Foto: Teun Spaans, CC BY 2.5 · bron
Vaste plant · Lamiaceae
Gele dovenetel
Lamium galeobdolon
In andere talen: Lamier jaune (Français) · Yellow archangel (English)
De gele dovenetel is een inheemse vaste plant van loofbossen, houtwallen en schaduwrijke bermen in grote delen van Europa, ook in Vlaanderen. Hij vormt met lange, bovengrondse uitlopers een losse mat van eironde, getande bladeren, zo’n 30 cm hoog en tot 1 m breed. Van april tot juni staan er kransen van heldergele lipbloemen met een roodbruine tekening langs rechtopgaande stengels. Tuiniers waarderen hem omdat hij ook in diepe schaduw groeit en kale plekken snel bedekt. In tuinen zie je vaak de zilverbladige vorm (subsp. argentatum, ook verkocht als ‘Florentinum’), die veel sterker woekert dan de wilde plant.
Let op: Vooral de zilverbladige tuinvorm woekert sterk met lange uitlopers en verwildert makkelijk in bossen, waar hij de inheemse bosplanten verdringt. Plant hem niet naast een bos, park of natuurgebied en gooi snoeiafval nooit in de natuur.
Licht
Halfschaduw of schaduw
verdraagt weinig zon
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Grond
Zand, leem of klei
elke zuurtegraad
Winterhard
Volledig winterhard
tot -30 °C
Grootte
0,3 m
hoog, 1 m breed
Bloei
april–juni
| Snoeimaanden | juli |
|---|---|
| Hoogte | 0,3 m |
| Inheems in België | Ja |
| Goed voor bijen, vlinders en vogels | Ja, voor bijen |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
| Bloei | april–juni |
Herkennen
Hoe herken je een gele dovenetel?
- Groeivorm
- Losse mat van zo’n 30 cm hoog, met rechtopgaande bloeistengels en lange, kruipende uitlopers tot 1 m en meer.
- Blad
- Eirond, getand en tegenoverstaand, groen; bij de tuinvorm met zilveren vlekken. In zachte winters blijft een deel van het blad staan.
- Bloem
- Heldergele lipbloemen met roodbruine tekening, in kransen in de bladoksels, van april tot juni.
- Stengel
- Vierkant, zoals bij alle lipbloemigen; de uitlopers wortelen waar ze de grond raken.
Bloei: april–juni · Planten: maart–april en september–oktober · Snoeien: juli
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Groeit in diepe schaduw, ook onder bomen, waar bijna niets anders bloeit.
- Inheems en waardevol voor hommels en andere bijen in het voorjaar.
- Een snelle bodembedekker voor kale, schaduwrijke plekken en hellingen.
- Heldergele bloemen in april–juni brengen licht in een donkere hoek.
- Past perfect in een natuurlijke tuin of bosrand, samen met andere inheemse bosplanten.
Waar staat een gele dovenetel graag?
- Halfschaduw of schaduw; in volle zon verbrandt het blad en droogt hij uit.
- Bijna elke humusrijke grond: zand, leem of klei, zuur tot kalkrijk.
- Normaal vochtig; eens ingeworteld verdraagt hij ook wat droogte onder bomen.
- Plant hem niet naast een bos of natuurgebied, en niet tussen kleine, tere planten.
- Reken op 40–60 cm tussen de planten; de mat sluit snel.
- Licht
- Halfschaduw en schaduw
- Grondsoort
- Zand, leem of klei
- Zuurtegraad
- Niet kieskeurig
- Vocht
- Normaal
- Grootte
- 0,3 m hoog, 1 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -30 °C)
Mooi samen met
- Bosanemoon: Witte voorjaarsbloemen in dezelfde bosrand; ze groeien in het wild vaak samen.
- Wilde hyacint: Blauwe bloemen tegelijk met de gele dovenetel, onder bomen.
- Varens: Fijn, groen blad boven de lage mat.
- Hulst: Een groenblijvende heester waaronder hij de grond bedekt.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een gele dovenetel?
Planten in maart–april en september–oktober.
- Plant in maart–april of in september–oktober, als de grond niet bevroren of te nat is.
