Kropaar (Dactylis glomerata)

Foto: Rasbak, CC BY-SA 3.0 · bron

Grasachtige plant · Grassenfamilie (Poaceae)

Kropaar

Dactylis glomerata

In andere talen: Dactyle aggloméré (Français) · Cock’s-foot (English)

Komt in België in het wild voor.

Kropaar is een stevig, inheems polgras van 30–120 cm dat in heel België zeer algemeen is. Je vindt het in hooilanden, weiden, bermen, dijken, akkerranden, bosranden en op braakliggende grond, vooral op voedselrijke, niet te natte grond. Je herkent het meteen aan de eenzijdige pluim met dichte kluwentjes aartjes aan stijve takken, die wat op een vogelpoot lijkt, en aan de platte, blauwgroene scheuten aan de voet. Het is een belangrijk voedergras voor vee. Zijn dichte pollen geven rupsen van dikkopjes en zandoogjes voedsel en bieden kevers en spinnen een schuilplaats in de winter.

  • Licht

    Zon of halfschaduw

    liefst wat zon

  • Vocht

    Droog tot normaal

    geen natte voeten

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -30 °C

  • Grootte

    1 m

    hoog, 0,4 m breed

  • Bloei

    mei–juli

Feiten op een rij
Snoeimaandenjuni en september
Hoogte1 m
Inheems in BelgiëJa
Bloeimei–juli

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Forse, losse tot dichte pol van 30–120 cm, zonder uitlopers; grijs- tot blauwgroen.
Blad
Vlak, 3–10 mm breed, ruw en grijsgroen. De scheuten zijn aan de voet opvallend plat, met gekielde bladscheden. Het tongetje is lang (tot 1 cm), wit en vliezig; er zijn geen oortjes.
Bloem
Eenzijdige pluim van 5–15 cm met dichte kluwentjes aartjes aan de uiteinden van stijve takken; de onderste tak staat wijd af. Bloeit van mei tot juli, met paarse tot gele helmknoppen.
Vrucht/Zaad
Aartjes met 2–5 bloempjes; de kroonkafjes hebben een gewimperde kiel en een kort naaldje. Het zaad rijpt in juli–augustus en valt makkelijk uit.
Wortels
Een diep en dicht vertakt vezelwortelstelsel, waardoor hij droogte goed verdraagt.
Verwarring met
Rietzwenkgras heeft ronde scheuten, duidelijke oortjes aan de voet van het blad en een lossere, gelijkmatige pluim. In bossen groeit een slankere, zeldzamere verwant met een lossere pluim en kroonkafjes zonder lange wimpers op de kiel.

Bloei: mei–juli · Snoeien: juni en september

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Waardplant voor de rupsen van onder meer het groot dikkopje, het zwartsprietdikkopje, het bont zandoogje en het koevinkje.
  • De dichte pollen zijn een winterschuilplaats voor loopkevers, spinnen en andere nuttige rovers; in Engeland zaait men het daarom op ‘keverbanken’ tussen de akkers.
  • Muizen en woelmuizen maken gangen en nesten tussen de pollen; vinken, mussen en andere zaadeters eten in de nazomer van het zaad.
  • Groeit bijna overal: in zon of lichte schaduw, op droge of vochtige grond, en blijft dankzij zijn diepe wortels ook in droge zomers groen.
  • Een oud en veel gebruikt voedergras, zowel voor hooi als om te begrazen.
  • Geeft structuur aan een ruige hoek: de pluimen blijven tot in de winter staan.

Waar staat een kropaar graag?

  • In het wild: hooilanden, weiden, bermen, dijken, akkerranden, bosranden, open bossen en braakliggende grond.
  • Zon tot halfschaduw; hij verdraagt meer schaduw dan de meeste weidegrassen.
  • Droge tot vochtige grond, het liefst voedselrijk: leem, klei of zand. Op natte grond die lang onder water staat, houdt hij het niet.
  • In de tuin: in een ruige hoek, een strook hoog gras langs een haag of een bloemrijk hooiland op voedselrijke grond. Op arme zandgrond blijft hij klein.

Mooi samen met

  • Glanshaver: Samen vormen ze het klassieke, bloemrijke hooiland op voedselrijke grond.
  • Knoopkruid: Paarse bloemen in juli–augustus voor bijen en vlinders.
  • Wilde peen: Witte schermen die zweefvliegen en kevers lokken.
  • Vogelwikke: Klimt door het hoge gras en bloeit paars; voedsel voor hommels.
  • Fluitenkruid: Witte schermen in april–mei langs dezelfde bosranden en bermen.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een kropaar?

  1. Meestal hoef je kropaar niet te planten: hij komt vanzelf in een stuk gras dat je minder vaak maait.
  2. Wil je toch zaaien, koop dan zaad van inheemse herkomst bij een kwekerij voor wilde planten, liefst in een mengsel met andere grassen en bloemen.
  3. Zaai van eind augustus tot oktober of in maart–april op losgemaakte, onkruidvrije grond. Strooi dun, hark licht in en druk aan; een koudeperiode is niet nodig.
  4. Houd de grond vochtig tot de kiemplantjes boven komen, na 1–3 weken.
  5. Zet losse planten of pluggen op 30–40 cm van elkaar.
  6. Steek nooit pollen uit in het wild of in een berm.

