
Foto: Kurt Stüber [1], CC BY-SA 3.0 · bron
Vaste plant · Plantaginaceae
Slangenkop
Penstemon pinifolius
In andere talen: Penstémon à feuilles de pin (Français) · Pineleaf penstemon (English)
Penstemon pinifolius, de dennenbladige slangenkop, groeit in het wild op droge, rotsachtige hellingen in het zuidwesten van de Verenigde Staten en het noorden van Mexico. Het is een laag, groenblijvend halfstruikje van 20–30 cm met fijne, naaldachtige blaadjes die aan dennennaalden doen denken. Van juni tot augustus draagt hij trossen smalle buisbloemen in vuurrood tot oranje. Er bestaan ook geelbloeiende vormen, zoals ‘Mersea Yellow’. Hij is perfect voor de rotstuin, een grindbed of de rand van een zonnige border, mits de grond heel goed afwatert.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog
verdraagt droogte
Grond
Zand of leem
elke zuurtegraad
Winterhard
Volledig winterhard
tot -20 °C
Grootte
0,3 m
hoog, 0,4 m breed
Bloei
juni–augustus
| Snoeimaanden | april en augustus |
|---|---|
| Hoogte | 0,3 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Goed voor bijen, vlinders en vogels | Ja, voor bijen |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
| Bloei | juni–augustus |
Herkennen
Hoe herken je een slangenkop?
- Groeivorm
- Laag, dicht halfstruikje van 20–30 cm hoog en ongeveer 40 cm breed, met een houtige basis.
- Blad
- Naaldachtig, 1–3 cm lang, helder tot donkergroen, in bundeltjes langs de stengels; groenblijvend.
- Bloem
- Smalle buisbloemen van 2,5–3 cm in losse trossen aan de stengeltoppen, van juni tot augustus.
- Kleur
- Vuurrood tot oranjerood; er bestaan ook gele rassen.
- Wortels
- Fijn en vezelig: hij heeft doorlatende, schrale grond nodig.
Bloei: juni–augustus · Planten: april–mei · Snoeien: april en augustus
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Fijn, groenblijvend naaldblad dat het hele jaar sierlijk blijft, ook in de winter.
- Bloeit van juni tot augustus met felle oranjerode buisbloemen, in de zon.
- Bijen en hommels bezoeken de bloemen.
- Droogtebestendig: uitstekend voor een grindtuin, rotstuin of zonnig muurtje.
- Blijft klein en netjes: past in kleine tuinen, bakken en voortuinen.
Waar staat een slangenkop graag?
- Volle zon: hoe zonniger, hoe rijker de bloei.
- Zeer goed doorlatende, arme zand- of leemgrond, zuur tot kalkrijk. Zware klei is niet geschikt.
- Vrij droog: hij verdraagt droogte uitstekend maar geen natte voeten.
- Reken op 30–40 cm tussen de planten. Een verhoogd bed of een rotstuin is ideaal.
- Licht
- Zon
- Grondsoort
- Zand of leem
- Zuurtegraad
- Niet kieskeurig
- Vocht
- Droog
- Grootte
- 0,3 m hoog, 0,4 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -20 °C)
Mooi samen met
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een slangenkop?
Planten in april–mei.
- Plant in april–mei, als de grootste vorst voorbij is en de grond opwarmt.
- Meng de grond met een derde fijn grind of grof zand; zware grond verbeter je door een verhoogd plantbed te maken.
- Plant op dezelfde diepte als in de pot, bij voorkeur iets verhoogd zodat water wegloopt.
- Houd 30–40 cm afstand en druk de grond aan.
- Geef na het planten één flinke gieter en daarna enkel bij langdurige droogte.
- Strooi een laagje grind rond de plant in plaats van organische mulch, die vocht vasthoudt.
Verzorgen
- Water
- Na het aanslaan zelden. Hij verdraagt droogte beter dan natte grond.
- Bemesten
- Nauwelijks nodig. Rijke grond geeft veel blad en weinig bloemen.
- Mulchen
- Gebruik grind of split, geen compost of schors: die houden de vochtige voet vast.
- Uitgebloeide bloemen
- Knip uitgebloeide trossen na de bloei weg om de plant netjes te houden.
- Steun
- Niet nodig; hij blijft laag en compact.
- Potten
- Doet het goed in een pot met veel zand en grind in de potgrond; zorg voor afvoergaten.
Tip: Geef hem grind in plaats van compost: dit halfstruikje wil een arme, droge bodem zonder natte voeten. Plant hem iets verhoogd in een rotstuin of op een heuveltje.
Wanneer snoei je een slangenkop?
Snoeimaanden: april en augustus.
Wanneer: Licht in april en na de bloei in augustus.
Hoe:
- Knip in april dode en bruine toppen weg tot waar de stengel groen is.
- Knip na de bloei in augustus uitgebloeide trossen terug tot net boven het blad.
- Snoei niet in het oude, kale hout: daaruit loopt hij slecht uit.
- Knip jaarlijks licht om de plant dicht en compact te houden.
Let op: Snoei nooit in het oude, bladloze hout: daaruit loopt hij vaak niet meer uit.
Vermeerderen
- Stekken
- In juli–augustus: neem stekken van 5–8 cm van halfverhoute scheuten, haal de onderste blaadjes weg en zet ze in zandige stekgrond. Ze wortelen in enkele weken; overwinter ze vorstvrij.
- Zaaien
- In het voorjaar of in de herfst in een bak met zandige grond. Zaai dun, bedek het zaad nauwelijks en houd de bak buiten. Het kiemt traag en onregelmatig.
Hoe komt een slangenkop de winter door?
Winterhard tot −20 °C.
- Winterhard tot ongeveer −20 °C: in België overleeft hij de meeste winters.
- Het blad blijft groen. Natte grond is gevaarlijker dan vorst: zorg voor goede afwatering.
- In een natte winter helpt een afdakje van glas of folie boven de plant tegen regen.
- In een pot: zet hem tegen een beschutte muur en houd de pot droog.
Ziektes en plagen
- Wortelrot: Slap, geel of bruin blad in natte grond. Verbeter de drainage met grind, plant hoger of verhuis hem naar een droger plekje.
- Houtig worden: Oude planten worden kaal en houtig onderaan. Knip jaarlijks licht en vervang oude planten tijdig door stekken.
- Weinig bloei: Te veel schaduw of te rijke grond. Geef hem volle zon en schrale grond.
- Bladluis: Zelden, op jonge scheuten. Spuit af met water.
Het jaar rond
- April: Planten. Dood hout en bruine toppen wegknippen.
- Mei: Planten. Laatste vorst afwachten.
- Juni: Begin van de bloei.
- Juli: Bloei. Stekken nemen.
- Augustus: Uitgebloeide trossen terugknippen. Stekken nemen.
- September: Plantplek nakijken. Zorgen voor goede drainage.
- Oktober: Plantplek met grind verbeteren.
- November: Bij natte winters een afdakje plaatsen.
- December: Rust. Niet gieten.
Gebruiken
Goed voor dieren
- Bijen
- Nectar en stuifmeel voor honingbijen en wilde bijen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Pinifolius is Latijn voor ‘met dennenbladeren’, naar de naaldachtige blaadjes.
- In het wild groeit hij op rotsachtige, droge hellingen in het zuidwesten van de Verenigde Staten en het noorden van Mexico.
- In zijn thuisland worden dit soort buisbloemen vaak door kolibries bezocht.