
Foto: Balkhovitin, CC BY-SA 3.0 · bron
Vaste plant · Paeoniaceae
Fijnbladige pioen
Paeonia tenuifolia
In andere talen: Pivoine à feuilles étroites (Français) · Fern-leaf peony (English)
De fijnbladige pioen, ook steppepioen genoemd, groeit in het wild op grazige hellingen en steppen van zuidoost-Europa tot de Kaukasus. Het is een compacte vaste plant van 40–50 cm met bladeren die zo fijn zijn ingesneden dat ze op dille of een varen lijken. In april en mei opent de plant enkele, diepe, bloedrode schaalbloemen met een krans van gele meeldraden. De bloei is kort maar opvallend, daarna verdort het blad al in de zomer. Bekend is de dubbele vorm ‘Rubra Plena’. Door het sierlijke blad en de vroege bloei is hij een lieveling van verzamelaars.
Let op: Pioenen zijn giftig als je ze opeet. Houd kinderen, katten, honden en grazende dieren weg van wortels, bladeren en zaden. Het sap kan bij gevoelige mensen de huid irriteren: draag handschoenen bij het verdelen.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Grond
Zand, leem of klei
neutraal tot kalkrijk
Winterhard
Volledig winterhard
tot -30 °C
Grootte
0,5 m
hoog, 0,5 m breed
Bloei
april–mei
| Snoeimaanden | augustus–september |
|---|---|
| Hoogte | 0,5 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Giftig voor mens en huisdier | Ja, let op met kinderen en huisdieren |
| Bloei | april–mei |
Herkennen
Hoe herken je een fijnbladige pioen?
- Groeivorm
- Compacte, rechtopgaande vaste plant van 40–50 cm hoog en breed, die elk jaar opnieuw uit de wortelstok uitloopt.
- Blad
- Diep ingesneden in draadfijne slippen, donkergroen, bijna als dille of venkel. Het verdort in de loop van de zomer.
- Bloem
- Enkele, schaalvormige bloemen van 6–8 cm in april–mei, met gele meeldraden.
- Kleur
- Diep karmijn tot bloedrood. De dubbele vorm ‘Rubra Plena’ heeft volle, rode bloemen.
- Wortels
- Vlezige, knolvormige wortels en een wortelstok met rode ogen (knoppen) vlak onder het oppervlak.
Bloei: april–mei · Planten: september–oktober · Snoeien: augustus–september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Heel fijn, varenachtig blad dat je bij geen enkele andere pioen vindt.
- Vroege bloei in april–mei met diep rode schaalbloemen, vóór de meeste andere pioenen.
- Volledig winterhard (tot ongeveer −30 °C) en thuis op droge, kalkrijke grond.
- Een langlevende plant die jaar na jaar groter wordt en rijker bloeit als je hem met rust laat.
- Mooi in een rotstuin, grindtuin of vooraan in een zonnige border.
Waar staat een fijnbladige pioen graag?
- Volle zon: op een schaduwrijke plek bloeit hij nauwelijks.
- Goed doorlatende grond: zand, leem of klei kan, zolang het er niet nat blijft staan. Hij verdraagt kalk goed.
- Normale tot vrij droge grond; in de winter nooit natte voeten.
- Reken op 50 cm tussen de planten. Geef hem een vaste plek en laat hem er jaren staan.
- Licht
- Zon
- Grondsoort
- Zand, leem of klei
- Zuurtegraad
- Neutraal of kalkrijk
- Vocht
- Droog of normaal
- Grootte
- 0,5 m hoog, 0,5 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -30 °C)
Mooi samen met
- Blauwzwenkgras: Fijn, blauwgrijs blad naast het fijne pioenblad, op dezelfde droge, zonnige plek.
- Lavendel: Zelfde zonnige, doorlatende grond; de paarse bloei volgt op de pioen.
- Salie: De paarse aren van de vaste salie vullen de ruimte als het pioenblad verdwijnt.
- Ooievaarsbek: Bodembedekkende ooievaarsbekken verbergen de kale plek in de zomer.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een fijnbladige pioen?
Planten in september–oktober.
- Plant in september–oktober, als de grond nog warm is en de plant in rust gaat.
- Graaf een plantgat van 40 cm breed en diep; maak zware grond losser met wat zand of grind.
- Zet de ogen (de rode knoppen) hoogstens 3–5 cm onder het oppervlak. Te diep geplant bloeit hij niet.
- Houd 50 cm afstand van andere planten en druk de grond goed aan.
- Geef na het planten een flinke gieter water, daarna enkel bij langdurige droogte.
- Leg geen dikke mulchlaag op de kruin; een dun laagje compost naast de plant volstaat.
Verzorgen
- Water
- Na het aanslaan zelden nodig. Geef in het voorjaar bij droogte even water; in de zomer rust de plant.
