
Foto: Leo Michels, CC0 · bron
Kruidachtige plant · Brandnetelfamilie (Urticaceae)
Kleine brandnetel
Urtica urens
In andere talen: Ortie brûlante (Français) · Small nettle (English)
Komt in België in het wild voor.
De kleine brandnetel is een eenjarig kruid van 10–50 cm uit de brandnetelfamilie, het kleine, felle broertje van de bekende grote brandnetel. Hij groeit op losse, voedselrijke grond die vaak bewerkt wordt: moestuinen, akkers, erven, rond stallen en mesthopen, in borders en op braakland. In België is hij vrij algemeen, maar veel minder talrijk dan de grote brandnetel. Je herkent hem aan de lage, vertakte plantjes met frisgroene, diep gezaagde, eironde blaadjes, de korte groene bloemtrosjes in de bladoksels en de brandharen, die feller prikken dan je van zo’n klein plantje zou verwachten. Hij vormt geen wortelstokken en blijft dus netjes op zijn plek, en de jonge toppen kun je net als die van de grote brandnetel koken.
Let op: De brandharen veroorzaken een pijnlijke, jeukende huiduitslag. Let op met kleine kinderen, die vaak met blote benen en handen spelen, en met honden die door de planten lopen. Draag handschoenen bij het wieden en plukken en eet de bladeren nooit rauw.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Winterhard
tot -15 °C
jonge planten beschermen
Grootte
0,3 m
hoog, 0,25 m breed
Bloei
mei–oktober
| Snoeimaanden | juli–augustus |
|---|---|
| Hoogte | 0,3 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | mei–oktober |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Eenjarig kruid van 10–50 cm, rechtop en vanaf de voet vertakt, met vierkante stengels die bezet zijn met brandharen.
- Blad
- Tegenoverstaand, eirond tot elliptisch, 2–5 cm, diep en scherp gezaagd en frisgroen. De bladsteel is vrij lang, bij de onderste bladeren vaak bijna even lang als de bladschijf.
- Bloem
- Kleine, groene bloempjes in korte, rechtopstaande trosjes in de bladoksels, korter dan de bladsteel, van mei tot oktober. Mannelijke en vrouwelijke bloemen zitten op dezelfde plant; de wind zorgt voor de bestuiving.
- Vrucht/Zaad
- Heel kleine, platte, eivormige, lichtbruine nootjes, in groten getale.
- Wortels
- Een korte penwortel met fijne zijwortels, zonder kruipende wortelstokken: makkelijk uit te trekken, met handschoenen.
- Verwarring met
- De grote brandnetel is overblijvend en groter, heeft kruipende gele wortelstokken, langere, toegespitste bladeren en hangende bloemtrossen die langer zijn dan de bladsteel. Dovenetels lijken erop, maar prikken niet en hebben grote lipbloemen.
Bloei: mei–oktober · Snoeien: juli–augustus
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Waardplant voor vlinderrupsen: onder meer de kleine vos eet ook van kleine brandnetel, al leggen de meeste vlinders hun eitjes op de grote brandnetel.
- De vele kleine zaadjes zijn in de nazomer voedsel voor zaadetende vogels.
- Bladluizen op de toppen zijn vroeg in het jaar voedsel voor lieveheersbeestjes en hun larven.
- De jonge toppen zijn eetbaar: gekookt verliezen ze hun prik en smaken ze als spinazie, in soep, quiche of stamppot.
- Blijft klein en woekert niet met wortelstokken, dus veel makkelijker in toom te houden dan de grote brandnetel.
Waar staat een kleine brandnetel graag?
- In het wild: moestuinen, akkers, erven, rond stallen en mesthopen, braakland, bermen en open plekken in dorpen.
- Zon tot halfschaduw.
- Losse, zandige tot lemige, voedselrijke grond die vaak bewerkt wordt; hij houdt van plekken met veel mest of compost.
- In de tuin: in een hoekje van de moestuin, bij de composthoop of langs een rand die je toch elk jaar omwerkt.
Mooi samen met
- Grote brandnetel: Samen een brandnetelhoek voor vlinderrupsen: de kleine op open grond, de grote aan de rand.
- Vogelmuur: Groeit op dezelfde voedselrijke moestuingrond en is ook eetbaar.
- Paarse dovenetel: Bloeit op dezelfde plekken voor bijen en hommels, zonder te prikken.
