
Foto: Siélain, R., Public domain · bron
Struik · Rozenfamilie (Rosaceae)
Dauwbraam
Rubus caesius
In andere talen: Ronce bleuâtre (Français) · Dewberry (English)
Komt in België in het wild voor.
De dauwbraam is een lage, kruipende braam met dunne, ronde stengels die bedekt zijn met een blauwgrijs waslaagje. Hij is algemeen in heel België, vooral op vochtige, voedselrijke grond: langs rivieren en beken, op dijken, in ooibossen, bermen, akkerranden en in de duinen. Je herkent hem aan het blad met drie deelblaadjes, de grote witte bloemen en de blauwzwarte bramen met een grijze ‘dauw’ erop, die uit maar een paar dikke bolletjes bestaan. De bloemen trekken de hele zomer bijen en zweefvliegen aan, en de vruchten zijn eetbaar, al zijn ze zuurder dan gewone bramen.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Normaal tot nat
mag niet uitdrogen
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
0,5 m
hoog, 2 m breed
Bloei
mei–september
| Snoeimaanden | februari–maart |
|---|---|
| Hoogte | 0,5 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | mei–september |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Lage, kruipende tot losjes klimmende struik van 20–50 cm hoog, met stengels tot 2 m lang die over de grond kruipen en aan de top wortelen.
- Stengel
- Rond, dun, blauwgrijs berijpt (met een waslaagje dat je eraf kan wrijven) en met kleine, zwakke stekels.
- Blad
- Altijd drietallig: drie gezaagde, licht behaarde deelblaadjes, het middelste het grootst.
- Bloem
- Wit, 2–2,5 cm, met vijf brede, wat gekreukte kroonbladen, in kleine trossen, van mei tot september.
- Vrucht
- Blauwzwarte braam met een grijze waslaag, uit weinig maar grote deelvruchtjes, die makkelijk uit elkaar valt; rijp van juli tot oktober.
- Verwarring met
- Gewone braam heeft hoekige stengels met forse stekels, blad met meestal vijf deelblaadjes en glanzend zwarte vruchten met veel kleine bolletjes. Framboos heeft rode vruchten en blad met een witte onderkant.
Bloei: mei–september · Snoeien: februari–maart
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Bloeit lang, van mei tot september, met open bloemen vol nectar en stuifmeel voor honingbijen, wilde bijen, zweefvliegen en vlinders.
- De bramen zijn voedsel voor merels, lijsters, grasmussen en kleine zoogdieren.
- De lage, stekelige wirwar biedt schuilplaats aan egels, muizen en broedende vogels zoals de grasmus.
- Waardplant voor rupsen van verschillende nachtvlinders, zoals de braamvlinder.
- Een goede bodembedekker voor een talud of een wilde hoek waar weinig anders wil groeien.
- De vruchten zijn eetbaar: zuurder dan gewone bramen, lekker in jam of gemengd met ander fruit.
Waar staat een dauwbraam graag?
- In het wild op vochtige, voedselrijke en vaak kalkhoudende grond: rivieroevers, dijken, ooibossen, ruigtes, bermen en akkerranden, en ook in de duinen.
- Zon tot halfschaduw; in diepe schaduw bloeit hij nauwelijks.
- Een goede aanwijzer voor rijke, vochtige grond.
- In de tuin: op een talud, onder een haag, langs een sloot of in een wilde hoek waar hij mag uitbreiden.
- Reken op 1–2 m² per plant: hij breidt zich snel uit met wortelende stengels.
Mooi samen met
- Gewone vlier: Groeit op dezelfde rijke grond; bloemen en bessen voor insecten en vogels.
- Eenstijlige meidoorn: Samen een dichte, stekelige haagvoet waar vogels veilig broeden.
- Gewone smeerwortel: Bloeit tegelijk op vochtige, rijke grond en trekt hommels.
- Moerasspirea: Voor een vochtige ruigte langs een sloot.
- Grote brandnetel: Samen vormen ze een ruigte die vlinders en vogels voedsel en beschutting geeft.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een dauwbraam?
- Koop een plant bij een kweker van inheemse planten, of vraag een geworteld stengeltopje aan iemand die hem al in de tuin heeft.
