Knolspirea (Filipendula vulgaris)

Foto: Didier Descouens, CC BY-SA 4.0 · bron

Vaste plant · Rosaceae

Knolspirea

Filipendula vulgaris

In andere talen: Filipendule commune (Français) · Dropwort (English)

Knolspirea is een inheemse vaste plant uit de rozenfamilie, die van nature in droge, kalkrijke graslanden van Europa tot West-Azië groeit. In België is hij vrij zeldzaam en vind je hem vooral op kalkhellingen in het zuiden van het land. Hij vormt lage rozetten van varenachtig, fijn geveerd blad, waaruit in juni en juli stengels van 40–60 cm met losse pluimen roomwitte bloemen oprijzen; de knoppen zijn vaak roze aangelopen. Anders dan zijn grote neef, de moerasspirea, houdt hij van zon en droogte. Het ras ‘Plena’ met dubbele bloemen is in tuinen het bekendst.

  • Licht

    Volle zon

    warm en licht

  • Vocht

    Droog tot normaal

    geen natte voeten

  • Grond

    Zand of leem

    neutraal tot kalkrijk

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -35 °C

  • Grootte

    0,6 m

    hoog, 0,45 m breed

  • Bloei

    juni–juli

Feiten op een rij
Snoeimaandenmaart en augustus
Hoogte0,6 m
Inheems in BelgiëJa
Goed voor bijen, vlinders en vogelsJa, voor bijen
Giftig voor mens en huisdierNiet als giftig bekend
Bloeijuni–juli

Herkennen

Hoe herken je een knolspirea?

Groeivorm
Lage bladrozet van 15–20 cm met rechtopgaande bloemstengels tot 60 cm; ongeveer 45 cm breed.
Blad
Fijn geveerd, met veel kleine, diep ingesneden deelblaadjes; donkergroen en glanzend, varenachtig.
Bloem
Losse, vertakte pluimen van kleine, roomwitte bloemen met meestal zes kroonblaadjes; de knoppen zijn vaak roze. Bloei in juni en juli.
Geur
Licht en zoet, vooral op warme dagen.
Wortels
Dunne wortels met kleine, langwerpige knolletjes, waaraan hij zijn naam dankt.

Bloei: juni–juli · Planten: maart–april en september–oktober · Snoeien: maart en augustus

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Varenachtige bladrozetten die van het voorjaar tot de herfst sierlijk blijven, ook als hij niet bloeit.
  • Roomwitte, licht geurende pluimen in juni en juli, met roze knoppen.
  • Bijen, zweefvliegen en kevers komen af op het stuifmeel.
  • Droogtebestendig: anders dan de meeste Filipendula-soorten groeit hij goed in droge, kalkrijke grond.
  • Past in een bloemenweide, een rotstuin, een grindtuin of vooraan in een zonnige border.
  • Inheems en zeer winterhard.

Waar staat een knolspirea graag?

  • Volle zon; in de schaduw bloeit hij weinig.
  • Goed doorlatende zand- of leemgrond, neutraal tot kalkrijk. Op zure zandgrond kun je wat kalk of kalksteengruis door de grond mengen.
  • Droog tot normaal vochtig; natte grond in de winter verdraagt hij slecht.
  • Plant op 30–40 cm afstand, of in groepjes van drie tot vijf in een bloemenweide.
Licht
Zon
Grondsoort
Zand of leem
Zuurtegraad
Neutraal of kalkrijk
Vocht
Droog of normaal
Grootte
0,6 m hoog, 0,45 m breed
Winterhard
Winterhard (tot -35 °C)

Mooi samen met

  • Knoopkruid: Paarsroze bloemhoofdjes in dezelfde schrale, zonnige grond, een topper voor vlinders.
  • Wilde marjolein: Geurend blad en roze bloemen voor bijen en vlinders, ook op droge kalkgrond.
  • Geel walstro: Gele, naar honing geurende pluimpjes die mooi afsteken tegen het roomwit.
  • Kleine pimpernel: Nog meer fijn geveerd blad en roodachtige bloemhoofdjes, ideaal in een droge bloemenweide.
  • Grasklokje: Fijne blauwe klokjes in dezelfde schrale, zonnige grond.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een knolspirea?

Planten in maart–april en september–oktober.

