
Foto: Tigerente at German Wikipedia, CC BY-SA 3.0 · bron
Boom · Pinaceae
Alpenden
Pinus cembra
In andere talen: Pin cembro (Français) · Swiss pine (English)
De alpenden, ook wel arve genoemd, groeit van nature in de Alpen en de Karpaten, tot hoog in de bergen vlak onder de boomgrens. Het is een trage, groenblijvende den met een smalle, kegel- tot zuilvormige kroon die pas op oudere leeftijd breder wordt. De donkergroene naalden staan met vijf bijeen in bundels en zijn aan de binnenkant blauwwit gestreept, waardoor de boom een zilverachtige gloed krijgt. De jonge, paarsblauwe kegels gaan niet vanzelf open: de grote, eetbare zaden worden in de bergen door de notenkraker verspreid. Hij is zeer winterhard en past door zijn trage groei ook in kleinere tuinen.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Grond
Zand of leem
zuur tot neutraal
Winterhard
Volledig winterhard
tot -40 °C
Grootte
15 m
hoog, 6 m breed
| Hoogte | 15 m |
|---|---|
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
Herkennen
Hoe herken je een alpenden?
- Groeivorm
- Trage, groenblijvende boom van ongeveer 15 m hoog en 6 m breed; jong smal kegel- tot zuilvormig, op leeftijd breder en onregelmatiger.
- Naalden
- In bundels van vijf, 5–12 cm lang, vrij stijf; donkergroen aan de buitenkant, blauwwit gestreept aan de binnenkant.
- Kegels
- Eivormig, 5–8 cm, jong paarsblauw, later bruin; ze gaan niet vanzelf open.
- Schors
- Jong grijs en glad, later grijsbruin en gegroefd.
- Wortels
- Sterk wortelstelsel: verplant hem liefst jong en op de definitieve plek.
Planten: april–mei en september–oktober
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Zeer winterhard, tot ongeveer −40 °C.
- Trage groei en een smalle vorm van ongeveer 15 m hoog en 6 m breed: een sierlijke solitair of groepje, ook in kleinere tuinen.
- Groenblijvend, met zilvergroene naalden in bundels van vijf.
- Geen snoeien nodig en weinig onderhoud.
- De zaden zijn eetbaar, al krijg je ze in een tuin pas na vele jaren.
Waar staat een alpenden graag?
- Volle zon: hij houdt van een open, lichte plek.
- Frisse, goed doorlatende grond: zand of leem, zuur tot neutraal. Geen zware, natte klei.
- Normaal vochtig; geen langdurige droogte en geen natte voeten.
- Hij houdt van koele zomers en groeit minder goed in een hete, droge stadshoek of tegen een warme muur.
- Reken op 6 m breedte; door zijn trage groei duurt het vele jaren voor hij die bereikt.
- Licht
- Zon
- Grondsoort
- Zand of leem
- Zuurtegraad
- Zuur of neutraal
- Vocht
- Normaal
- Grootte
- 15 m hoog, 6 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -40 °C)
Mooi samen met
- Dwergrododendron: Houdt van dezelfde frisse, doorlatende grond en bloeit in het voorjaar.
- Struikhei: Lage, kleurrijke begroeiing in zure, doorlatende grond.
- Vetkruid: Stevig en droogtebestendig als onderbeplanting op een zonnige plek.
- Blauw schapengras: Blauwgrijze pollen die passen bij de zilvergroene naalden.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een alpenden?
Planten in april–mei en september–oktober.
- Plant in april–mei of in september–oktober, als de grond niet bevroren of te nat is.
- Graaf een plantgat twee keer zo breed als de kluit en even diep. Maak de wanden los zodat de wortels er makkelijk doorheen groeien.
- Zet de plant even diep als in de pot of kluit: de wortelhals blijft op grondniveau.
- Geef hem 5–6 m ruimte tot gebouwen en andere bomen; in een groepje kan hij op 3 m.
- Geef meteen een flinke gieter water, ook als het regent.
