Grote brandnetel (Urtica dioica)

Foto: Frank Vincentz, CC BY-SA 3.0 · bron

Kruidachtige plant · Brandnetelfamilie (Urticaceae)

Grote brandnetel

Urtica dioica

In andere talen: Ortie dioïque (Français) · Common nettle (English)

Komt in België in het wild voor.

De grote brandnetel is een van de bekendste en meest verguisde planten van België, maar ook een van de belangrijkste voor vlinders. Hij groeit in dichte groepen op voedselrijke grond: langs bosranden, sloten en rivieroevers, in ruigtes, bij stallen en in tuinhoeken. Je herkent hem aan de vierkante stengels, de tegenoverstaande, grof getande bladeren en natuurlijk aan de brandharen. De groene bloempjes hangen in slierten en vallen nauwelijks op; mannelijke en vrouwelijke bloemen zitten op aparte planten. Rupsen van dagpauwoog, kleine vos en atalanta leven er grotendeels van.

Let op: De brandharen veroorzaken een pijnlijke, jeukende uitslag die meestal binnen enkele uren verdwijnt. Kinderen en honden die door een groep lopen, krijgen het meest te verduren: plant brandnetels uit de buurt van speelplekken. Gedroogd of gekookt blad brandt niet meer.

  • Licht

    Zon of halfschaduw

    liefst wat zon

  • Vocht

    Normaal tot nat

    mag niet uitdrogen

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -30 °C

  • Grootte

    1 m

    hoog, 0,6 m breed

  • Bloei

    juni–september

Feiten op een rij
Snoeimaandenmaart en juni–juli
Hoogte1 m
Inheems in BelgiëJa
Bloeijuni–september

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Rechtopgaande, overblijvende plant van 0,5–1,5 m, in dichte groepen dankzij kruipende wortelstokken.
Blad
Tegenoverstaand, hartvormig tot eirond met een lange punt, 5–15 cm, grof gezaagd en bezet met brandharen.
Bloem
Kleine groene bloempjes in hangende slierten uit de bladoksels, van juni tot september. Mannelijke en vrouwelijke bloemen op aparte planten; bestuiving door de wind.
Stengel
Vierkant en stevig, met brandharen en gewone haren.
Wortels
Kruipende, felgele wortelstokken net onder de grond.
Verwarring met
Kleine brandnetel is eenjarig en lager, met kleinere bladeren en bloemen van beide geslachten op één plant. Dovenetels en bosandoorn lijken erop, maar branden niet en hebben opvallende lipbloemen.

Bloei: juni–september · Snoeien: maart en juni–juli

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Waardplant voor de rupsen van dagpauwoog, kleine vos, atalanta, landkaartje en gehakkelde aurelia, en voor tientallen nachtvlinders.
  • De brandnetelluis verschijnt al vroeg in het voorjaar en is een eerste maaltijd voor lieveheersbeestjes, die daarna je moestuin beschermen.
  • Zaadetende vogels pikken in de herfst en de winter de zaadjes.
  • Jonge toppen zijn al eeuwenlang een voorjaarsgroente, in soep of als spinazie.
  • Brandnetelgier is een klassieke, gratis plantenvoeding voor de moestuin.
  • De stengels leverden vroeger vezels voor touw en stof.

Waar staat een grote brandnetel graag?

  • In het wild: bosranden, ooibossen, slootkanten, rivieroevers, ruigtes en plekken waar ooit mest of afval lag.
  • Zon tot halfschaduw. Voor vlinderrupsen is een zonnige, beschutte plek het best.
  • Voedselrijke, vochtige grond, rijk aan stikstof en fosfaat; op arme zandgrond blijft hij klein.
  • In de tuin: een vlinderhoek achteraan, naast de composthoop of langs een haag.

Mooi samen met

  • Koninginnenkruid: Nectar voor de vlinders waarvan de rupsen op de brandnetel leven.
  • Gewone smeerwortel: Houdt van dezelfde rijke, vochtige grond en trekt hommels aan.
  • Hop: Klimt mee door de ruigte; ook waardplant van de gehakkelde aurelia.
  • Gewone vlier: Groeit graag tussen brandnetels en geeft bloesem en bessen.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een grote brandnetel?

