
Foto: Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 · bron
Kruidachtige plant · Kaasjeskruidfamilie (Malvaceae)
Klein kaasjeskruid
Malva neglecta
In andere talen: Mauve à feuilles rondes (Français) · Dwarf mallow (English)
Komt in België in het wild voor.
Klein kaasjeskruid is een lage, liggende plant met ronde, zacht behaarde bladeren en bleke, witte tot lichtlila bloemen met fijne paarse adertjes. Het is een eenjarige tot kortlevende vaste plant van voedselrijke, verstoorde plekken: boerenerven, dorpsstraten, de voet van muren, bermen, akkerranden en braakliggende grond. In België is hij vrij algemeen, vooral in de buurt van huizen en boerderijen. Je herkent hem aan de platte, ronde vruchtjes die op een klein kaaswieltje lijken, en aan de bloemen die maar twee keer zo lang zijn als de kelk. Hij is een waardplant voor de rupsen van de distelvlinder en het kaasjeskruiddikkopje, en kinderen snoepten vroeger de ‘kaasjes’.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -20 °C
Grootte
0,3 m
hoog, 0,5 m breed
Bloei
juni–oktober
| Snoeimaanden | maart en augustus |
|---|---|
| Hoogte | 0,3 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | juni–oktober |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Eenjarige tot kortlevende vaste plant met liggende tot opstijgende stengels van 10–50 cm, vanuit een centrale penwortel; vormt losse matten tot 30 cm hoog.
- Blad
- Lang gesteeld, rond tot niervormig, 2–6 cm breed, met 5–7 ondiepe, gekartelde lobben; zacht behaard.
- Bloem
- Wit tot lichtlila met fijne paarse adertjes, 1,5–2,5 cm, met vijf ingesneden kroonbladen die ongeveer twee keer zo lang zijn als de kelk. In kleine groepjes in de bladoksels, van juni tot oktober.
- Vrucht/Zaad
- Een platte, ronde splitvrucht van 12–15 deelvruchtjes in een kring, als een klein kaaswieltje; elk deeltje bevat één zaad.
- Wortels
- Een stevige, diepe penwortel: de plant is moeilijk uit te trekken.
- Verwarring met
- Groot kaasjeskruid staat rechtop, wordt tot 1 m hoog en heeft grotere, roze-paarse bloemen met donkere strepen. Ronde ooievaarsbek heeft gelijkaardige bladeren, maar kleine roze bloemen en snavelvormige vruchten.
Bloei: juni–oktober · Snoeien: maart en augustus
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Waardplant voor de rupsen van de distelvlinder en het kaasjeskruiddikkopje.
- Bijen, hommels en zweefvliegen bezoeken de bloemen van juni tot in oktober, ook laat in het seizoen als er minder bloeit.
- Groeit op plekken waar weinig anders wil groeien: tussen tegels, langs muren, op een erf of een plek met puin.
- De jonge blaadjes en de onrijpe ‘kaasjes’ zijn eetbaar en werden vroeger door kinderen gesnoept.
- Een oude cultuurvolger: hij groeit al eeuwen rond boerderijen en dorpen en hoort bij het landelijke dorpsbeeld.
Waar staat een klein kaasjeskruid graag?
- In het wild: boerenerven, dorpsstraten, bermen, de voet van muren, akkerranden, mesthopen en braakliggende, verstoorde grond.
- Volle zon tot lichte halfschaduw.
- Voedselrijke, droge tot vochtige grond: zand, leem of puin, liefst los en goed doorlatend.
- In de tuin: langs een pad, tussen klinkers of grind, aan de voet van een zonnige muur, in een hoekje van de moestuin of bij de composthoop.
Mooi samen met
- Groot kaasjeskruid: Een grotere, opvallende verwant voor een zonnige ruigte of border.
- Gewone reigersbek: Ook een lage plant van droge, open plekken, met roze bloempjes.
- Wilde reseda: Gele bloeiaren op dezelfde zonnige, stenige grond.
- Muurpeper: Een gele mat tussen tegels en op muurtjes, naast het kaasjeskruid.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een klein kaasjeskruid?
- Koop zaad van inheemse herkomst bij een kwekerij of zaadhandel voor wilde planten; planten in pot zijn zelden te koop.
- Zaai in maart–mei of in september, ondiep (een halve centimeter) en ijl, op een zonnige plek met losse grond.