- Bemesten
- In maart een handvol organische mest of rijpe compost rond de plant, niet op de kruin.
- Ogen
- Houd de ogen vlak onder het oppervlak; dek ze niet af met grond of mulch.
- Uitgebloeide bloemen
- Knip verwelkte bloemen weg voor een nette plant. Laat er een paar staan als je zaad wilt oogsten.
- Steun
- Niet nodig: de stevige stengels staan zonder steun rechtop.
- Zomerrust
- Het blad verdort in juli–augustus. Dat is normaal: knip het weg en markeer de plek, zodat je er niet in spit.
Tip: Plant de ogen hoogstens 3–5 cm diep en verplant hem daarna liefst niet meer: hij heeft jaren nodig om te herstellen. Zet er laat uitlopende vaste planten naast om de leegte van de zomerrust op te vullen.
Wanneer snoei je een fijnbladige pioen?
Snoeimaanden: augustus–september.
Wanneer: Echt snoeien hoeft niet. Knip het afgestorven blad in augustus–september tot aan de grond weg.
Hoe:
- Wacht tot het blad helemaal bruin en droog is: zolang het groen is, voedt het nog de wortels.
- Knip de stengels met een schone schaar tot vlak boven de grond, zonder de rode ogen te beschadigen.
- Gooi aangetast blad bij het restafval en niet op de composthoop.
- Knip verwelkte bloemen na de bloei weg.
Let op: Beschadig de rode ogen vlak onder de grond niet: daaruit komen de scheuten van volgend jaar.
Vermeerderen
- Verdelen
- In september: spit een oude pol voorzichtig op, snijd de wortelstok in stukken met elk minstens 3 ogen en een paar vlezige wortels en plant ze meteen terug. Het herstel duurt een paar jaar.
- Zaaien
- Zaai vers zaad aan het eind van de zomer in een pot die je buiten laat staan. Het kiemt traag, vaak pas na een of twee winters, en tot de eerste bloei duurt het enkele jaren.
Hoe komt een fijnbladige pioen de winter door?
Winterhard tot −30 °C.
- Volledig winterhard tot ongeveer −30 °C: in België is geen bescherming nodig.
- Natte grond in de winter is gevaarlijker dan vorst: zorg voor goede afwatering.
- Een pot is niet ideaal, want de vlezige wortels hebben diepte nodig.
Ziektes en plagen
- Geen bloei: Meestal te diep geplant, te veel schaduw of net verplant. Plant de ogen ondieper en geef hem enkele jaren rust.
- Grauwe schimmel (Botrytis): Bruine, verwelkte knoppen en stengels met grijs schimmelpluis in een natte lente. Knip aangetaste delen weg, ruim het afval op en zorg voor lucht tussen de planten.
- Slakken: Ze vreten de jonge scheuten in maart–april. Raap ze ’s avonds op.
- Bruin blad in de zomer: Dat is geen ziekte: de plant gaat in zomerrust. Pas bij vlekken of schimmel moet je ingrijpen.
Het jaar rond
- Maart: Scheuten komen boven. Mest of compost naast de plant. Op slakken letten.
- April: Begin van de bloei.
- Mei: Bloei. Verwelkte bloemen wegknippen.
- Juni: Zaaddozen vormen zich, het blad begint te vergelen.
- Juli: Zomerrust: het blad verdort. De plek markeren.
- Augustus: Afgestorven blad tot aan de grond wegknippen.
- September: Planten, verplanten of verdelen.
- Oktober: Planten: laatste kans voor de winter.
- December: Rust. Zorg dat de grond niet nat blijft staan.
Gebruiken
Eetbaar en bruikbaar
Niet eetbaar. Pioenen zijn licht giftig, vooral de wortels en de zaden: opeten geeft misselijkheid, braken, buikpijn en diarree, bij kinderen en ook bij honden, katten en grazende dieren. In de herfst springen de zaaddozen open en tonen ze glanzende rode en blauwzwarte zaden, die kinderen graag oprapen: knip ze weg of laat kinderen er niet mee spelen. De wortel van de boerenpioen werd vroeger als geneesmiddel en de zaden als ketting voor baby’s die tandjes kregen gebruikt: doe dat niet. Het sap kan de huid irriteren: draag handschoenen bij het scheuren en verplanten. Bij inslikken: bel meteen het Antigifcentrum (in België 070 245 245) of je huisarts.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De naam pioen komt van Paeon, de geneesheer van de goden in de Griekse mythologie.
- Paeonia tenuifolia betekent letterlijk ‘pioen met dunne bladeren’: tenuifolia is Latijn voor ‘dunbladig’.
- In het wild groeit hij op steppen en droge hellingen van zuidoost-Europa tot de Kaukasus, vandaar de bijnaam steppepioen.