Aardpeer (Helianthus tuberosus)

Foto: Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 · bron

Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)

Aardpeer

Helianthus tuberosus

In andere talen: Topinambour (Français) · Jerusalem artichoke (English)

Komt in België in het wild voor.

De aardpeer is een forse, vaste plant uit de composietenfamilie, een naaste verwant van de zonnebloem, die je kweekt voor zijn knobbelige, eetbare knollen. Hij komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika, werd in de zeventiende eeuw naar Europa gebracht en is bij ons ingeburgerd langs rivieren, op braakland, in ruige bermen en bij oude moestuinen. Je herkent hem aan de 2–3 m hoge, ruwbehaarde stengels, de grote, ruwe, getande bladeren en de goudgele bloemhoofdjes van 4–8 cm, met een geel hart, in september en oktober. In de moestuin geeft hij een rijke wintergroente die je van november tot maart oogst. Wees wel voorzichtig: elk achtergebleven stukje knol groeit uit, zodat hij zich makkelijk uitbreidt.

  • Licht

    Zon of halfschaduw

    liefst wat zon

  • Vocht

    Normaal

    geen natte voeten

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -30 °C

  • Grootte

    2,5 m

    hoog, 0,8 m breed

  • Bloei

    augustus–oktober

Feiten op een rij
Snoeimaandenmaart en november
Hoogte2,5 m
Inheems in BelgiëNee, ingeburgerd
Bloeiaugustus–oktober

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Vaste plant van 1,5–3 m met rechte, bovenaan vertakte stengels; vormt dichte groepen door knollen en ondergrondse uitlopers.
Blad
Eirond tot lancetvormig, 10–25 cm, getand, ruw als schuurpapier, met drie hoofdnerven en een gevleugelde steel; onderaan tegenoverstaand, bovenaan verspreid.
Bloem
Goudgele hoofdjes van 4–8 cm met 10–20 straalbloemen en een geel hart, van eind augustus tot in oktober.
Vrucht/Zaad
Zet bij ons zelden rijp zaad; hij verspreidt zich vooral met knollen.
Wortels
Ondergrondse uitlopers met knobbelige knollen van 5–10 cm, met een witte, gele, rode of paarsachtige schil.
Verwarring met
De zonnebloem is eenjarig, heeft geen knollen en een groot bruin hart. Andere vaste zonnebloemen en de gele zonnehoed (met een donker hart) hebben geen eetbare knollen; bij twijfel graaf je even naar de knollen.

Bloei: augustus–oktober · Snoeien: maart en november

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Een makkelijke, winterharde groente: de knollen blijven in de grond en je oogst ze naargelang je ze nodig hebt, van november tot maart.
  • Late bloei in september–oktober, met nectar en stuifmeel voor hommels, bijen, zweefvliegen en vlinders als er weinig anders bloeit.
  • Een snelle, hoge zomerhaag of windscherm aan de rand van de moestuin.
  • De dichte stengels geven in de nazomer beschutting aan vogels en insecten.
  • Een nootachtige smaak, rauw geraspt of gekookt in soep, puree of uit de oven.

Waar staat een aardpeer graag?

  • In het wild langs rivieroevers, op braakland, in ruige bermen en op oude tuingrond.
  • Zon tot lichte halfschaduw; in de zon geeft hij de meeste knollen en bloemen.
  • Bijna elke grond, liefst losse, vochthoudende zand- of leemgrond; op zware klei worden de knollen kleiner en moeilijk te rooien.
  • Kies een vaste plek aan de rand van de moestuin, waar zijn schaduw andere groenten niet hindert en hij zich niet tussen andere gewassen kan verspreiden.
  • Nooit langs een beek of rivier of in de buurt van natuurgebieden: stukjes knol spoelen mee en groeien uit tot dichte groepen die andere planten verdringen.

Mooi samen met

  • Koninginnekruid: Bloeit ook laat in het jaar en lokt veel dagvlinders, in een ruige rand naast het aardperenbed.
  • Boerenwormkruid: Gele knoopjes in de nazomer, voor zweefvliegen en kevertjes.
  • Grote kattenstaart: Paarse aren op vochtige grond, die de gele bloemen mooi aanvullen.
  • Goudsbloem: Een eenjarige voor de rand van het bed, die tot de vorst bloeit voor bijen en zweefvliegen.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een aardpeer?

  1. Koop pootknollen bij een tuincentrum of zadenhandel, of neem gezonde knollen uit je eigen oogst; graaf nooit planten uit in de natuur.
  2. Plant in maart–april, zodra de grond bewerkbaar is, de knollen 10–15 cm diep.
  3. Houd 40–50 cm tussen de knollen en 75–100 cm tussen de rijen.
  4. Plant ze in een apart bed of zet rond het bed een wortelscherm van 40–50 cm diep, zodat ze niet uitbreiden.
  5. Geef water bij droogte tot de scheuten boven de grond staan; daarna is het alleen in droge zomers nodig.