- Plant in oktober–november of in maart, op een plek waar hij mag uitbreiden.
- Zet de planten op 1–1,5 m van elkaar; na een jaar of twee groeien ze aaneen.
- Geef water bij het planten en het eerste voorjaar bij droogte.
- Zaaien kan ook: zaai verse zaden in de herfst in een pot buiten; ze hebben een koude periode nodig en kiemen vaak pas na een of twee jaar.
- Graaf nooit planten uit in de natuur.
Verzorgen
- Water
- Alleen het eerste jaar bij droogte; daarna niet nodig.
- Bemesten
- Niet nodig: op rijke grond groeit hij al uitbundig.
- Woekeren
- Trek of steek elk jaar wortelende stengels uit die te ver gaan, en maai een rand rond de groep.
- Handschoenen
- Werk met stevige handschoenen: de stekels zijn klein maar talrijk.
- Ruigte laten staan
- Laat een deel van de wirwar ongemoeid als schuilplek voor vogels en egels.
Tip: Laat hem een talud of een moeilijk bereikbare hoek bedekken: daar wordt zijn woekerdrang een voordeel en hoef je bijna niets te doen.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: februari–maart.
Wanneer: Eind februari tot maart, voor de nieuwe scheuten uitlopen en voor het broedseizoen.
Hoe:
- Knip oude, dode stengels die al vrucht droegen aan de basis weg.
- Kort te lange stengels in, zodat de groep niet verder gaat dan je wil.
- Om de paar jaar mag je een stuk helemaal laag afmaaien: hij loopt snel weer uit.
- Snoei niet van april tot juli, als er vogels in kunnen broeden.
Let op: Snoei of maai niet in het broedseizoen: grasmussen en andere vogels nestelen graag laag in de bramen.
Vermeerderen
- Toppen laten wortelen
- In augustus–september de top van een stengel op de grond leggen en vastpinnen; in de lente loskoppelen en verplanten.
- Zaad
- Verse zaden uit rijpe bramen in de herfst buiten zaaien; ze hebben vorst nodig en kiemen traag.
- Afsteken
- In de herfst of het vroege voorjaar een bewortelde stengel met een stuk wortel afsteken.
Hoe komt een dauwbraam de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- In zachte winters blijft het blad deels aan de plant; in strenge winters valt het af.
- De stengels kleuren roodachtig tot blauwgrijs en geven wat kleur in de winter.
- De stekelige wirwar biedt beschutting aan vogels, muizen en insecten.
- Volledig winterhard.
Ziektes en plagen
- Woekeren: Stengels wortelen overal waar ze de grond raken. Houd de randen elk jaar bij.
- Roest: Oranje of zwarte puistjes op de onderkant van het blad. Onschuldig; knip aangetaste stengels in de winter weg.
- Weinig vruchten: Zoals andere bramen bloeit hij vooral op stengels van het tweede jaar: wie in de lente alle stengels wegknipt, verliest de bloei van dat jaar. Knip alleen oude, dode stengels.
- Stekels: De kleine, scherpe stekels haken in kleren en huid. Plant hem niet naast een pad of speelplek.
Het jaar rond
- Februari: Oude, dode stengels wegknippen.
- Maart: Laatste snoeibeurt. Planten.
- Mei: Begin van de bloei: bijen en zweefvliegen.
- Juni: Volle bloei. Niet snoeien: vogels broeden.
- Juli: Bloei en de eerste rijpe bramen.
- Augustus: Bramen plukken. Stengeltoppen laten wortelen.
- September: Laatste bloemen en vruchten.
- Oktober: Planten of verplanten. Zaad zaaien.
- November: Planten. De wirwar laten staan voor de dieren.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De naam verwijst naar de grijze waslaag op de vruchten, die eruitziet als dauw. Ook de Latijnse soortnaam caesius betekent blauwgrijs.
- Een braam is geen echte bes maar een verzameling kleine steenvruchtjes. Bij de dauwbraam zijn het er maar weinig, waardoor de vrucht er wat onvolledig uitziet.
- Dauwbraam kruist makkelijk met andere bramen, en die tussenvormen maken het determineren van bramen een hele uitdaging, zelfs voor kenners.