- Het zaad heeft een harde schil: laat het een nacht weken of schuur het lichtjes op, dan kiemt het sneller.
- Houd de grond vochtig tot de kiemplantjes er na 1–3 weken zijn, en dun uit tot 30–40 cm.
- Verplant jonge plantjes vroeg, want door de penwortel lukt verplanten later slecht.
- Graaf nooit planten uit in het wild; zaad of een plant van de kwekerij slaat beter aan.
Verzorgen
- Water
- Alleen na het zaaien en bij jonge planten. Eenmaal geworteld haalt de penwortel water diep uit de grond.
- Bemesten
- Niet nodig: hij groeit van nature op voedselrijke grond.
- Woekeren
- Hij zaait zich makkelijk uit op open grond. Trek ongewenste kiemplanten jong uit, voor de penwortel diep zit.
- Zaad laten vallen
- Laat een deel van de vruchten rijpen: zo blijft deze kortlevende plant elk jaar in de tuin.
- Open grond
- Houd de grond rond de plant wat open; tussen hoog gras of dichte vaste planten verdwijnt hij.
Tip: Laat een plantje gewoon staan als het zelf opduikt tussen de tegels van je terras of oprit: daar hindert het niemand, en bijen en vlinders vinden er iets te eten op een plek waar anders niets bloeit.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: maart en augustus.
Wanneer: In augustus kun je lange, kale stengels inkorten; de dode stengels ruim je in maart op.
Hoe:
- Knip in augustus de oudste, kale stengels terug tot 10 cm: de plant loopt opnieuw uit en bloeit door tot oktober.
- Laat een deel van de vruchten rijpen voor nieuwe planten.
- Ruim de afgestorven stengels pas in maart op; ze geven in de winter wat beschutting aan kleine diertjes.
- Wil je minder zaailingen, knip dan de uitgebloeide stengels weg voor de vruchten bruin worden.
Vermeerderen
- Zaad
- Rijpe vruchtjes in augustus–oktober verzamelen, droog bewaren en in het voorjaar of in september zaaien. Het zaad blijft jaren kiemkrachtig in de bodem.
- Zelfuitzaai
- Laat de plant gewoon uitzaaien; jonge plantjes verschijnen in het voorjaar rond de moederplant.
Hoe komt een klein kaasjeskruid de winter door?
Winterhard tot −20 °C.
- Veel planten sterven na de bloei of na het tweede jaar af; andere overwinteren als lage bladrozet en bloeien opnieuw.
- Het zaad overleeft de winter in de grond en kiemt in het voorjaar.
- Matig winterhard, tot ongeveer −20 °C; na een strenge winter komt hij vooral terug uit zaad.
Ziektes en plagen
- Kaasjeskruidroest: Oranjebruine puistjes op de onderkant van de bladeren, vooral laat in de zomer. Knip aangetaste bladeren weg en gooi ze bij het restafval, niet op de composthoop.
- Slakken: Ze vreten gaatjes in jonge bladeren, vooral bij kiemplantjes. Bescherm ze in het begin, bijvoorbeeld met een omgekeerde, opengeknipte fles.
- Te veel zaailingen: Op open grond in de moestuin kan hij lastig worden. Wied jonge plantjes en knip uitgebloeide stengels weg.
- Kale, slordige plant: Na een lange bloei worden de stengels kaal. Terugknippen in augustus geeft nieuwe groei.
Het jaar rond
- Maart: Dode stengels opruimen. Zaaien op een zonnige plek.
- April: Zaaien. Kiemplanten uitdunnen.
- Mei: Jonge plantjes beschermen tegen slakken.
- Juni: Eerste bloemen.
- Juli: Volle bloei. Bijen en hommels op de bloemen.
- Augustus: Kale stengels terugknippen. Eerste vruchten rijp.
- September: Bloei. Zaad verzamelen. Zaaien.
- Oktober: Laatste bloemen.
- November: Uitgebloeide stengels laten staan.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De naam kaasjeskruid komt van de platte, ronde vruchten, die op kleine kaaswieltjes lijken. Ook in het Frans noemt men ze in de volksmond ‘petits fromages’.
- De soortnaam neglecta betekent ‘over het hoofd gezien’: een passende naam voor zo’n onopvallende plant.
- De Romeinen aten kaasjeskruid al als groente; de Romeinse dichter Horatius noemt het in zijn gedichten als eenvoudige kost, naast olijven en cichorei.