
Foto: Fir0002, GFDL 1.2 · bron
Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)
Zonnebloem
Helianthus annuus
In andere talen: Tournesol (Français) · Sunflower (English)
Komt van buiten Europa, maar staat hier veel in tuinen en parken.
De zonnebloem is een eenjarige plant uit Noord-Amerika, waar de wilde vorm groeit op open, droge vlakten, langs wegen en op braakliggende grond. Inheemse volkeren teelden hem daar al duizenden jaren geleden voor de zaden, en in de 16de eeuw brachten de Spanjaarden hem naar Europa. In België groeit hij niet in het wild, maar hij is een vertrouwde verschijning in tuinen, moestuinen en op akkers. Je herkent hem aan de dikke, ruwe stengel, de grote hartvormige bladeren en het reusachtige bloemhoofd met gele lintbloemen rond een bruin hart vol pitten. Bijen en hommels halen er stuifmeel en nectar, en in de herfst smullen mezen en putters van de rijpe zaden.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Winterhard
tot 0 °C
beschermen in strenge winters
Grootte
2 m
hoog, 0,5 m breed
Bloei
juli–september
| Snoeimaanden | november |
|---|---|
| Hoogte | 2 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Bloei | juli–september |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Eenjarige plant met één dikke, rechte stengel, meestal 1,5–3 m hoog; vertakte rassen vormen een struikje met meerdere kleinere bloemen.
- Blad
- Groot, hart- tot eivormig, 10–30 cm, met een lange steel, gezaagde rand en ruwe haren; onderaan tegenoverstaand, hoger aan de stengel verspreid.
- Bloem
- Een bloemhoofd van 10–30 cm, bij reuzenrassen nog groter: gele lintbloemen rond een bruin tot purperbruin hart van honderden buisbloempjes in spiralen. Er zijn ook rassen in roomwit, oranje en roodbruin.
- Vrucht/Zaad
- Platte, druppelvormige nootjes, de ‘pitten’, zwart, grijs of gestreept, dicht opeen in spiralen in het hart.
- Stengel en wortels
- Dikke, ruw behaarde stengel vol wit merg; een diepe penwortel met veel zijwortels.
- Verwarring met
- Aardpeer (Helianthus tuberosus) is een vaste plant met eetbare knollen, smallere bladeren en veel kleinere bloemhoofdjes van 5–10 cm met een geel hart.
Bloei: juli–september · Snoeien: november
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Groeit in één seizoen van een zaadje tot een reus van 2–3 m: ideaal om samen met kinderen te zaaien.
- Bijen, hommels en zweefvliegen halen stuifmeel en nectar uit de honderden kleine buisbloempjes in het hart.
- De rijpe zaden zijn in de herfst voer voor mezen, putters, groenlingen en boomklevers.
- Een vrolijke zomerbloem en een stevige snijbloem van juli tot in de herfst.
- Eetbaar: geroosterde pitten zijn een bekende snack, en uit de zaden wordt zonnebloemolie geperst.
- Vormt snel een groen zomerscherm langs een hek of in de moestuin.
Waar staat een zonnebloem graag?
- In het wild: open, droge vlakten, wegbermen en braakliggende grond in het westen en midden van Noord-Amerika.
- Volle zon, zo veel mogelijk: in de schaduw groeit hij scheef naar het licht en bloeit hij slecht.
- Elke gewone, goed doorlatende tuingrond; hoe voedzamer de grond, hoe groter de plant.
- Een beschutte plek tegen een hek of muur voorkomt dat de hoge stengels omwaaien.
- Reken op 30–45 cm tussen kleine rassen en 50–60 cm tussen reuzen.
Mooi samen met
- Oost-Indische kers: Kruipt aan de voet en vult de lege grond tussen de hoge stengels met oranje en geel.
- Cosmea: Luchtige roze en witte bloemen op halve hoogte, ook geliefd bij bijen.
- Korenbloem: Een blauwe, eenjarige akkerbloem die je in dezelfde weken kunt zaaien.
- Goudsbloem: Lage oranje bloemen voor de voet, eetbaar en lang in bloei.
- Pompoen: Bedekt in de moestuin de grond tussen de zonnebloemen.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een zonnebloem?
- Koop zaad bij een tuincentrum of kwekerij, of gebruik eigen geoogst zaad; haal nooit planten uit het wild.
- Zaai van eind april tot in juni rechtstreeks buiten, 2–3 cm diep, met twee zaden per plek. Een koude periode is niet nodig.
- Wil je vroeger bloemen of heb je veel slakken? Zaai in april binnen in potjes en plant uit vanaf half mei.
- Dun uit tot de sterkste kiemplant per plek, op 30–60 cm afstand naargelang het ras.
