Muizenoor (Pilosella officinarum)

Foto: Prazak, CC BY-SA 3.0 · bron

Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)

Muizenoor

Pilosella officinarum

In andere talen: Piloselle (Français) · Mouse-ear hawkweed (English)

Komt in België in het wild voor.

Muizenoor is een lage, overblijvende plant uit de composietenfamilie, met citroengele bloemhoofdjes op een bladloze steel en een rozet van behaarde blaadjes die aan de onderkant wit viltig zijn. In het wild groeit hij op droge, voedselarme plekken: schrale graslanden, heide, duinen, zandige bermen, dijken, spoorwegtaluds en oude, nooit bemeste gazons. In België is hij vrij algemeen in de Kempen, de duinen en op andere zand- en kalkgronden, maar op veel plaatsen is hij achteruitgegaan doordat bermen en graslanden voedselrijker werden. Je herkent hem aan de lange witte haren op het blad, aan de bovengrondse uitlopers waarmee hij lage matten vormt en aan de buitenste lintbloemen, die aan de onderkant rood gestreept zijn. Voor bijen en zweefvliegen is hij een goede bron van nectar en stuifmeel, en in de tuin is hij een mooie bodembedekker voor een droge, zonnige plek.

  • Licht

    Volle zon

    warm en licht

  • Vocht

    Droog

    verdraagt droogte

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -30 °C

  • Grootte

    0,2 m

    hoog, 0,3 m breed

  • Bloei

    mei–september

Feiten op een rij
Snoeimaandenseptember
Hoogte0,2 m
Inheems in BelgiëJa
Bloeimei–september

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Lage, overblijvende rozetplant van 5–30 cm hoog, met bovengrondse, bebladerde uitlopers die wortelen en nieuwe rozetjes vormen. Zo ontstaan dichte matten.
Blad
Langwerpig tot spatelvormig, 1–7 cm lang en gaafrandig. Bovenkant groen tot grijsgroen met lange, losse witte haren; onderkant grijswit en viltig. Bij breuk komt er wit melksap uit.
Bloem
Eén citroengeel hoofdje van 2–3 cm met alleen lintbloemen, op een bladloze, behaarde steel. De buitenste lintbloemen hebben aan de onderkant een roodachtige streep. Het omwindsel is bezet met donkere haartjes.
Vrucht/Zaad
Kleine, donkere nootjes met een kuifje van vuilwitte haren, die met de wind meewaaien.
Wortels
Korte wortelstok met fijne wortels. De uitlopers wortelen waar ze de grond raken.
Verwarring met
Gewoon biggenkruid heeft een vertakte steel met meer hoofdjes en blad zonder wit vilt. Paardenbloem heeft kaal, diep ingesneden blad. Andere havikskruiden hebben bebladerde stengels met meer hoofdjes, en het verwilderde oranje havikskruid heeft oranjerode hoofdjes in een trosje. Muizenoor: één geel hoofdje per steel, uitlopers en blad met lange haren boven en wit vilt onder.

Bloei: mei–september · Snoeien: september

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Bloeit van mei tot in september en geeft nectar en stuifmeel aan honingbijen, hommels, zweefvliegen en solitaire bijen, waaronder soorten die gespecialiseerd zijn in gele composieten.
  • Vormt met zijn uitlopers dichte, lage matten: een levende bodembedekker voor droge, schrale plekken waar gras slecht groeit.
  • Verdraagt droogte, betreding en maaien, en houdt het vol in arm zand, tussen tegels en op oude muurtjes.
  • Een aanwijzer van schrale grond: waar muizenoor goed groeit, voelen ook andere bloemen van droge graslanden zich thuis, zoals wilde tijm en grasklokje.
  • De hoofdjes gaan open bij zonnig weer en sluiten ’s avonds en bij regen, zodat je in een kort grasland de bloei met het weer ziet meebewegen.

Waar staat een muizenoor graag?

