
Foto: Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 · bron
Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)
Canadese fijnstraal
Erigeron canadensis
In andere talen: Vergerette du Canada (Français) · Canadian fleabane (English)
Komt in België in het wild voor.
Canadese fijnstraal is een eenjarige composiet uit Noord-Amerika die al sinds de 17e eeuw in Europa groeit en vandaag een van de gewoonste planten van open, verstoorde grond is. Je vindt hem in heel België: op braakliggende terreinen, in bermen, langs spoorwegen, tussen straatstenen, op grindpaden, in akkers en moestuinen, vooral op droge, zandige grond. Herken hem aan de ene, stijve, dicht bebladerde stengel met smalle, behaarde bladeren, die bovenaan uitloopt in een lange pluim met honderden piepkleine, witachtige bloemhoofdjes van 3–5 mm. Na de bloei wordt de pluim één grote wolk van vuilwit pluis, en elk zaadje vliegt met de wind weg. Voor insecten heeft hij weinig te bieden, al bezoeken kleine vliegjes, zweefvliegen en bijtjes de bloempjes. In de tuin trek je hem het best uit voor hij zaad zet.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
0,8 m
hoog, 0,3 m breed
Bloei
juni–oktober
| Snoeimaanden | juli–augustus |
|---|---|
| Hoogte | 0,8 m |
| Inheems in België | Nee, ingeburgerd |
| Bloei | juni–oktober |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Eenjarige plant van 20–150 cm met één rechtopstaande, stijve, behaarde stengel die tot bovenaan dicht bebladerd is en pas in het bovenste deel vertakt tot een lange, smalle pluim.
- Blad
- Smal lijn- tot lancetvormig, 2–10 cm, lichtgroen, met stijve haartjes langs de rand; de onderste bladeren soms met een paar tandjes. In de herfst en winter vormen jonge planten een plat rozet.
- Bloem
- Honderden piepkleine hoofdjes van 3–5 mm, met korte, witachtige lintbloempjes die nauwelijks boven het omwindsel uitsteken en een geelachtig hart. Bloei van juni tot oktober, vooral in juli–september.
- Vrucht/Zaad
- Heel kleine, langwerpige zaadjes met een vuilwit pluisje, die met de wind ver wegvliegen. Eén plant maakt enorm veel zaad.
- Wortels
- Een penwortel met fijne zijwortels; jonge planten zijn makkelijk uit te trekken, oude planten in droge grond iets moeilijker.
- Verwarring met
- Hoge fijnstraal, ook uit Amerika, is grijzer en ruwer behaard, wordt vaak hoger en heeft geen zichtbare witte lintbloempjes. Scherpe fijnstraal is een inheemse soort met minder, maar grotere hoofdjes en lila lintbloempjes.
Bloei: juni–oktober · Snoeien: juli–augustus
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een pionier die kale, verstoorde grond snel begroeit en de bodem zo een beetje beschermt tegen uitdrogen en wegspoelen.
- De piepkleine bloempjes van juni tot oktober geven wat nectar en stuifmeel aan kleine vliegjes, zweefvliegen en bijtjes.
- Een leerrijk voorbeeld van een plant die met de mens is meegereisd: hij kwam al in de 17e eeuw uit Noord-Amerika naar Europa.
- Een wegwijzer in je tuin: veel fijnstraal betekent veel kale grond die je beter kunt bedekken met inheemse planten of mulch.
Waar staat een Canadese fijnstraal graag?
- In het wild: braakliggende grond, bermen, spoorwegterreinen, bestrating, grindpaden, akkers, stadsterreinen en verstoorde duinen.
- Volle zon; in de schaduw kiemt en groeit hij slecht.
- Vooral droge, zandige, goed doorlatende grond, maar hij groeit bijna overal waar de grond kaal is.
- In de tuin: verschijnt vanzelf in de moestuin, de border, het grind en tussen tegels, vooral na het omspitten of op nieuw aangelegde grond.
Mooi samen met
- Wilde peen: Een inheemse tweejarige voor droge, ruige plekken, met veel meer waarde voor insecten.
- Gewone rolklaver: Een lage, inheemse bodembedekker die kale zandgrond bedekt en waardplant is voor het icarusblauwtje.
- Muurpeper: Bedekt kale grind- en zandplekjes, zodat fijnstraal minder kans krijgt.
- Slangenkruid: Een inheemse pionier van droge, open grond, die veel meer bijen lokt.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een Canadese fijnstraal?
- Plant of zaai hem niet: hij komt overal vanzelf en zaait zich met de wind sterk uit.
- Wil je toch een paar planten voor de insecten, laat ze dan staan in een ruige hoek, ver van de moestuin en de border, en knip de pluimen af na de bloei.
