollen verwaaien. Maaien en het maaisel afvoeren.
- Augustus: Zaaien ter plaatse. Jonge rozetten komen op.
- September: Tweede maaibeurt. Zaaien kan nog.
- Oktober: De nieuwe rozetten groeien.
- December: De rozetten overwinteren.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De naam Tragopogon komt van het Griekse tragos (bok) en pogon (baard) en verwijst naar de pluis; vandaar ook de Engelse naam goat’s-beard en de oude Franse naam barbe-de-bouc.
- In Engeland heet ze ook Jack-go-to-bed-at-noon, omdat de bloemen rond de middag dichtgaan. De Nederlandse naam morgenster verwijst naar hetzelfde: ze bloeit in de ochtend.
- De pluishaartjes van elk zaadje zijn fijn vertakt en met elkaar verweven, zodat ze samen een soort parachute vormen waarmee het zaad ver kan wegzweven.