Oost-Indische kers (Tropaeolum majus)

Foto: Ji-Elle, CC BY-SA 3.0 · bron

Kruidachtige plant · Oost-Indische-kersfamilie (Tropaeolaceae)

Oost-Indische kers

Tropaeolum majus

In andere talen: Capucine (Français) · Nasturtium (English)

Komt van buiten Europa, maar staat hier veel in tuinen en parken.

De Oost-Indische kers is een snelgroeiende plant uit de Andes in Zuid-Amerika, waar hij als vaste plant groeit in bergstreken met milde winters. Bij ons overleeft hij de vorst niet en kweek je hem als eenjarige; in België groeit hij niet in het wild, maar hij is een vertrouwde gast in moestuinen, borders en bloembakken. Je herkent hem meteen aan de ronde, schildvormige bladeren met de steel in het midden en de gespoorde bloemen in oranje, geel en rood. Van juni tot de eerste vorst bloeit hij aan één stuk door, en hommels halen nectar uit de lange spoor. Blad, bloemen en groene zaden zijn eetbaar en smaken pittig, een beetje zoals tuinkers.

  • Licht

    Zon of halfschaduw

    liefst wat zon

  • Vocht

    Droog tot normaal

    geen natte voeten

  • Winterhard

    tot 0 °C

    beschermen in strenge winters

  • Grootte

    0,4 m

    hoog, 1 m breed

  • Bloei

    juni–oktober

Feiten op een rij
Snoeimaandennovember
Hoogte0,4 m
Inheems in BelgiëNee, aangeplant
Bloeijuni–oktober

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Kruipende of klimmende plant met sappige stengels van 1–3 m lang; struikvormige rassen blijven compact, 25–40 cm.
Blad
Rond en schildvormig, 5–15 cm, met de steel in het midden en nerven die als spaken uitstralen; blauwgroen en waterafstotend.
Bloem
Trechtervormig, 4–6 cm, met vijf kroonbladen en achteraan een lange spoor vol nectar. Oranje, geel, rood of roomkleurig, soms gevlekt.
Vrucht/Zaad
Een vrucht die uiteenvalt in drie geribbelde, erwtgrote deelvruchten, eerst groen en later beige.
Stengel en wortels
Sappige, breekbare stengels; de bladstelen draaien zich om steunen om te klimmen. Ondiepe, vezelige wortels.
Verwarring met
De kleine Oost-Indische kers (Tropaeolum minus) is in alle delen kleiner. De klimmende kanariekers (Tropaeolum peregrinum) heeft diep ingesneden blad en kleine, gele, gefranjerde bloemen.

Bloei: juni–oktober · Snoeien: november

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Bloeit maandenlang, van juni tot de eerste nachtvorst, zonder veel zorg.
  • Hommels met een lange tong halen nectar uit de spoor achteraan de bloem.
  • Waardplant voor de rupsen van het groot koolwitje, die ook op kool leven.
  • Eetbaar: de pittige bladeren en bloemen kleuren een salade, en de groene zaden kun je inleggen zoals kappertjes.
  • Bedekt snel kale grond, klimt tegen een hek of hangt over de rand van een bak of muur.
  • Makkelijk en snel: de grote zaden zijn ideaal om met kinderen te zaaien.

Waar staat een Oost-Indische kers graag?

  • In het wild: vochtige berghellingen en dalen in de Andes, in een klimaat zonder strenge vorst.
  • Zon of lichte halfschaduw; in de zon bloeit hij het rijkst.
  • Arme tot gewone, goed doorlatende grond: op rijke, bemeste grond maakt hij veel blad en weinig bloemen.
  • Ideaal langs de rand van de moestuin, tegen een hek, in bakken, hangmanden en op taluds.
  • Reken op 25–40 cm tussen de planten; kruipende rassen bedekken tot 1 m² per plant.

Mooi samen met

  • Zonnebloem: Hoge stengels waartegen hij kan opklimmen; samen een vrolijk zomerbeeld.
  • Goudsbloem: Oranje en geel in dezelfde moestuin, en ook eetbaar.
  • Courgette: Bedekt samen met de grote courgettebladeren de grond in de moestuin.
  • Bieslook: Paarse bolletjes en fijn blad als rand in de moestuin.
  • Cosmea: Luchtige, hoge bloemen achter de lage, kruipende kers.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een Oost-Indische kers?