- Leg een laag mulch van schors of bladcompost rond de voet, zonder de stam te bedekken.
Verzorgen
- Water
- De eerste twee jaar bij droogte wekelijks flink water geven. Daarna alleen bij langdurige droogte.
- Bemesten
- Niet nodig. Op arme zandgrond in het voorjaar wat compost.
- Mulchen
- Schors of bladcompost houdt de grond koel en vochtig.
- Steun
- Een jonge boom op een winderige plek krijgt twee à drie jaar een paal.
- Controle
- Kijk in het voorjaar naar wollige pluisjes op de twijgen en naar kankerplekken met oranje blaasjes op takken.
Tip: Plant hem op een open plek met doorlatende grond en gun hem tijd: hij groeit vaak maar 10–20 cm per jaar. Verplant hem liever niet meer als hij eenmaal staat.
Wanneer snoei je een alpenden?
Wanneer: Hij hoeft niet gesnoeid: de smalle vorm krijgt hij vanzelf. Haal enkel dode, beschadigde of zieke takken weg als dat nodig is.
Hoe:
- Knip dode of beschadigde takken terug tot aan de stam of een zijtak.
- Neem een dubbele top weg en laat één sterke leider staan.
- Zieke takken (zie Problemen) snoei je terug tot in gezond hout; gooi ze bij het restafval en niet op de composthoop.
Let op: Snoei nooit in kaal hout zonder naalden: daaruit loopt een den niet meer uit.
Vermeerderen
- Zaaien
- De zaden hebben een koude periode nodig: laat ze enkele maanden in vochtig zand in de koelkast of buiten in een pot, en zaai ze in het voorjaar. Zaailingen groeien traag.
- Enten
- Selecties, zoals compacte of extra smalle vormen, worden door kwekers geënt; zaailingen zijn niet gelijk aan de moederplant.
Hoe komt een alpenden de winter door?
Winterhard tot −40 °C.
- Extreem winterhard, tot ongeveer −40 °C: geen bescherming nodig.
- In een pot: zet de pot beschut en wikkel hem in jute, zodat de wortels niet bevriezen. Geef water bij droog, vorstvrij weer.
Ziektes en plagen
- Blaasroest: Opgezwollen plekken met oranje blaasjes op takken en stam in het voorjaar, daarboven sterft de tak af. Snoei aangetaste takken weg tot in gezond hout en zet geen bessenstruiken (Ribes) vlak bij de den, want die zijn tussengastheer.
- Wolluis: Witte, wollige pluisjes op twijgen en stam. Spuit ze af met een krachtige waterstraal of borstel ze weg met zeepwater.
- Naaldval: Oude naalden worden na enkele jaren geel of bruin en vallen in de herfst af. Dat is normaal; bezorgd wordt je pas bij kale takken of veel dode naalden aan de buitenkant.
- Natte voeten: Gele naalden en kwijnende groei in zware, natte of verdichte grond. Zorg voor een goed doorlatende plek.
Het jaar rond
- Maart: Controleren op winterschade. Mulch vernieuwen.
- April: Planten. Nieuwe scheuten verschijnen. Controleren op blaasroest.
- Mei: Planten. Mulch aanbrengen. Water geven aan jonge bomen bij droogte.
- Juni: Water geven bij droogte. Controleren op wolluis.
- Juli: Water geven aan jonge bomen bij droogte.
- Augustus: Water geven bij hitte en droogte.
- September: Planten. De kegels kleuren bruin.
- Oktober: Planten. Naaldval is normaal. Nieuwe aanplant water geven.
- November: Potten beschut zetten of inpakken tegen vorst.
- December: Rust. Bij droog, vorstvrij weer potten water geven.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- In de bergen verspreidt de notenkraker, een vogel, de zaden: hij verstopt ze als wintervoorraad en vergeten zaden kiemen.
- Het geurige hout wordt in de Alpen gebruikt voor lambrisering en meubels.
- In het hooggebergte kunnen oude exemplaren enkele honderden jaren oud worden.