
Foto: Wikimedia Commons, Public domain · bron
Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)
Akkerkool
Lapsana communis
In andere talen: Lampsane commune (Français) · Nipplewort (English)
Komt in België in het wild voor.
Akkerkool is een eenjarige, soms tweejarige plant uit de composietenfamilie, met kleine, lichtgele bloemhoofdjes aan een ijle, rijk vertakte stengel. Je vindt hem overal in België: in bosranden, langs heggen en muren, in parken, moestuinen en op braakliggende grond, vaak op een wat beschaduwde, voedselrijke plek. Je herkent hem aan de vele hoofdjes van 1,5–2 cm die ’s ochtends opengaan en in de vroege namiddag alweer dicht zijn, aan het onderste blad met een grote, ronde eindslip en aan het witte melksap in de stengel. Anders dan bij de meeste gele composieten hebben de zaadjes geen pluis. Voor de tuinier is het vooral een onkruid dat makkelijk te wieden is, maar zweefvliegen, kleine bijen en zaadetende vogels hebben er wel wat aan.
Licht
Zon tot schaduw
niet kieskeurig
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -20 °C
Grootte
0,6 m
hoog, 0,3 m breed
Bloei
juni–september
| Snoeimaanden | augustus–september |
|---|---|
| Hoogte | 0,6 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | juni–september |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Rechtopgaande, eenjarige plant van 20–100 cm, bovenaan sterk en ijl vertakt. De stengel is onderaan wat behaard en bevat wit melksap.
- Blad
- Onderste bladeren liervormig: een grote, eironde, getande eindslip met een paar kleine slipjes aan de steel. Hogere bladeren kleiner, eirond tot lancetvormig en zittend.
- Bloem
- Lichtgele hoofdjes van 1,5–2 cm met alleen lintbloemen, ongeveer 8–15 per hoofdje, in een losse pluim. Ze gaan ’s ochtends open en sluiten in de vroege namiddag en bij somber weer.
- Vrucht/Zaad
- Smalle, licht gebogen, geribde nootjes van 3–5 mm zonder pluis. Na de bloei sluiten de omwindselblaadjes zich als een kokertje rond de zaadjes.
- Wortels
- Korte penwortel met fijne zijwortels: de plant laat zich makkelijk uittrekken.
- Verwarring met
- Klein streepzaad en andere gele composieten hebben zaadjes met wit pluis. Muursla heeft hoofdjes met maar vijf lintbloemen en scherp ingesneden blad. Melkdistels zijn forser, met stekelig getand blad. Akkerkool: kleine hoofdjes, geen pluis en een grote eindslip aan het onderste blad.
Bloei: juni–september · Snoeien: augustus–september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Bloeit van juni tot in september en geeft stuifmeel en nectar aan zweefvliegen, kleine solitaire bijen en vliegen. Zijn waarde voor insecten is wel bescheiden: de hoofdjes zijn klein en maar een paar uur per dag open.
- Zaadetende vogels zoals vinken en mussen pikken in de nazomer de zaadjes op.
- Groeit in de halfschaduw onder heggen en aan de voet van muren, waar weinig andere wilde bloemen bloeien.
- Het jonge blad is eetbaar en werd vroeger als bladgroente of in salade gegeten: vandaar het ‘kool’ in de naam.
- Een handige aanwijzer: waar akkerkool welig tiert, is de grond voedselrijk en vrij vochtig.
Waar staat een akkerkool graag?
- In het wild in bosranden, op kapvlakten, langs heggen, holle wegen en muren, en als onkruid in akkers, moestuinen en plantsoenen.
- Halfschaduw is ideaal, maar hij groeit ook in de volle zon en in vrij diepe schaduw.
- Voedselrijke, humeuze grond die niet uitdroogt: leem, klei of verrijkt zand.
- In de tuin hoort hij thuis in een wilde rand, een houtkant of de zoom van een heg, niet in een verzorgde border.
Mooi samen met
- Robertskruid: Groeit in dezelfde halfschaduw van heggen en bosranden en bloeit maandenlang roze.
- Look-zonder-look: Nog een zoomplant van voedselrijke grond, met witte bloempjes in april–mei; waardplant voor het oranjetipje.
- Dagkoekoeksbloem: Roze bloemen in dezelfde halfschaduwrijke zoom, van mei tot in de zomer.
- Gele dovenetel: Een vroege bloeier onder heggen, voor hommels in het voorjaar.
- Grote brandnetel: Waardplant voor dagpauwoog en atalanta; samen vormen ze een rijke, wilde zoom.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een akkerkool?
- Meestal hoef je niets te doen: akkerkool komt vanzelf, met zaad uit de buurt, met aangevoerde grond of met potplanten.
