Foto: Mieoli, CC BY-SA 3.0 · bron
Dwergstruik · Vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
Kattendoorn
Ononis spinosa
In andere talen: Bugrane épineuse (Français) · Spiny restharrow (English)
Komt in België in het wild voor.
Kattendoorn is een stekelige, aan de voet houtige dwergstruik met roze vlinderbloemen die van juni tot september bloeit. Hij groeit op zonnige plekken met schrale, vaak kalkhoudende grond: dijken, schrale graslanden, bermen en kalkhellingen. In België is hij vrij zeldzaam, met groeiplaatsen op dijken en in schrale graslanden in Vlaanderen en in kalkgraslanden in het zuiden van het land. Je herkent hem aan de rechtopstaande, behaarde stengels vol scherpe doorns, het kleine, kleverige blad en de roze bloemen met een grote, geaderde vlag. Hommels en grote wilde bijen bezoeken de bloemen voor hun stuifmeel.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
0,5 m
hoog, 0,5 m breed
Bloei
juni–september
| Snoeimaanden | maart en september |
|---|---|
| Hoogte | 0,5 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | juni–september |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Rechtopstaande tot opstijgende dwergstruik van 30–60 cm, aan de voet houtig, vaak in een losse pol.
- Stengel
- Rood- tot bruinachtig, behaard in één of twee lijnen, met veel scherpe, vaak gepaarde doorns.
- Blad
- Klein, onderaan drietallig en bovenaan enkelvoudig, fijn getand en klierachtig behaard; voelt wat kleverig aan.
- Bloem
- Roze tot rozepaarse vlinderbloem van 1–2 cm met een grote, geaderde vlag, alleen of per twee in de bladoksels, van juni tot september.
- Vrucht
- Kleine, behaarde peul van 6–10 mm, even lang als of langer dan de kelk, met enkele zaden.
- Wortels
- Lange, taaie penwortel die diep in de grond gaat.
- Verwarring met
- Kruipend stalkruid is lager, kruipt en wortelt op de stengels, is rondom behaard en heeft weinig of zachte doorns.
Bloei: juni–september · Snoeien: maart en september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Bloeit de hele zomer, van juni tot september, met roze bloemen voor hommels en grote wilde bijen. De bloemen hebben geen nectar, maar wel veel stuifmeel.
- Waardplant voor rupsen van onder meer het icarusblauwtje.
- Een typische soort van bloemrijke dijken en kalkgraslanden, die je in een schrale tuin mee kan helpen bewaren.
- Grazers laten hem staan door zijn doorns, zodat hij in een begraasd grasland een veilige plek is voor insecten.
- Legt met de bacteriën in zijn wortelknolletjes stikstof uit de lucht vast.
Waar staat een kattendoorn graag?
- In het wild op dijken, in schrale en kalkrijke graslanden, in bermen en op zonnige hellingen.
- Volle zon; in de schaduw bloeit hij weinig en verdwijnt hij op den duur.
- Schrale grond: kalkhoudende leem of klei, of wat zand. Verdraagt zowel droogte als zware klei.
- In de tuin: in een bloemrijk hooiland, op een zonnig talud of in een droge border met wilde planten.
Mooi samen met
- Wilde marjolein: Bloeit tegelijk op dezelfde droge, kalkrijke grond en trekt vlinders.
- Gewone rolklaver: Een gele vlinderbloem en ook een waardplant voor blauwtjes.
- Knoopkruid: Paarse bloemen voor vlinders in een schraal hooiland.
- Kleine pimpernel: Een lage, kalkminnende soort voor de voorgrond.
- Geel walstro: Gele pluimen in de zomer op schrale, droge grond.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een kattendoorn?
- Koop planten of zaad bij een kweker van inheemse planten, liefst van regionale herkomst.
- Zaaien: maak de harde zaden ruw met schuurpapier of week ze een nacht, en zaai in de herfst of in maart–april in een pot of ter plaatse op open grond.
- Plant jonge planten in oktober–november of in maart–april; door de diepe penwortel verplant hij later slecht.
- Plant op 30–40 cm afstand, of zet er drie tot vijf samen in een hooiland.
- Geef alleen de eerste weken water bij droogte. Geen compost of mest.
- Graaf nooit planten uit op een dijk of elders in de natuur.
Verzorgen
- Water
- Niet nodig zodra hij geworteld is: zijn penwortel haalt water diep uit de grond.
- Bemesten
- Niet doen: op arme grond blijft hij compact en bloeit hij rijk.
- Maaien
- In een hooiland eenmaal per jaar maaien in september, na de bloei, en het maaisel afvoeren.
- Wieden
- Houd forse grassen en ruigte weg, zodat hij genoeg licht krijgt.
- Handschoenen
- Draag stevige handschoenen bij het wieden en maaien: de doorns zijn scherp.
Tip: Zaai kattendoorn op een zonnig talud of een schrale helling in je tuin, net zoals op een dijk: hoe armer en zonniger, hoe rijker hij bloeit.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: maart en september.
Wanneer: Maaien in september, na de bloei; in een border de dode stengels in maart wegknippen.
Hoe:
- Maai of knip de stengels in september op 5–10 cm boven de grond en voer het maaisel af.
- In een border mag je de dode stengels tot maart laten staan voor insecten, en ze dan net boven de nieuwe scheuten wegknippen.
- Laat in een hooiland elk jaar een stukje ongemaaid voor overwinterende insecten.
Let op: Draag handschoenen: de doorns breken makkelijk af in de huid.
Vermeerderen
- Zaad
- Zaden ruw maken of weken en in de herfst of het voorjaar zaaien. Kiemplanten vroeg in een diepe pot zetten.
- Zelf uitzaaien
- Op open, schrale grond zaait hij zich soms vanzelf uit; verplant zaailingen als ze nog klein zijn.
Hoe komt een kattendoorn de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- De stengels sterven voor een groot deel af; de houtige voet en de penwortel overwinteren.
- Laat je de dode, stekelige stengels staan, dan bieden ze insecten een schuilplek.
- Volledig winterhard.
- In het voorjaar lopen nieuwe scheuten uit vanuit de houtige voet.
Ziektes en plagen
- Verdwijnen: Op voedselrijke grond overgroeien grassen en ruigte hem. Maai elk jaar en voer het maaisel af.
- Te veel schaduw: Weinig bloei en slappe stengels. Verplant jonge planten naar een zonnige plek.
- Doorns: Pijnlijk bij het wieden en voor spelende kinderen. Plant hem niet naast een pad of speelplek.
- Moeilijk verplanten: Door zijn diepe penwortel slaat een oudere plant slecht aan. Plant jong.
Het jaar rond
- Maart: Dode stengels wegknippen. Zaaien.
- April: Nieuwe scheuten. Planten.
- Juni: Begin van de bloei.
- Juli: Volle bloei: hommels en bijen.
- Augustus: Bloei en de eerste rijpe peulen.
- September: Laatste bloemen. Maaien en maaisel afvoeren.
- Oktober: Zaaien in potten buiten. Planten.
- November: Planten.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De Engelse naam restharrow betekent ‘houdt de eg tegen’ en in het Frans heet hij ook arrête-bœuf, ‘ossenstopper’: de taaie wortels bleven vroeger in eg en ploeg haken.
- Een hommel die op de bloem landt, drukt de kiel omlaag, waarna het stuifmeel er als uit een pompje uit wordt geduwd.
- Kattendoorn en kruipend stalkruid zijn nauw verwant: sommige botanici zien ze als één soort, en ze kruisen ook met elkaar.