  1. Meestal komt hij vanzelf. Wil je hem een plek geven, haal dan een stuk wortelstok bij iemand die er te veel van heeft, of koop een plant bij een kwekerij van inheemse planten.
  2. Plant in maart–april of in oktober, op 40–50 cm, met de gele wortelstokken net onder de grond.
  3. Zaaien kan in maart–april: strooi het fijne zaad op de grond en druk het aan, zonder af te dekken. Houd het vochtig.
  4. Kies een zonnige plek: dagpauwoog en kleine vos leggen hun eitjes het liefst op brandnetels in de zon.
  5. Wil je de groep afbakenen, graaf dan een wortelbegrenzing in of plant in een bodemloze emmer.
  6. Draag handschoenen. Graaf nooit planten uit in de natuur.

Verzorgen

Water
Alleen na het planten. Daarna niet nodig, behalve bij lange droogte op een droge plek.
Bemesten
Niet nodig; op rijke grond groeit hij vanzelf uitbundig. Een schep compost op arme grond volstaat.
Maaien
Maai eind juni de helft van de groep: de jonge scheuten die terugkomen, zijn ideaal voor een tweede generatie rupsen.
Woekeren
Trek uitlopers uit vochtige grond; de gele wortelstokken liggen ondiep en komen makkelijk mee.
Zaad
Knip de vrouwelijke planten in augustus af als je geen zaailingen wilt.
Rupsen
Kijk voor je maait: zie je zwarte, stekelige rupsen in een spinsel, laat dat stuk dan staan.

Tip: Een groepje brandnetels in de zon, waarvan je eind juni de helft maait, is goud waard voor vlinders: zonder waardplant geen rupsen, en zonder rupsen geen vlinders.

Snoeien en maaien

Snoeimaanden: maart en juni–juli.

Wanneer: In twee keer, van eind juni tot half juli; de dode stengels in maart.

Hoe:

  • Maai nooit de hele groep tegelijk: neem eerst de ene helft en 2–3 weken later de andere.
  • Controleer eerst op rupsennesten en sla die plekken over.
  • Laat de dode stengels in de winter staan: er overwinteren eitjes en insecten in.
  • Knip ze in maart af tot net boven de grond en leg ze op de composthoop.

Let op: Draag stevige handschoenen en lange mouwen. Bekijk de planten eerst op rupsen: een spinsel vol zwarte rupsen is een toekomstige wolk vlinders.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Wortelstokken
In maart of oktober een stuk gele wortelstok met een paar knoppen afsteken en elders planten. Slaat bijna altijd aan.
Zaad
In maart–april oppervlakkig zaaien; het zaad heeft licht nodig om te kiemen. Je krijgt zowel mannelijke als vrouwelijke planten.

Hoe komt een grote brandnetel de winter door?

Winterhard tot −30 °C.

  • Bovengronds sterft hij af; de wortelstokken overleven in de grond.
  • De dode stengels bieden schuilplaatsen voor insecten; zaadetende vogels pikken de laatste zaadjes.
  • Volledig winterhard, tot ongeveer −30 °C. In zachte winters blijven lage scheuten soms groen.

Ziektes en plagen

  • Woekeren: Op rijke grond breidt de groep zich snel uit. Gebruik een wortelbegrenzing of trek de randen elk jaar uit.
  • Brandharen: Een branderig, jeukend gevoel dat binnen enkele uren verdwijnt. Draag handschoenen en leer kinderen de plant herkennen.
  • Bladluis: In het voorjaar zit hij soms vol luizen. Laat ze zitten: ze zijn voedsel voor lieveheersbeestjes en hun larven.
  • Roest: Oranje zwellingen op stengels en bladeren in het voorjaar. Een roestschimmel die ook op zeggen leeft; onschuldig.

Het jaar rond

  • Maart: Dode stengels afknippen. Jonge toppen plukken voor soep (met handschoenen).
  • April: Planten of delen. Eerste luizen, en de lieveheersbeestjes die erop afkomen.
  • Mei: Eerste rupsennesten van dagpauwoog en kleine vos.
  • Juni: Begin van de bloei. Eind juni de helft van de groep maaien.
  • Juli: Bloei. Half juli de andere helft maaien; kijk eerst of er rupsen zitten.
  • Augustus: Bloei en zaadzetting. Nieuwe rupsen op het jonge blad.
  • September: Laatste bloemen. Laat de zaadjes staan voor de vogels.
  • Oktober: De plant sterft af. Laat de stengels staan.
  • December: Rust. Insecten overwinteren in de dode stengels.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • Elke brandhaar is een piepklein naaldje van glasachtig materiaal: het topje breekt af bij aanraking en spuit een mengsel met onder meer histamine in de huid.
  • In het sprookje De wilde zwanen van Hans Christian Andersen breit een prinses hemden van brandnetels om haar broers te redden.
  • Tijdens de Eerste Wereldoorlog gebruikte Duitsland brandnetelvezels als vervanging voor katoen.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…