- Wil je hem bewust een plek geven, zaai dan in september–oktober of in maart–april zaad uit je eigen tuin of van een kwekerij voor inheemse planten.
- Strooi het zaad dun op losgemaakte grond en hark het licht in; het kiemt binnen enkele weken.
- Dun uit tot 20–30 cm tussen de planten. Water geven is alleen nodig als het na het zaaien lang droog blijft.
- Kies een plek in een wilde rand of zoom, waar hij zich mag uitzaaien zonder je moestuin over te nemen.
- Haal nooit planten of zaad weg uit natuurgebieden: verzamel zaad alleen in je eigen tuin of met toestemming.
Verzorgen
- Water
- Niet nodig, behalve voor jonge zaailingen in een droog voorjaar.
- Bemesten
- Niet doen. Op rijke grond wordt hij hoog en slap; op armere grond blijft hij compacter.
- Wieden
- In de moestuin trek je de rozetjes in het voorjaar uit of schoffel je ze los, liefst voor de bloei. De korte wortels laten makkelijk los.
- Woekeren
- Eén plant geeft veel zaad, dat een tijd in de grond kiemkrachtig blijft. Een laag mulch op de moestuinbedden remt het kiemen.
- Zaad laten vallen
- Laat in een wilde hoek een paar planten uitbloeien: zo houd je hem, en de vogels hebben er zaad aan.
Tip: Wied akkerkool in de moestuin voor hij bloeit, maar laat in een wilde hoek onder de heg een paar planten staan: zo heb je de voordelen zonder de last.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: augustus–september.
Wanneer: In augustus–september, na de bloei, als je wilt voorkomen dat hij zich te sterk uitzaait.
Hoe:
- Knip of trek uitgebloeide stengels weg voor de zaadjes rijp zijn, als je minder zaailingen wilt.
- Wil je zaad voor de vogels, laat dan een deel staan tot het zaad rijp is en ruim de planten pas daarna op.
- Afgestorven planten mogen op de composthoop, liefst voor de zaadjes rijp zijn.
- Laat in een wilde rand een paar dode stengels tot het voorjaar staan als schuilplaats voor kleine insecten.
Vermeerderen
- Zaad
- Akkerkool vermeerdert zich alleen met zaad. Zaai in het najaar of het vroege voorjaar; zaailingen uit de herfst overwinteren als rozet en bloeien het volgende jaar vroeger.
- Zelf uitzaaien
- Laat een paar planten hun zaad laten vallen. Houd in het voorjaar de zaailingen die op een goede plek staan en wied de rest.
Hoe komt een akkerkool de winter door?
Winterhard tot −20 °C.
- Akkerkool is eenjarig: de planten sterven na de zaadzetting af.
- Zaailingen uit de herfst overwinteren als kleine bladrozet en zijn volledig winterhard.
- Het zaad overwintert in de grond en kiemt in het voorjaar.
Ziektes en plagen
- Te veel zaailingen: In moestuin en border kan hij massaal opkomen. Schoffel bij droog weer, wied voor de bloei en houd kale grond bedekt met mulch.
- Bladluis: Op de bloeistengels zitten soms luizen. Laat ze gerust: ze zijn voedsel voor lieveheersbeestjes, zweefvliegenlarven en mezen.
- Roest: Oranje of bruine puistjes op de bladeren komen geregeld voor. Het is een roest die vooral op akkerkool leeft; je hoeft er niets aan te doen.
- Omvallen: Op heel rijke, schaduwrijke grond wordt hij lang en valt hij om. Dat is geen ramp; laat hem anders op een wat lichtere plek groeien.
Het jaar rond
- Maart: Zaailingen kiemen. Zaaien op een kale plek in een wilde rand.
- April: De rozetten groeien. In de moestuin wieden of schoffelen.
- Mei: De stengels schieten op. Wied wat je niet wilt houden, voor de bloei.
- Juni: Begin van de bloei: kijk ’s ochtends, dan staan de hoofdjes open.
- Juli: Volle bloei. Zweefvliegen bezoeken de bloemen.
- Augustus: Bloei en eerste rijpe zaadjes. Uitgebloeide stengels wegknippen als je minder zaailingen wilt.
- September: Laatste bloei. Zaad laten vallen of verzamelen; afgestorven planten opruimen.
- Oktober: Zaailingen uit de herfst verschijnen. Zaaien voor bloei volgend jaar.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De Engelse naam nipplewort verwijst naar de bloemknoppen, die op tepeltjes lijken. Volgens de oude signatuurleer gebruikte men de plant daarom vroeger bij pijnlijke tepels.
- Omdat de zaadjes geen pluis hebben, vallen ze gewoon onder de plant of liften ze mee met modder aan schoenen, gereedschap en wielen.
- De naam akkerkool verwijst naar het eetbare blad, dat vroeger als bladgroente werd gegeten.