
Foto: MPF, CC BY 2.5 · bron
Heester · Cupressaceae
Sierjeneverbes
Juniperus squamata
In andere talen: Genévrier écailleux (Français) · Flaky juniper (English)
Juniperus squamata groeit in het wild in de bergen van de Himalaya, West-China en Taiwan. In tuinen ken je hem vooral van de compacte, staalblauwe rassen, zoals ‘Blue Star’ en het vlakke ‘Blue Carpet’, naast het hogere ‘Meyeri’. Het groenblijvende blad bestaat uit korte, stekelige naalden die dicht op de takken staan en vaak een zilverblauwe glans hebben. De plant is erg winterhard en vraagt weinig zorg. Hij houdt van volle zon en goed doorlatende grond en past in rotstuinen, grindtuinen, borders en bakken. Het is een rustige groeier van ongeveer 1 m hoog en 1,5 m breed.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Grond
Zand, leem of klei
elke zuurtegraad
Winterhard
Volledig winterhard
tot -30 °C
Grootte
1 m
hoog, 1,5 m breed
| Snoeimaanden | mei |
|---|---|
| Hoogte | 1 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
Herkennen
Hoe herken je een sierjeneverbes?
- Groeivorm
- Compacte, brede struik van ongeveer 1 m hoog en 1,5 m breed; sommige rassen zijn laag en kruipend, andere hoger.
- Blad
- Groenblijvend; korte, stekelige naalden, staalblauw tot zilverblauw, dicht op de takken.
- Bast
- Roodbruin en in dunne schilfers afbladderend; dit geeft de soort zijn naam.
- Vrucht
- Kleine, glanzend zwarte ‘bessen’ (vlezige kegels) op vrouwelijke planten.
- Wortels
- Vertakt en diep; verdraagt droogte maar geen natte voeten.
Planten: april–mei en september–oktober · Snoeien: mei
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Het hele jaar staalblauw en dicht: een opvallende kleurplek, ook in de winter.
- Compact en rustig groeiend, dus ook geschikt voor kleine tuinen en bakken.
- Bijzonder winterhard en droogtebestendig, ideaal voor zonnige, arme grond.
- Mooie combinatie met groene, grijze en roodbladige planten in rotstuinen en grindtuinen.
- Weinig werk: bijna geen snoeien en geen bemesting nodig.
Waar staat een sierjeneverbes graag?
- Volle zon; in de schaduw wordt hij open en verliest hij zijn blauwe kleur.
- Goed doorlatende grond: zand, leem of klei, zuur tot kalkrijk. Droog tot normaal vochtig.
- Verdraagt wind en droogte, maar geen drassige plek of staand water in de winter.
- Reken op 1–1,5 m ruimte per plant; in een rotstuin of bak kan je hem dichter bij andere planten zetten.
- Licht
- Zon
- Grondsoort
- Zand, leem of klei
- Zuurtegraad
- Niet kieskeurig
- Vocht
- Droog of normaal
- Grootte
- 1 m hoog, 1,5 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -30 °C)
Mooi samen met
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een sierjeneverbes?
Planten in april–mei en september–oktober.
- Plant in april–mei of in september–oktober, als de grond niet bevroren of drassig is.
- Graaf een plantgat twee keer zo breed als de kluit; bij zware klei meng je er zand of grind door voor betere afwatering.
- Zet de plant even diep als in de pot; de stamvoet mag niet dieper komen te staan.
- Geef meteen een flinke gieter water en houd de grond het eerste jaar vochtig, maar nooit nat.
- Dek de grond af met grind of schors tegen onkruid; houd de stam zelf vrij.
Verzorgen
- Water
- Het eerste jaar bij droogte wekelijks. Daarna zorgt hij zelf voor zijn water, behalve in een pot of tijdens lange droogte.
- Bemesten
- Meestal niet nodig. Op arme grond volstaat in het voorjaar een dun laagje compost.
- Mulchen
- Een laag grind of schors houdt onkruid weg en beschermt de wortels.
- Uitkammen
- Bruine naalden aan de binnenkant zijn normaal: kam ze voorzichtig uit met je vingers, zodat er meer licht en lucht bij komt.
- In een pot
- Gebruik een pot met afvoergaten en grond met zand of grind; geef water zodra de bovenlaag droog is.
Tip: Plant hem zonnig in goed doorlatende grond. Bruine naalden aan de binnenkant zijn normaal en mag je voorzichtig uitkammen.
Wanneer snoei je een sierjeneverbes?
Snoeimaanden: mei.
Wanneer: Hij heeft nauwelijks snoeien nodig; knip in mei bij waar nodig.
Hoe:
- Knip takken die te ver uitgroeien of over het pad hangen tot een zijtak terug.
- Haal dode of beschadigde takken helemaal weg, tot in het levende hout.
- Kam bruine, dode naalden uit de binnenkant van de struik uit.
- Draag handschoenen: de naalden prikken en kunnen bij een gevoelige huid irritatie geven.
Let op: Snoei nooit in kaal, bruin hout: daaruit loopt hij niet meer uit en blijft er een kale plek achter.
Vermeerderen
- Halfhoutige stekken
- In september–oktober: stekken van 10–15 cm met een hakje, in zandige stekgrond in een koude bak. Wortelen duurt enkele maanden. Rassen komen niet zuiver uit zaad, dus kies stekken.
- Afleggen
- Bij lage, kruipende rassen wortelen takken die de grond raken soms vanzelf. Pin ze vast; na een jaar kan je ze loskoppelen.
Hoe komt een sierjeneverbes de winter door?
Winterhard tot −30 °C.
- Zeer winterhard, tot ongeveer −30 °C: in Belgische winters is geen bescherming nodig.
- Schud zware natte sneeuw van de takken, anders kunnen ze breken of uit elkaar buigen.
- In een pot: kies een pot met drainage en zet hem op een beschutte plek; pak hem bij strenge vorst in jute of noppenfolie.
Ziektes en plagen
- Bruine naalden binnenin: Normaal: oude naalden aan de binnenkant sterven af. Kam ze voorzichtig uit; bruine uiteinden aan de buitenkant wijzen op een probleem.
- Wortelrot: De plant kwijnt weg en het blad wordt bruin op een te natte plek. Plant in goed doorlatende grond en geef niet te veel water.
- Takkensterfte: Bruine, afstervende takpunten. Knip aangetaste delen terug tot in gezond hout en gooi ze weg.
- Spintmijt: In warme, droge zomers wordt het blad grijsgeel en zie je fijne webjes. Spuit de plant af met een straal water.
Het jaar rond
- April: Planten. Dode takken verwijderen.
- Mei: Planten. Bijknippen waar nodig; bruine naalden uitkammen.
- Juni: Jonge planten water geven bij droogte.
- Juli: Letten op spintmijt bij droogte.
- Augustus: Aangetaste takken verwijderen.
- September: Planten. Stekken nemen.
- Oktober: Planten. Stekken nemen.
- December: Zware sneeuw van de takken schudden.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De soortnaam squamata betekent ‘schubbig’ en verwijst naar de afbladderende schors.
- In het wild groeit de soort in bergen, onder meer in de Himalaya.
- De blauwe kleur van het blad wordt versterkt door een dun waslaagje.