
Foto: Didier Descouens, CC BY-SA 4.0 · bron
Kruidachtige plant · Anjerfamilie (Caryophyllaceae)
Ruige anjer
Dianthus armeria
In andere talen: Œillet velu (Français) · Deptford pink (English)
Komt in België in het wild voor.
De ruige anjer is een inheemse, een- of tweejarige anjer van droge, zonnige plekken: grazige bermen, akkerranden, droge graslanden en zomen van bossen en hagen, vooral op zand- en leemgrond. In België is hij vrij zeldzaam en vaak onbestendig: hij duikt op waar de grond open ligt en verdwijnt weer als het gras te dicht wordt. Je herkent hem aan de stijve, behaarde stengels met smalle, donkergroene bladeren en aan de kleine, felroze bloempjes met witte stipjes, die in dichte trosjes tussen lange, smalle, behaarde schutbladen zitten. Hij bloeit van juni tot augustus en lokt vlinders en andere insecten met een lange tong. Een fijne soort voor een schrale bloemenweide of een zonnig grindperk.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog
verdraagt droogte
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
0,4 m
hoog, 0,15 m breed
Bloei
juni–augustus
| Snoeimaanden | september |
|---|---|
| Hoogte | 0,4 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | juni–augustus |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Een- of tweejarige plant van 30–60 cm, met één of enkele stijve, rechtopgaande stengels die bovenaan wat vertakken. In het eerste jaar vaak alleen een lage rozet.
- Blad
- Smal lijnvormig, 3–8 cm lang, donkergroen en fijn behaard; tegenoverstaand en aan de voet rond de stengel met elkaar vergroeid.
- Bloem
- Klein, ongeveer 1 cm breed, met vijf felroze tot karmijnrode, getande kroonblaadjes met fijne witte stipjes. Ze zitten met enkele samen in dichte hoofdjes, omringd door lange, smalle, behaarde schutbladen die ongeveer even lang zijn als de kelk.
- Vrucht/Zaad
- Een langwerpige doosvrucht in de blijvende kelk, die bovenaan met vier tandjes opengaat. De zaden zijn klein, plat en zwart.
- Stengel
- Stijf, rond, met duidelijke knopen en vooral bovenaan behaard; daar komt de naam ‘ruig’ vandaan.
- Verwarring met
- Kartuizeranjer heeft grotere bloemen in hoofdjes met bruine, vliezige schutbladen en is kaal. Steenanjer heeft losse, grotere bloemen met een donkere ring en vormt matten. Kleine mantelanjer heeft piepkleine, bleekroze bloempjes tussen bruine, vliezige schutbladen. Duizendschoon uit de tuin heeft brede bladeren en grote, platte bloemtuilen.
Bloei: juni–augustus · Snoeien: september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- De felroze bloempjes bloeien van juni tot augustus, midden in de zomer, als veel voorjaarsbloeiers al uitgebloeid zijn.
- De nectar zit diep in een lange kelkbuis: vooral dag- en nachtvlinders met een lange tong kunnen erbij.
- Een zeldzame wilde anjer: met een paar planten in je tuin help je een soort die in het wild steeds minder plek vindt.
- Ideaal voor schrale, droge plekken waar weinig andere planten goed groeien: een zonnig talud, een grindtuin of de rand van een zandig pad.
- Hij zaait zichzelf uit op open grond, zodat je met een handvol zaad een blijvende populatie kunt krijgen zonder veel werk.
Waar staat een ruige anjer graag?
- In het wild: droge, grazige bermen, akkerranden, spoorwegtaluds, open plekken in droge graslanden en zonnige zomen van bossen en hagen.
- Hij heeft open grond nodig om te kiemen: in dicht, hoog gras verdwijnt hij na een paar jaar.
- In de tuin: volle zon, op een droge tot matig droge, goed doorlatende grond; zand, lemig zand of grindgrond, arm tot matig voedselrijk.
- Mooi in een schrale bloemenweide, een grindtuin, op een zonnig talud of langs een zandpad.
Mooi samen met
- Steenanjer: Een verwante wilde anjer die op dezelfde droge, zonnige plekken groeit en lage matten vormt.
- Gewone rolklaver: Gele bloemen in dezelfde periode, en waardplant voor het icarusblauwtje.
- Wilde marjolein: Bloeit in juli–augustus, lokt veel vlinders en houdt ook van droge grond.
- Knoopkruid: Paarse knopen in dezelfde schrale bloemenweide.
- Grasklokje: Fijne, blauwe klokjes op droge, arme grond.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een ruige anjer?
- Koop zaad of jonge planten bij een kwekerij voor inheemse planten. Haal nooit planten of zaad weg uit het wild: de populaties zijn klein en kwetsbaar.
- Zaai in september–oktober of in maart–april rechtstreeks ter plaatse, op open, onkruidvrije grond. Druk het zaad aan en bedek het hooguit met een dun laagje zand.