- Geef water na het zaaien en houd de grond vochtig tot de kiemplanten boven staan; daarna enkel bij droogte.
- Zet bij hoge rassen meteen een stevige paal, zodat je later de wortels niet beschadigt.
Verzorgen
- Water
- Bij droogte royaal water aan de voet, vooral als de bloemknop zich vormt. Liever af en toe veel dan elke dag een beetje.
- Bemesten
- Voor reuzenrassen helpt wat compost bij het zaaien. Gewone tuinzonnebloemen hebben geen extra mest nodig.
- Steun
- Bind hoge planten losjes aan een paal: een zomerstorm kan zware stengels knakken.
- Uitgebloeide bloemen
- Bij vertakte rassen geeft wegknippen nieuwe bloemen. Laat bij de andere de hoofden rijpen voor de vogels.
- Zaad oogsten
- Wil je zelf zaad? Bescherm de rijpende hoofden met een papieren zak of gaas tegen de vogels en snijd ze af als de achterkant geel tot bruin kleurt.
Tip: Kies voor de bijen een ras met stuifmeel: sommige snijbloemrassen zijn stuifmeelvrij gekweekt zodat ze geen gele vlekken geven, maar daar hebben bijen niets aan.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: november.
Wanneer: Snoeien is niet nodig. Ruim de dode stengels op in november, of laat ze staan tot het voorjaar.
Hoe:
- Laat de zaadhoofden na de bloei aan de plant rijpen: mezen en putters pikken ze leeg.
- Snijd bij vertakte rassen tijdens de bloei regelmatig bloemen voor de vaas: zo komen er nieuwe bij.
- Knip de dode stengels in november af of laat ze tot het voorjaar staan; leg ze daarna op een takkenhoop voor insecten.
- Trek de wortels er niet uit: ze verteren in de grond en maken die luchtiger.
Vermeerderen
- Zaad
- De enige manier: zaai van eind april tot juni buiten of in april binnen. Zaad van F1-rassen geeft wisselende planten; zaad van gewone rassen lijkt op de ouders als er geen andere rassen in de buurt bloeiden.
- Zelf zaad oogsten
- Laat een hoofd volledig rijpen, droog het ondersteboven op een luchtige plek en wrijf de pitten eruit. Bewaar ze droog en koel tot het voorjaar.
Hoe komt een zonnebloem de winter door?
Winterhard tot 0 °C: beschermen in strenge winters.
- De zonnebloem is eenjarig: na de eerste nachtvorst sterft de plant af.
- Laat een paar zaadhoofden staan: ze blijven tot in de winter een voederplek voor mezen, putters en boomklevers.
- De dikke, dode stengels bieden schuilplaats aan insecten; laat ze tot het voorjaar staan als je de plek niet nodig hebt.
- Gevallen pitten kiemen het volgende voorjaar soms vanzelf.
Ziektes en plagen
- Slakken: Vreten kiemplanten in één nacht op. Zaai binnen voor, bescherm met een kraag van een plastic fles of raap ’s avonds.
- Vogels en muizen: Pikken of graven pas gezaaide zaden op. Leg tijdelijk een net of vliesdoek over het zaaibed.
- Omwaaien: Hoge planten knakken bij storm. Zaai op een beschutte plek en bind ze tijdig aan een paal.
- Meeldauw: Wit poeder op de onderste bladeren in de nazomer. Onschuldig zo laat in het seizoen; pluk de ergste bladeren weg.
- Bladluis: Op jonge toppen in de zomer. Meestal ruimen lieveheersbeestjes en sluipwespen ze op; anders afspuiten met water.
Het jaar rond
- April: Binnen voorzaaien in potjes.
- Mei: Buiten zaaien, of voorgezaaide planten uitplanten na half mei.
- Juni: Uitdunnen, palen zetten en jonge planten beschermen tegen slakken.
- Juli: Eerste bloemen. Water geven bij droogte.
- Augustus: Volle bloei. Bijen en hommels in het hart bekijken. Bloemen snijden voor de vaas.
- September: De zaadhoofden rijpen. Laat er een paar staan voor de vogels.
- Oktober: Zaad oogsten en drogen. Na de eerste nachtvorst sterft de plant af.
- November: Dode stengels afknippen of laten staan voor insecten.
- December: Mezen en putters pikken de laatste pitten uit de hoofden.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Jonge zonnebloemen draaien overdag met de zon mee van oost naar west en ’s nachts weer terug. Volgroeide bloemen blijven naar het oosten kijken.
- De pitten in het hart staan in twee reeksen spiralen, vaak 34 en 55 of 55 en 89: getallen uit de rij van Fibonacci.
- De naam Helianthus komt van het Griekse helios, zon, en anthos, bloem.