
Foto: Rasbak, CC BY-SA 3.0 · bron
Grasachtige plant · Grassenfamilie (Poaceae)
Gestreepte witbol
Holcus lanatus
In andere talen: Houlque laineuse (Français) · Yorkshire fog (English)
Komt in België in het wild voor.
Gestreepte witbol is een van de algemeenste grassen van België: een zacht behaarde, grijsgroene pol van 30–80 cm die je in weilanden, hooilanden, bermen, ruigtes, open bossen en tuinen tegenkomt. Hij houdt van vochtige, matig voedselrijke grond, maar groeit bijna overal. Van juni tot augustus draagt hij zachte, dichte pluimen die witachtig tot roze-paars kleuren. Je herkent hem het best aan de fluweelachtige beharing van blad en stengel en aan de roze-paarse strepen op de bladscheden aan de voet. Hij is de belangrijkste waardplant van het geelsprietdikkopje, maar kan in een bloemenweide op rijke grond de overhand nemen.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Normaal tot nat
mag niet uitdrogen
Winterhard
Volledig winterhard
tot -30 °C
Grootte
0,6 m
hoog, 0,3 m breed
Bloei
juni–augustus
| Snoeimaanden | juni en september |
|---|---|
| Hoogte | 0,6 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | juni–augustus |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Losse tot dichte pol van 30–80 cm, zonder kruipende wortelstokken.
- Blad
- Grijsgroen, vlak, 4–10 mm breed en aan beide kanten zacht, fluweelachtig behaard. De bladscheden aan de voet hebben roze-paarse strepen.
- Bloem
- Zachte, dichte pluim van 5–15 cm, wit, lichtgroen of roze-paars, van juni tot augustus; na de bloei spreidt ze wat open en verkleurt ze grijsachtig.
- Stengel
- Ook de halmen en de knopen zijn zacht behaard.
- Vrucht/Zaad
- Kleine zaadjes in bleke kafjes, met een kort, gekromd naaldje dat binnen het aartje verborgen blijft.
- Verwarring met
- Gladde witbol heeft kruipende wortelstokken, minder behaarde bladeren en stengels die alleen aan de knopen een baardje van haren hebben; zijn naaldjes steken buiten het aartje uit.
Bloei: juni–augustus · Snoeien: juni en september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- De belangrijkste waardplant van het geelsprietdikkopje, een klein oranje vlindertje van bloemrijke graslanden.
- Ook rupsen van andere graslandvlinders, zoals het bruin zandoogje en het bont zandoogje, eten van grassen als witbol.
- De zachte pluimen kleuren in juni roze en wit en zijn mooi in tegenlicht en in een veldboeket.
- Het zaad is voedsel voor vinken, mussen en andere zaadeters.
- Een makkelijk, inheems gras dat ook op natte en wat zure grond een groene grasmat vormt.
Waar staat een gestreepte witbol graag?
- In het wild: weilanden en hooilanden, wegbermen, slootkanten, ruigtes, open plekken in bossen en braakland.
- Zon tot halfschaduw.
- Vochtige tot natte, matig voedselrijke grond; groeit ook op zure en arme grond.
- In de tuin: in een natuurlijke weide, langs een poel of in een ruige hoek. In een bloemenweide op rijke grond houd je hem in toom door te maaien en af te voeren.
Mooi samen met
- Scherpe boterbloem: Glanzend gele bloemen in mei–juni in vochtige weiden.
- Echte koekoeksbloem: Roze, gerafelde bloemen op natte grond.
- Rode klaver: Voor hommels en bijen in dezelfde weide.
- Gewone margriet: Witte bloemen naast de roze-witte pluimen.
- Pinksterbloem: Lila bloemen in april en waardplant van het oranjetipje.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een gestreepte witbol?
- Meestal hoef je hem niet te zaaien: hij komt vanzelf op in een tuin die je minder vaak maait.