- Voorkom kieming door kale grond te bedekken: met een laag mulch, met bodembedekkers of door dichter te planten.
- Spit niet onnodig om: zo breng je zaad uit de bodem naar boven, waar het aan de oppervlakte kiemt.
- Trek jonge rozetten in de herfst of het voorjaar uit als de grond vochtig is: dan komt de penwortel makkelijk mee.
- Neem nooit planten uit het wild of van braakliggende grond mee om ze elders te zetten: zo verspreid je alleen zijn zaad.
Verzorgen
- Wieden
- Trek of schoffel jonge rozetten weg in oktober–november en maart–april, voor de stengel omhoogschiet.
- Voor de zaadzetting
- Trek bloeiende planten uit voor het pluis verschijnt, ten laatste in juli–augustus. Eén plant die zaad zet, geeft volgend jaar een tapijt van zaailingen.
- Afvoeren
- Planten met zaad gaan in de GFT-container of bij het restafval, niet op de eigen composthoop.
- Bodem bedekken
- Een laag mulch van 5 cm of een dichte beplanting houdt het licht weg en voorkomt kieming.
- Bemesten
- Niet van toepassing: hij groeit juist goed op arme, kale grond.
Tip: Bedek kale grond: fijnstraal kiemt vooral aan de oppervlakte van open grond. Een laag mulch of een dichte beplanting met inheemse bodembedekkers is de beste en makkelijkste bestrijding.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: juli–augustus.
Wanneer: In juli–augustus, voor het zaad rijp is.
Hoe:
- Trek de hele plant met wortel en al uit; afknippen helpt minder, want hij loopt dan vaak opnieuw uit met zijstengels.
- Lukt uittrekken niet, knip de pluim dan af voor hij pluist en stop hem meteen in een zak.
- Laat je een paar planten staan voor de insecten, knip de pluimen dan af zodra de bloei voorbij is.
- Maai ruige stukken in de zomer, voor de hoofdjes uitgepluisd zijn.
Let op: Wacht niet tot de pluim wit en pluizig is: dan vliegt het zaad bij elke aanraking weg.
Vermeerderen
- Zaad
- Hij verspreidt zich alleen met zaad, maar dan wel massaal: de lichte pluisjes vliegen met de wind ver weg en kiemen op elke kale plek, vooral in de herfst en het voorjaar.
- Met grond en machines
- Zaad reist ook mee met grond, aangevoerd zand, autobanden en maaimachines. Maak je gereedschap schoon na het werk op een plek vol fijnstraal.
Hoe komt een Canadese fijnstraal de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- Planten die in de nazomer of herfst kiemen, overwinteren als een plat, behaard rozet en schieten in het voorjaar door.
- Volledig winterhard; de oude planten sterven na de zaadzetting af.
- Dode, verdorde stengels blijven vaak tot in de winter staan en laten dan nog steeds zaad vallen: ruim ze op.
Ziektes en plagen
- Massale uitzaai: Op kale grond verschijnen soms honderden zaailingen tegelijk. Schoffel ze op een droge dag als ze nog klein zijn en bedek daarna de grond.
- Tussen tegels: In voegen is hij moeilijk uit te trekken. Gebruik een voegkrabber, liefst als de voegen vochtig zijn; kokend water werkt ook bij jonge plantjes.
- In de moestuin: Hij concurreert met jonge groenten om water en licht. Wied vroeg en houd de grond tussen de rijen bedekt met mulch.
- Na grondwerken: Op nieuw aangelegde of omgespitte grond komt hij massaal op. Zaai of plant meteen in, zodat de grond niet lang kaal blijft.
Het jaar rond
- Maart: Overwinterde rozetten uittrekken.
- April: Zaailingen schoffelen. Kale grond bedekken met mulch.
- Mei: De stengels schieten omhoog: nu zijn ze nog makkelijk uit te trekken.
- Juni: Eerste bloei. Planten in de moestuin en de border uittrekken.
- Juli: Volle bloei. Uittrekken voor het zaad rijp is.
- Augustus: De eerste pluizen. Laatste kans om planten weg te halen voor ze zaad verspreiden.
- September: Het zaad vliegt. Uitgetrokken planten in de GFT-container of het restafval.
- Oktober: Nieuwe rozetten schoffelen op een droge dag.
- November: Rozetten uittrekken als de grond vochtig is.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Volgens een oud verhaal kwam het eerste zaad naar Europa in de opvulling van een opgezette vogel uit Canada; zeker is dat hij al in de 17e eeuw in Europa groeide.
- De naam fijnstraal slaat op de heel fijne, korte lintbloempjes, de ‘stralen’ van de bloemhoofdjes.
- Hij werd lang in een apart geslacht geplaatst, Conyza, en onder de naam Conyza canadensis vind je hem nog in veel boeken.