- Herderstasje: Nog een eenjarige van open, bewerkte grond, met zaad voor vogels.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een kleine brandnetel?
- Meestal komt hij vanzelf op voedselrijke, bewerkte grond; zaaien is zelden nodig.
- Wil je hem toch, verzamel dan in de zomer wat rijp zaad van planten in je eigen tuin of buurt, of koop zaad van inheemse herkomst.
- Zaai in maart–mei op losse grond, strooi dun en hark het zaad heel licht in.
- Houd de grond vochtig tot de kieming en laat de plantjes op 15–20 cm van elkaar staan.
- Draag handschoenen als je met de planten werkt, en graaf nooit planten uit in het wild.
Verzorgen
- Water
- Niet nodig; alleen na het zaaien bij droogte.
- Bemesten
- Niet nodig: hij staat meestal al op rijke grond.
- Oogsten
- Pluk de jonge toppen voor de bloei, met handschoenen en een schaar. Koken of blancheren haalt de prik eruit.
- Wieden
- Te veel? Trek jonge plantjes uit of schoffel ze weg voor ze zaad zetten; zonder wortelstokken komen ze niet terug.
- Zaad laten vallen
- Laat een paar planten afrijpen op een plek waar ze niet storen, als je hem elk jaar terug wil.
Tip: Pluk de jonge toppen met handschoenen en een schaar voor de bloei: kort koken of blancheren haalt de prik eruit, en je hebt een groente die smaakt als spinazie.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: juli–augustus.
Wanneer: Niet echt nodig; trek of knip de planten weg in juli–augustus, voor het meeste zaad rijp is.
Hoe:
- Snoeien hoeft niet bij deze kleine eenjarige.
- Wil je minder zaailingen, trek de planten dan uit of knip ze af voor ze zaad zetten.
- Uitgetrokken planten zonder zaad kun je composteren, als mulch tussen de groenten leggen of net als grote brandnetel in een gierton doen.
Let op: Draag altijd handschoenen en lange mouwen: de brandharen prikken ook door dunne stof heen.
Vermeerderen
- Zaad
- Rijpt vanaf juli. Zaai in het voorjaar op open grond of laat hem zichzelf uitzaaien; het zaad blijft enkele jaren kiemkrachtig in de bodem.
Hoe komt een kleine brandnetel de winter door?
Winterhard tot −15 °C: jonge planten beschermen.
- Eenjarig: de planten sterven af bij de eerste stevige vorst.
- Het zaad overwintert in de grond en kiemt in het voorjaar, zodra de grond opwarmt en bewerkt wordt.
- In zachte winters overleven sommige planten en bloeien ze gewoon door.
Ziektes en plagen
- Prikken: De brandharen geven een branderige, jeukende uitslag die meestal na enkele uren wegtrekt. Draag handschoenen en lange mouwen bij het wieden en plukken.
- Te veel zaailingen: Op rijke, bewerkte grond kan hij massaal kiemen. Schoffel jong, mulch de grond en laat hem geen zaad zetten.
- Concurrentie met groenten: Groeit snel op rijke grond. Trek hem weg rond jonge groenten; tussen grote planten mag hij blijven staan.
- Bladluis en rupsen: Horen erbij en zijn voedsel voor lieveheersbeestjes en vogels. Laat ze gewoon zitten.
Het jaar rond
- Maart: Zaaien op open grond. Eerste kiemplantjes.
- April: Jonge plantjes; wieden waar ze tussen de groenten staan.
- Mei: Jonge toppen oogsten voor soep. Eerste bloei.
- Juni: Bloei. Rupsen op de bladeren laten zitten.
- Juli: Zaad rijpt. Planten wegnemen als je geen zaailingen wil.
- Augustus: Bloei en zaad; nieuwe plantjes kiemen. Wegnemen voor de zaadzetting.
- September: Late planten bloeien nog.
- Oktober: Bloei tot de eerste vorst.
- November: De planten sterven af; het zaad overwintert in de grond.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Urens betekent ‘brandend’, van het Latijnse urere, branden. Ook de Franse naam ortie brûlante verwijst naar de felle prik.
- Elk brandhaar is een piepklein, glasachtig buisje met een broos kopje. Raak je het aan, dan breekt het kopje af en spuit het haartje een mengsel van stoffen, waaronder histamine, in je huid.
- Bij de grote brandnetel staan mannelijke en vrouwelijke bloemen op aparte planten; de kleine brandnetel draagt ze allebei op dezelfde plant.