- Zaai je in een bestaande grasmat, krab dan eerst een paar open plekken vrij of steek plaatselijk de zode af.
- Jonge planten zet je in het voorjaar of de vroege herfst, in groepjes van 5–10, met 15–20 cm tussenruimte.
- Geef de eerste weken water bij droogte; daarna redt hij zich op eigen kracht.
- Omdat hij een- of tweejarig is, moet hij zich elk jaar opnieuw uitzaaien: laat de zaaddozen dus rijpen.
Verzorgen
- Water
- Alleen na het zaaien of planten bij droogte. Gevestigde planten verdragen droge zomers goed.
- Bemesten
- Niet doen. Op rijke grond groeien gras en ander kruid hem snel voorbij; schrale grond houdt hem sterk.
- Maaien
- In een bloemenweide maai je pas in september, als de zaden rijp en verspreid zijn. Voer het maaisel af. Op rijkere grond kun je in maart nog eens kort maaien, als de rozetten nog laag zijn.
- Open grond
- Krab na het maaien hier en daar de grond open, zodat de zaden een kiemplek vinden. Een paar molshopen of kale plekjes helpen ook.
- Zaad laten vallen
- Laat de stengels met zaaddozen staan tot ze bruin zijn en schud ze uit boven open grond.
Tip: Krab elk najaar na het maaien een paar handpalmgrote plekjes open en schud daar de rijpe zaaddozen boven uit: zo blijft deze kortlevende anjer jaren in je tuin.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: september.
Wanneer: In september, nadat de zaden gerijpt en uitgevallen zijn.
Hoe:
- Laat de bloeistengels na de bloei staan tot de doosvruchten bruin zijn en bovenaan openstaan.
- Schud de stengels uit of laat het maaisel een paar dagen liggen, zodat de zaden vrijkomen; voer het daarna af.
- Laat eventueel een deel van de droge stengels de hele winter staan als schuilplek voor kleine insecten.
- Maai of knip de groene rozetten van jonge planten niet weg: daaruit komen volgend jaar de bloemen.
Let op: Maai niet in juni of juli: dan verlies je bloei én zaad, en verdwijnt de plant na een of twee jaar.
Vermeerderen
- Zaad
- De enige echte manier. Zaai in september–oktober of maart–april op open grond of in een pot met zanderige zaaigrond. Het zaad kiemt meestal vlot, binnen 2–4 weken. Planten uit voorjaarszaad bloeien vaak pas het jaar nadien.
- Zelf uitzaaien
- Op een open, zonnige plek zaait hij zich vanzelf uit. Verplaats jonge rozetten in de herfst of het vroege voorjaar met een flinke kluit.
Hoe komt een ruige anjer de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- Planten die in de zomer of herfst gekiemd zijn, overwinteren als een kleine, groene rozet en bloeien het jaar erna.
- Bloeiende planten sterven na de zaadzetting af; hun droge stengels blijven vaak tot in de winter staan.
- Winterhard tot ongeveer −25 °C; natte, stilstaande grond in de winter verdraagt hij slechter dan vorst.
Ziektes en plagen
- Verdwijnt na een paar jaar: Meestal omdat er geen open grond meer is om te kiemen. Krab elk jaar plekjes open en maai laat.
- Verdrongen door gras: Op rijke grond groeit gras te snel. Maai en voer het maaisel af om de grond te verschralen, of zaai op een armere plek.
- Slakken: Vreten soms kiemplanten en jonge rozetten. Zaai wat ruimer en laat egels, loopkevers en padden hun werk doen.
- Rotte rozetten: Op natte, zware grond rotten de rozetten in de winter. Kies een goed doorlatende plek of meng zand door de grond.
Het jaar rond
- Maart: Zaaien op open grond kan nog. De rozetten worden groter.
- April: Jonge planten uitplanten. Kale plekjes openhouden.
- Juni: Begin van de bloei. Niet maaien.
- Juli: Volle bloei. Kijk naar vlinders op de bloemen.
- Augustus: Laatste bloemen en rijpende zaaddozen.
- September: Zaad oogsten of uitschudden. Maaien en maaisel afvoeren. Zaaien.
- Oktober: Zaaien of jonge rozetten verplanten.
- November: Rust: kleine, groene rozetten overwinteren.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De Engelse naam ‘Deptford pink’ verwijst naar Deptford, nu een wijk van Londen. Volgens sommige botanici beschreef de kruidkundige John Gerard daar eind 16e eeuw eigenlijk een andere anjer, zodat de naam bij de verkeerde soort terechtkwam.
- De geslachtsnaam Dianthus komt uit het Grieks en betekent ‘bloem van Zeus’.
- Ondanks de felle kleur bestuift de ruige anjer zich vaak zelf: zo kan ook een enkele, geïsoleerde plant zaad zetten.