Verzorgen

Water
Niet nodig: met zijn diepe wortels doorstaat hij droge zomers. Geef alleen zaailingen water.
Bemesten
Nooit. Op bemeste grond verdringt hij de bloemen; arme grond houdt het grasland gevarieerd.
Maaien
In een bloemrijk hooiland twee keer per jaar: eind juni en in september. Hark het maaisel na een paar dagen bijeen en voer het af.
Woekeren
Overheerst kropaar je bloemenweide, maai dan de eerste jaren iets vroeger (begin juni) en voer het maaisel altijd af; zo verarmt de grond. Te grote pollen steek je uit met een spade.
Ruige hoek
Laat in een hoek of langs een haag een strook staan die je maar één keer per jaar of om het jaar maait: zo ontstaan pollen voor overwinterende insecten.

Tip: Wil je meer bloemen en minder kropaar, maai dan twee keer per jaar en voer het maaisel altijd af. Laat wel ergens een hoekje met kropaarpollen ongemaaid: daar overwinteren kevers en rupsen.

Snoeien en maaien

Snoeimaanden: juni en september.

Wanneer: Eind juni en in september, bij droog weer.

Hoe:

  • Maai op 5–10 cm hoogte met een zeis of balkmaaier.
  • Laat het maaisel 2–3 dagen liggen, zodat zaad kan uitvallen en kleine dieren kunnen wegkruipen, en voer het dan af.
  • Maai gefaseerd: laat telkens een deel staan als schuilplaats voor insecten.
  • Laat in een ruige hoek de pollen en pluimen in de winter staan: kevers, spinnen en rupsen overwinteren erin.

Let op: Gebruik geen klepelmaaier of cirkelmaaier: die doden veel insecten en amfibieën en laten fijn maaisel achter dat de grond verrijkt.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Zaad
Verzamel rijp zaad in juli–augustus en zaai het in september of in het voorjaar; het kiemt vlot zonder koudeperiode.
Delen
Steek in maart–april of in september een pol in stukken met een spade en plant ze meteen weer uit.

Hoe komt een kropaar de winter door?

Winterhard tot −30 °C.

  • Het blad blijft deels groen; de pollen kleuren grijsgroen tot strokleurig.
  • Volledig winterhard, tot ongeveer −30 °C.
  • Loopkevers, spinnen, lieveheersbeestjes en jonge rupsen overwinteren in de dichte pollen.
  • In een ruige hoek blijven de droge pluimen staan: mooi met rijp erop.

Ziektes en plagen

  • Overheersen: Op voedselrijke grond verdringt hij de bloemen. Twee keer per jaar maaien en het maaisel afvoeren verarmt de grond, zodat de bloemen terugkomen.
  • Hooikoorts: Het stuifmeel van kropaar is een belangrijke oorzaak van hooikoorts in mei–juni. Ben je gevoelig, maai hem dan bij terras of ramen voor de bloei, of laat hem verder van het huis groeien.
  • Roest: Oranje tot bruine puistjes op het blad in de nazomer, vooral bij warm, vochtig weer. Onschuldig voor de plant; maaien en het maaisel afvoeren helpt.
  • Verstikkingsziekte (Epichloë): Een schimmel die als een wit, later oranje kokertje rond de stengel groeit, zodat de pluim niet uitkomt. Knip aangetaste stengels weg; het probleem blijft meestal plaatselijk.

Het jaar rond

  • Maart: Nieuwe scheuten. Pollen delen of zaaien.
  • April: Zaaien op kale grond. De platte, blauwgroene scheuten groeien snel.
  • Mei: Begin van de bloei; veel stuifmeel in de lucht.
  • Juni: Volle bloei. Het hooiland eind juni maaien en het maaisel afvoeren.
  • Juli: Het zaad rijpt. Rupsen van dikkopjes eten van het blad.
  • Augustus: Nieuwe groei na het maaien. Zaad verzamelen.
  • September: Tweede maaibeurt in het hooiland. Zaaien of delen.
  • Oktober: Zaaien kan nog. De ruige strook laten staan.
  • December: De pollen bieden beschutting aan overwinterende insecten.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • Dactylis komt van het Griekse daktylos, vinger, naar de vingervormige takken van de pluim; glomerata betekent ‘tot kluwens samengepakt’.
  • In Noord-Amerika, waar hij als voedergras werd ingevoerd, heet hij orchard grass, ‘boomgaardgras’: een naam die verwijst naar zijn goede groei in de lichte schaduw van boomgaarden.
  • De Engelse naam cock’s-foot, ‘hanenpoot’, verwijst naar de pluim, die op een vogelpoot lijkt.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…