
Foto: Bernd Haynold, CC BY 2.5 · bron
Bol- of knolgewas · Papaveraceae
Vingerhelmbloem
Corydalis solida
In andere talen: Corydale solide (Français) · Fumewort (English)
De vingerhelmbloem, Corydalis solida, is een inheemse voorjaarsbloeier van loofbossen, houtwallen en oude parken in een groot deel van Europa, ook in België. In maart en april verschijnen uit een kleine, ronde knol fijn ingesneden, blauwgroene bladeren en dichte trosjes paarsroze, soms witte of rode bloemetjes met een lange spoor. Na de bloei zet de plant zaad en verdwijnt ze helemaal tot het volgende voorjaar. Mieren verspreiden de zaden, zodat er na enkele jaren een tapijt ontstaat onder bomen en struiken.
Let op: Alle delen van de plant, vooral de knol, bevatten alkaloïden en zijn giftig bij inslikken. Houd ze weg van kinderen en huisdieren.
Licht
Halfschaduw of schaduw
verdraagt weinig zon
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Grond
Leem of klei
neutraal tot kalkrijk
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
0,2 m
hoog, 0,15 m breed
Bloei
maart–april
| Hoogte | 0,2 m |
|---|---|
| Inheems in België | Ja |
| Goed voor bijen, vlinders en vogels | Ja, voor bijen |
| Giftig voor mens en huisdier | Ja, let op met kinderen en huisdieren |
| Bloei | maart–april |
Herkennen
Hoe herken je een vingerhelmbloem?
- Groeivorm
- Klein knolgewas van 15–20 cm hoog, met een paar fijn ingesneden bladeren.
- Blad
- Blauwgroen, twee- of driemaal ingesneden; de onderste bladeren hebben vingervormige slippen.
- Bloem
- Buisvormige bloemetjes van 2 cm met een lange spoor, in dichte trossen; paarsroze, wit of rood.
- Bloeitijd
- Maart en april.
- Knol
- Massief, rond knolletje van 1–2 cm, vandaar solida; bij de holwortel is de knol hol.
Bloei: maart–april · Planten: september–oktober
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een vroege, inheemse voorjaarsbloeier die hommelkoninginnen en bijen voedsel geeft in maart–april.
- Vormt na enkele jaren een tapijt van paarsroze bloemen onder bomen en struiken.
- Fijn, blauwgroen blad dat mooi samengaat met andere voorjaarsbloeiers.
- Verdwijnt na de bloei, zodat je er later zomerplanten over kunt laten groeien.
- Rassen zoals ‘George Baker’ brengen helder steenrood in de voorjaarstuin.
Waar staat een vingerhelmbloem graag?
- Halfschaduw tot schaduw in de zomer, maar in het voorjaar licht, zoals onder loofbomen.
- Humusrijke leem of klei, gerust kalkrijk.
- Vochtig in het voorjaar; in de zomer mag de grond droger zijn.
- Onder loofbomen en heesters, in een houtkant of een schaduwborder.
- Plant 25–50 knolletjes per m² voor een mooi tapijt.
- Licht
- Halfschaduw en schaduw
- Grondsoort
- Leem of klei
- Zuurtegraad
- Neutraal of kalkrijk
- Vocht
- Normaal
- Grootte
- 0,2 m hoog, 0,15 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -25 °C)
Mooi samen met
- Bosanemoon: Witte bloemetjes in dezelfde periode onder de bomen.
- Sneeuwklokje: Bloeit net ervoor, in dezelfde plekken.
- Holwortel: De verwante holwortel bloeit tegelijk en vormt samen een tapijt.
- Lenteroos: Grotere bloemen en blad in dezelfde schaduwborder.
- Varens: Ontrollen hun blad als de helmbloem verdwijnt.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een vingerhelmbloem?
Planten in september–oktober.
- Plant de knolletjes in september–oktober, zo snel mogelijk na aankoop: ze drogen snel uit.
- Zet ze ongeveer 8 cm diep, op 5–10 cm afstand.
- Week droge knolletjes een nacht in water voor het planten.
- Meng bladaarde door de grond.
- Plant in losse groepen onder struiken en bomen.
Verzorgen
- Water
- Niet nodig; de natuurlijke regen in voorjaar en najaar volstaat.
- Bemesten
- Laat het bladafval van de bomen liggen: dat is de beste mest.
- Blad
- Laat het blad na de bloei afsterven; het verdwijnt in mei vanzelf.
- Rust
- Graaf in de zomer niet in die plek: de knolletjes rusten in de grond.
- Uitzaaien
- Laat de zaden rijpen; mieren verspreiden ze over de tuin.
Tip: Plant ze samen met bosanemonen en sneeuwklokjes onder een loofboom: binnen enkele jaren heb je een echt bostapijt van maart tot april.
Wanneer snoei je een vingerhelmbloem?
Wanneer: Snoeien is niet nodig.
Hoe:
- Laat de uitgebloeide stengels staan, zodat de plant zaad kan zetten.
- Het blad sterft in mei vanzelf af en hoeft niet weggehaald te worden.
Let op: Laat de plek in de zomer ongemoeid: de knolletjes liggen ondiep in de grond.
Vermeerderen
- Zaaien
- Laat de plant zich vanzelf uitzaaien; je kunt ook vers zaad in mei meteen in de grond of in een pot zaaien. De zaailingen bloeien na 2–3 jaar.
- Delen
- Graaf grote groepen in het vroege voorjaar of na de bloei voorzichtig op en verdeel ze.
Hoe komt een vingerhelmbloem de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- Zeer winterhard, tot −25 °C.
- Geen bescherming nodig.
- De knolletjes hebben een koude winter nodig om te bloeien.
- Een laag bladafval beschermt ze en voedt de grond.
Ziektes en plagen
- Komt niet op: Knolletjes uitgedroogd voor het planten. Koop ze vers of in pot en plant ze meteen.
- Slakken: Kunnen jong blad en bloemen aanvreten.
- Verdwijnt: Te droog of te veel zon in het voorjaar. Plant onder loofbomen in vochtige grond.
Het jaar rond
- Februari: Blad komt op.
- Maart: Begin van de bloei. Hommels.
- April: Volle bloei.
- Mei: Zaad rijpt; mieren verspreiden het. Blad sterft af.
- September: Knolletjes planten.
- Oktober: Knolletjes planten. Bladafval laten liggen.
Gebruiken
Eetbaar en bruikbaar
Niet eetbaar. Alle delen van holwortel en vingerhelmbloem zijn giftig, vooral de knol: ze bevatten alkaloïden die op het zenuwstelsel werken. De knol van een verwante soort wordt in de Chinese geneeskunde gebruikt, maar maak van deze planten zelf geen thee of middeltjes om in te nemen. Houd kinderen weg van de knollen als je ze plant, en laat honden en katten ze niet opgraven of opeten. Ook grazende dieren zoals paarden, koeien en schapen lopen risico: plant ze niet in of naast een weide, en gooi geen knollen of plantenresten in een weide of hok. Bel je dierenarts als een dier ervan gegeten heeft. Bij inslikken: bel meteen het Antigifcentrum (in België 070 245 245) of je huisarts.
Goed voor dieren
- Bijen
- Nectar en stuifmeel voor honingbijen en wilde bijen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De zaden hebben een vetrijk aanhangsel (elaiosoom) dat mieren lokken; die slepen ze naar hun nest en verspreiden zo de plant.
- Hommelkoninginnen zijn de belangrijkste bestuivers; sommige hommels bijten een gaatje in de spoor om bij de nectar te komen zonder te bestuiven.