- Wil je hem toch inzaaien, gebruik dan een mengsel van inheemse grassen en wilde bloemen en zaai in september–oktober of in maart–april.
- Maak een fijn, onkruidvrij zaaibed, strooi dun en hark het zaad licht in.
- Houd het zaaibed vochtig tot de kieming, na 1–3 weken.
- Op rijke grond zaai je liever een schraler mengsel zonder witbol: hij komt er toch vanzelf bij.
- Haal nooit zoden of planten uit bermen of natuurgebieden; koop zaad van inheemse herkomst.
Verzorgen
- Water
- Niet nodig.
- Bemesten
- Nooit: op voedselrijke grond wordt hij dominant en verdringt hij bloemen.
- Maaien
- Maai als hooiland eind juni en in september en voer het maaisel af. Zo verschraalt de grond en krijgen bloemen meer ruimte.
- Woekeren
- Neemt hij te veel plaats in, maai dan een paar jaar al begin juni, voor hij zaad zet.
- Ruige strook
- Laat een stukje ongemaaid tot het volgende voorjaar: daar overwinteren de rupsjes van het geelsprietdikkopje in de pollen.
Tip: Laat langs je weide of haag een strook van een halve meter breed tot het voorjaar ongemaaid: zo overleven de rupsjes van het geelsprietdikkopje de winter in de witbolpollen.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: juni en september.
Wanneer: Eind juni en opnieuw in september, zoals een hooiland.
Hoe:
- Maai op 5–10 cm hoogte met een zeis, bosmaaier of balkmaaier.
- Laat het maaisel een paar dagen drogen en voer het dan af.
- Laat telkens een strook staan: rupsjes van het geelsprietdikkopje overwinteren in de bladscheden van de pollen.
Let op: Maai in de herfst niet de hele weide kort: dan verdwijnen de overwinterende rupsjes mee.
Vermeerderen
- Zaad
- Rijpt in juli–augustus en valt vlot uit; hij zaait zich makkelijk vanzelf uit op open grond.
- Delen
- In het voorjaar of de herfst een pol uitsteken en in stukken verdelen.
Hoe komt een gestreepte witbol de winter door?
Winterhard tot −30 °C.
- Het blad blijft grotendeels groen; oudere bladeren verkleuren grijs.
- Volledig winterhard, tot ongeveer −30 °C.
- In de pollen overwinteren rupsjes van dikkopjes en zandoogjes, en tal van andere insecten.
Ziektes en plagen
- Te dominant: Op rijke, vochtige grond kan hij een weide overnemen. Twee keer per jaar maaien en afvoeren verschraalt de bodem.
- Zaailingen in de border: Hij zaait zich uit in borders en moestuin. Wied jonge pollen voor ze zaad zetten.
- Hooikoorts: Zijn stuifmeel kan bij gevoelige mensen hooikoorts geven in juni–juli.
- Weinig gegeten door vee: Dieren eten hem minder graag door de beharing; in een paardenweide kan hij daardoor toenemen. Bijmaaien helpt.
Het jaar rond
- Maart: Zaaien van een weide kan.
- Mei: De pollen groeien snel. Rupsjes van dikkopjes eten van het blad.
- Juni: Bloei begint met roze-witte pluimen. Eind juni eerste maaibeurt.
- Juli: Bloei. Geelsprietdikkopjes vliegen.
- Augustus: Zaad rijpt en valt uit.
- September: Tweede maaibeurt, maaisel afvoeren. Een strook laten staan.
- Oktober: Zaaien van een weide.
- December: Rust; rupsjes overwinteren in de pollen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Lanatus betekent ‘wollig’, naar de zachte beharing van de hele plant.
- De Engelse naam Yorkshire fog verwijst vermoedelijk naar het oude woord ‘fog’ voor lang, ruig gras dat in de winter blijft staan.
- In Australië en Nieuw-Zeeland, waar hij ooit werd ingevoerd, geldt hij als een lastig onkruid.