  1. Koop zaad of jonge planten bij een tuincentrum of kwekerij; haal nooit planten uit het wild.
  2. Zaai vanaf half mei, na de laatste nachtvorst, rechtstreeks buiten, 2 cm diep, met 2–3 zaden per plek. Een koude periode is niet nodig.
  3. Wil je vroeger bloemen? Zaai in april binnen in losse potjes: hij houdt niet van verspenen.
  4. Houd 25–40 cm tussen de plekken en dun uit tot de sterkste plant.
  5. Geef na het zaaien water en houd de grond vochtig tot de kiemplanten boven staan, na 1–2 weken.
  6. Zet klimmende rassen naast een hek, gaas of stokken waar de bladstelen zich omheen kunnen draaien.

Verzorgen

Water
Geef in droge periodes water, vooral in bakken en potten. In volle grond verdraagt hij vrij veel droogte.
Bemesten
Niet nodig. Op arme grond bloeit hij het mooist; mest geeft vooral blad.
Leiden
Leid klimmende stengels naar een hek of laat ze vrij over de grond kruipen. Knip te lange uitlopers terug.
Oogsten
Pluk regelmatig blad en bloemen voor de keuken: dat stimuleert nieuwe bloei.
Zaad laten vallen
Laat een paar zaden vallen: na een zachte winter kiemen ze het volgende voorjaar vanzelf.

Tip: Zaai hem op de armste plek van de tuin en bemest hem nooit: hoe schraler de grond, hoe meer bloemen en hoe minder blad. Een nachtje weken laat het zaad sneller kiemen.

Snoeien en maaien

Snoeimaanden: november.

Wanneer: Snoeien is niet nodig. Ruim de afgevroren planten op in november.

Hoe:

  • Knip te lange of uitgebloeide stengels in de zomer terug: de plant loopt vlot opnieuw uit.
  • Verwijder geel blad onderaan om de plant fris te houden.
  • Na de eerste nachtvorst valt de plant zwart en slap: trek de resten uit of laat ze als mulch liggen.
  • Composteer de resten; ze verteren snel.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Zaad
De gewone manier: zaai vanaf half mei buiten of in april binnen in potjes. Oogst de rijpe, beige zaden in de nazomer en bewaar ze droog.
Stekken
Gevulde rassen vormen weinig zaad: neem in augustus stekken van 8–10 cm, laat ze wortelen in een glas water of in stekgrond en overwinter ze vorstvrij op een lichte plek.
Zelfuitzaai
Gevallen zaden kiemen na zachte winters vaak vanzelf; verplant de kiemplantjes in mei.

Hoe komt een Oost-Indische kers de winter door?

Winterhard tot 0 °C: beschermen in strenge winters.

  • Niet winterhard: de eerste nachtvorst doodt de plant.
  • De zaden in de grond overleven vaak de winter en kiemen in mei vanzelf.
  • Stekken van gevulde rassen kun je vorstvrij overwinteren op een koele, lichte plek binnen.
  • Laat de afgestorven stengels liggen als bodembedekking; ze verteren in de loop van de winter.

Ziektes en plagen

  • Rupsen van het koolwitje: Geelgroene rupsen met zwarte stippen eten de bladeren kaal. Pluk ze weg, of gun ze een paar planten: het is hun waardplant.
  • Zwarte bonenluis: Zwarte luizen op de stengels en onder de bladeren. Spuit ze af met water; lieveheersbeestjes en zweefvliegen ruimen ze op.
  • Slakken: Eten de kiemplanten. Zaai binnen voor of raap ze ’s avonds.
  • Veel blad, weinig bloemen: Te rijke grond of te veel schaduw. Bemest niet en zaai op een zonnige, schrale plek.
  • Late vorst: Een nachtvorst in mei doodt jonge planten. Zaai of plant pas na half mei uit.

Het jaar rond

  • April: Binnen zaaien in losse potjes.
  • Mei: Na half mei buiten zaaien of uitplanten.
  • Juni: Begin van de bloei. Klimmende stengels leiden.
  • Juli: Volle bloei. Bladeren en bloemen oogsten voor de keuken.
  • Augustus: Groene zaden inleggen. Stekken nemen van gevulde rassen.
  • September: Rijpe zaden oogsten en droog bewaren.
  • Oktober: Bloei tot de eerste nachtvorst.
  • November: Afgevroren planten opruimen of laten liggen als mulch.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • Linnaeus zag in de ronde bladeren schilden en in de bloemen bebloede helmen, als een zegeteken op een slagveld: daarom noemde hij de plant Tropaeolum, naar het Griekse tropaion, trofee.
  • Zijn dochter Elisabeth Christina Linnaea beschreef in 1762 dat de bloemen in de schemering lichtflitsen leken te geven. Vandaag weten we dat het om een optisch effect in ons oog gaat.
  • Waterdruppels rollen als parels van het blad: het oppervlak is zo waterafstotend dat het blad droog blijft.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…