- Maak de grond los en meng er wat bladcompost door.
- Zet de plant even diep als in de pot en druk de grond aan.
- Houd 40–60 cm tussen de planten.
- Geef meteen water en het eerste jaar opnieuw bij droogte.
- Kies een plek die begrensd is door een pad, een muur of een gazon dat je maait, zodat je hem in toom kunt houden.
Verzorgen
- Water
- Alleen het eerste jaar bij droogte; daarna zelden nodig.
- Bemesten
- Niet nodig: rijke grond maakt hem nog groeizamer.
- Terugknippen
- Knip na de bloei, in juli, de bloeistengels en lange uitlopers terug voor een compacte mat.
- Uitlopers inperken
- Trek of steek elk jaar de uitlopers weg die buiten hun plek groeien.
- Tuinafval
- Gooi uitgetrokken stukken nooit in de natuur: ze wortelen makkelijk opnieuw.
Tip: Plant de zilverbladige vorm alleen waar hij mag uitbreiden, bijvoorbeeld onder grote heesters tussen een pad en een muur; de wilde, groenbladige vorm is minder agressief.
Wanneer snoei je een gele dovenetel?
Snoeimaanden: juli.
Wanneer: In juli, na de bloei, knip je de plant terug. Uitlopers die te ver gaan, haal je weg zodra je ze ziet.
Hoe:
- Knip de uitgebloeide stengels en lange uitlopers terug tot zo’n 10 cm.
- Voor grote vlakken werkt een heggenschaar of een grasmaaier op de hoogste stand prima.
- Steek de rand van de mat in het voorjaar en de nazomer af met een spade.
Let op: Gooi snoeiafval en uitgetrokken planten niet in een bos of berm: stukjes stengel wortelen opnieuw.
Vermeerderen
- Uitlopers
- De makkelijkste manier: snijd in het voorjaar of de nazomer een bewortelde uitloper los en plant hem elders.
- Scheuren
- In maart–april of in september een stuk van de mat afsteken en meteen opnieuw planten.
- Stekken
- Kopstekken van niet-bloeiende scheuten wortelen in de zomer snel in vochtige stekgrond.
Hoe komt een gele dovenetel de winter door?
Winterhard tot −30 °C.
- Zeer winterhard, tot ongeveer −30 °C: in België is geen bescherming nodig.
- In zachte winters blijft een deel van het blad staan, vooral bij de zilverbladige vorm.
- Laat afgevallen blad van bomen gerust liggen: hij groeit er in het voorjaar doorheen.
Ziektes en plagen
- Woekeren: Vooral de zilverbladige vorm overgroeit buurplanten. Knip na de bloei terug en steek de rand elk jaar af.
- Verbrand blad: Bruine vlekken in de zon of bij droogte. Plant hem in de schaduw en geef water bij lange droogte.
- Meeldauw: Wit poeder op het blad in droge zomers. Knip de plant terug: er komt vers blad.
- Kale plekken: Oude matten worden in het midden open. Knip terug en vul aan met bewortelde uitlopers.
Het jaar rond
- Maart: Planten of scheuren. Rand van de mat afsteken.
- April: Begin van de bloei. De eerste hommels komen op bezoek.
- Mei: Volle bloei.
- Juni: Laatste bloei.
- Juli: Na de bloei terugknippen. Uitlopers inperken.
- Augustus: Uitlopers weghalen die te ver gaan. Kopstekken nemen.
- September: Planten of scheuren. Rand afsteken.
- Oktober: Planten. Bewortelde uitlopers verplanten.
- December: In zachte winters deels groen blad.
Gebruiken
Goed voor dieren
- Bijen
- Nectar en stuifmeel voor honingbijen en wilde bijen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Hoewel het blad op dat van een brandnetel lijkt, prikt een dovenetel niet: vandaar de naam ‘dove’ netel.
- In Vlaanderen en Groot-Brittannië geldt de wilde gele dovenetel als een typische plant van oude bossen.
- In Groot-Brittannië staat de zilverbladige vorm op de lijst van planten die je niet in het wild mag planten of laten verwilderen.