Verzorgen

Water
In droge zomers ruim water geven in augustus–september: dan groeien de knollen het hardst.
Bemesten
Op rijke grond niet nodig. Op arme zandgrond in het voorjaar een laagje compost.
Aanaarden
Aard in juni de stengels 15–20 cm aan: ze staan steviger en je krijgt meer knollen.
Woekeren
Elk stukje knol groeit uit. Oogst elk jaar grondig, ook de kleine knolletjes, of houd hem binnen een wortelscherm.
Oogsten
Van november tot maart, telkens zoveel als je nodig hebt. Knollen blijven het best in de grond; gerooide knollen bewaar je koel in vochtig zand.

Tip: Rooi bij elke oogst ook de kleinste knolletjes en houd een paar mooie knollen apart om in maart opnieuw te planten: zo blijft het bed netjes en weet je zeker waar de aardperen volgend jaar staan.

Snoeien en maaien

Snoeimaanden: maart en november.

Wanneer: In november, na de eerste vorst, en de laatste stengels in maart.

Hoe:

  • Knip na de eerste vorst de afgestorven stengels af tot 20–30 cm boven de grond: zo zie je waar je moet oogsten.
  • Laat enkele stengels aan de rand tot maart staan als schuilplaats voor insecten en ruim ze dan op.
  • Composteer de stengels, maar nooit knollen of stukjes knol: die lopen opnieuw uit.
  • Wordt hij in de zomer te hoog of waait hij om, dan mag je in juli de toppen tot 1,5–2 m innemen.

Let op: Gooi knollen en wortelresten nooit in de natuur, een beek of op een koude composthoop: ze groeien overal opnieuw uit. Afval met knollen hoort bij het gft-afval.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Knollen
Plant in maart–april een gezonde knol of een stuk knol met minstens één oog. Elke knol geeft een nieuwe plant met een hele tros nieuwe knollen.
Zaad
Zet bij ons zelden rijp zaad en wordt daarom bijna alleen met knollen vermeerderd.

Hoe komt een aardpeer de winter door?

Winterhard tot −30 °C.

  • De stengels sterven af bij de eerste vorst; de knollen overwinteren in de grond en verdragen strenge vorst.
  • Bij strenge vorst is de grond moeilijk te rooien: leg in november een laag stro of bladeren over het bed, of rooi alvast een voorraad.
  • Na wat vorst smaken de knollen vaak zoeter.
  • Laat een paar dode stengels staan: insecten overwinteren erin.

Ziektes en plagen

  • Uitbreiden: Achtergebleven knolletjes lopen elk jaar weer uit, ook tussen andere groenten. Oogst grondig, gebruik een wortelscherm en wied nieuwe scheuten in het voorjaar meteen weg.
  • Muizen en woelmuizen: Eten de knollen in de grond aan. Rooi een deel in de herfst en bewaar het in vochtig zand op een muisvrije plek.
  • Omwaaien: De hoge stengels waaien om bij storm. Aanaarden, een beschutte plek of de toppen in juli innemen helpt.
  • Meeldauw: Wit poeder op het blad in de nazomer. Onschuldig voor de oogst; geef ruimte en water bij droogte.
  • Slakken: Eten jonge scheuten in april–mei. Ga ’s avonds rapen en lok egels en loopkevers met een ruige hoek.

Het jaar rond

  • Januari: Oogsten bij open weer.
  • Februari: Oogsten. De laatste knollen rooien voor ze uitlopen.
  • Maart: Planten. Laatste dode stengels opruimen.
  • April: Planten. De eerste scheuten verschijnen; let op slakken.
  • Juni: Aanaarden. Ontsproten knolletjes buiten het bed wegwieden.
  • Augustus: Water geven bij droogte. Eerste bloemen.
  • September: Bloei: hommels, bijen en vlinders.
  • Oktober: Laatste bloei. Knollen groeien nog.
  • November: Stengels na de vorst inkorten. Oogst begint. Stro over het bed.
  • December: Oogsten naargelang je ze nodig hebt.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • De Franse naam topinambour verwijst naar de Tupinambá, een volk uit Brazilië dat rond 1613 in Frankrijk bekend werd, al komt de plant uit Noord-Amerika.
  • De Engelse naam ‘Jerusalem artichoke’ heeft niets met Jeruzalem te maken; hij wordt vaak verklaard als een verbastering van het Italiaanse girasole, ‘zonnebloem’.
  • Helianthus betekent ‘zonnebloem’, van het Griekse helios, ‘zon’, en anthos, ‘bloem’: de aardpeer is een naaste verwant van de gewone zonnebloem.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…