  1. Plant in maart–april of in september–oktober.
  2. Maak de grond los en meng op zware grond wat grof zand of grind door, zodat water goed wegloopt.
  3. Graaf een plantgat iets groter dan de pot en zet de plant even diep als hij stond, met het hart van de rozet op grondniveau.
  4. Hou 30–40 cm tussen de planten.
  5. Giet aan en geef de eerste weken water bij droogte; daarna is dat zelden nodig.
  6. Mulch met grind of steenslag in plaats van compost: dat houdt de voet droog.

Verzorgen

Water
Alleen het eerste jaar bij langdurige droogte; daarna redt hij zich.
Bemesten
Niet nodig: in schrale grond blijft hij compact en bloeit hij beter.
Uitgebloeide bloemen
Knip de bloemstengels in augustus af als je geen zaailingen wilt, of laat er een paar staan voor het zaad.
Steun
Niet nodig in schrale grond; op voedselrijke grond kunnen de bloemstengels omvallen.
Delen
Om de 4–5 jaar delen als het hart van de pol kaal wordt.

Tip: Geef hem een schrale, goed doorlatende plek en bemest niet: dan blijft hij compact en bloeit hij het rijkst. Natte grond in de winter is zijn grootste vijand.

Wanneer snoei je een knolspirea?

Snoeimaanden: maart en augustus.

Wanneer: Knip in augustus de uitgebloeide bloemstengels af en ruim in maart het oude, verdorde blad op.

Hoe:

  • Knip de bloemstengels na de bloei net boven de bladrozet af.
  • Wil je dat hij zich uitzaait, laat dan een paar pluimen staan tot het zaad bruin is.
  • Haal in maart dode bladeren voorzichtig uit de rozet, voor het nieuwe blad uitloopt.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Delen
In maart–april of in september de pol opgraven en in stukken verdelen, elk met een paar knolletjes en een knop. Meteen terugplanten en aangieten.
Zaad
Zaai vers zaad in de herfst in een pot met zanderige zaaigrond en laat die buiten overwinteren: de kou helpt de kieming. Verspeen de zaailingen in het voorjaar.

Hoe komt een knolspirea de winter door?

Winterhard tot −35 °C.

  • Zeer winterhard, tot ongeveer −35 °C: geen bescherming nodig.
  • Natte voeten in de winter zijn gevaarlijker dan vorst: zorg voor een goed doorlatende grond.
  • Laat de bladrozetten in de herfst gewoon staan: ze beschermen het hart van de plant.
  • In een pot: gebruik een pot met een goed afvoergat en zet hem in de winter tegen een muur, uit de regen.

Ziektes en plagen

  • Wortelrot: De plant kwijnt en rot weg in natte, zware grond, vooral in de winter. Verplant naar een drogere plek of meng grind door de grond.
  • Meeldauw: Wit poeder op het blad in droge zomers. Meestal onschuldig; aangetaste bladeren wegknippen en de planten ruimte geven.
  • Omvallende stengels: Op te voedselrijke grond worden de stengels slap. Niet bemesten en een schralere plek kiezen.
  • Slakken: Jonge rozetten worden in het voorjaar aangevreten. ’s Avonds rapen of een ruwe laag grind rond de plant leggen.
  • Weinig bloei: Te veel schaduw. Verplant naar een zonnige plek.

Het jaar rond

  • Maart: Oud blad uit de rozet halen. Planten of delen.
  • April: Planten. Het nieuwe blad loopt uit.
  • Mei: De bloemstengels verschijnen. Slakken in de gaten houden.
  • Juni: Bloei van roomwitte pluimen.
  • Juli: Bloei. Bijen en zweefvliegen op de bloemen.
  • Augustus: Uitgebloeide stengels afknippen, of een paar laten staan voor zaad.
  • September: Planten of delen. Zaad verzamelen.
  • Oktober: Planten. Vers zaad in een pot zaaien en buiten zetten.

Gebruiken

Goed voor dieren

Bijen
Nectar en stuifmeel voor honingbijen en wilde bijen.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • De naam knolspirea verwijst naar de kleine knolletjes aan de wortels.
  • De geslachtsnaam Filipendula komt van het Latijnse filum, draad, en pendulus, hangend: de knolletjes hangen als aan draadjes aan de wortels.
  • Je herkent knolspirea aan de bloemen met meestal zes kroonblaadjes; moerasspirea heeft er vijf.

Tuinplanten · Alle soorten

Laden…