  • In het wild op droge, voedselarme grond, zuur tot kalkrijk: schrale graslanden, heide, duinen, zandige bermen, dijken, spoorwegtaluds en oude muren.
  • Volle zon is een must: in de schaduw en tussen hoog gras verdwijnt hij snel.
  • Arme, goed doorlatende grond: zand, grind of steenachtige grond. Op rijke, vochtige grond groeit het gras er snel overheen.
  • In de tuin past hij in een schraal grasland, een droge rotstuin, tussen stapstenen, in de voegen van een terras of op een groen dak.

Mooi samen met

  • Wilde tijm: Bloeit in dezelfde periode; samen vormen ze een lage, geurige mat vol bijen.
  • Grasklokje: Blauwe klokjes boven de gele hoofdjes, op dezelfde arme grond.
  • Zandblauwtje: Een plant van dezelfde zandige bermen, met hemelsblauwe bolletjes.
  • Muurpeper: Een vetplantje voor de droogste hoekjes, geel in juni.
  • Schapenzuring: Groeit van nature mee in schrale, zure graslanden en geeft een roodbruine gloed.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een muizenoor?

  1. Koop planten bij een kwekerij voor inheemse planten, of zaai zaad van inheemse herkomst.
  2. Zaai in september–oktober of in maart–april op losgemaakte, arme grond. Druk het fijne zaad goed aan en bedek het hooguit met een flinterdun laagje zand.
  3. Plant in maart–april of in september–oktober, op 20–30 cm afstand. Na een of twee jaar groeien de uitlopers aan elkaar tot een mat.
  4. Verrijk de grond niet: geen compost of potgrond in het plantgat. Op zware grond meng je er grof zand of fijn grind door.
  5. Geef na het planten water en houd de grond de eerste weken licht vochtig; daarna redt hij zich ook bij droogte.
  6. Graaf nooit planten uit in de natuur, ook niet uit een berm: koop ze of zaai zelf.

Verzorgen

Water
Alleen bij het aanslaan. Gevestigde planten verdragen lange periodes van droogte.
Bemesten
Niet doen. Mest maakt het gras sterker, en dat verdringt muizenoor. Arme grond houdt hem compact en bloeirijk.
Maaien
In een schraal grasland één keer per jaar maaien, in september, en het maaisel afvoeren. De platte rozetten overleven ook een gazonmaaier, maar laat de bloemstelen in de zomer staan voor de bijen.
Woekeren
In een rotstuin of border kan hij met zijn uitlopers lage plantjes overgroeien. Trek overtollige rozetjes met uitlopers en al uit; dat gaat makkelijk.
Zaad laten vallen
Laat een deel van de pluizige zaadhoofdjes staan: zo zaait hij zich uit op open, kale plekjes.

Tip: Wil je muizenoor in je gazon? Maai een droge, zonnige strook minder vaak en voer het maaisel af: op arme grond verschijnt hij vaak vanzelf, en hij kan tegen betreding.

Snoeien en maaien

Snoeimaanden: september.

Wanneer: In september, na de hoofdbloei, samen met de rest van het schrale grasland.

Hoe:

  • Maai of knip de uitgebloeide bloemstelen af; de bladrozetten mogen gewoon blijven liggen.
  • Voer het maaisel af, zodat de grond arm blijft en het gras niet de overhand krijgt.
  • Laat een deel van de bloemstelen met zaad staan als je wilt dat hij zich verder uitzaait.
  • Uitlopers die buiten hun plek groeien, knip of trek je op elk moment weg.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Uitlopers
Het makkelijkst: in maart–april of in september een geworteld rozetje met een stukje uitloper afknippen en meteen verplanten.
Zaad
Zaai in het najaar of het vroege voorjaar op arme grond, in een bak of ter plaatse. Houd de grond vochtig tot de zaailingen er zijn.
Scheuren
Een grotere mat kun je in het voorjaar in stukken steken en elders planten.

Hoe komt een muizenoor de winter door?

Winterhard tot −30 °C.

  • Muizenoor is volledig winterhard, tot ongeveer −30 °C.
  • De bladrozetten blijven in de winter grijsgroen en liggen plat tegen de grond.
  • Natte voeten in de winter verdraagt hij slecht: op zware, natte grond kan hij wegrotten.
  • De lage matten zijn een schuilplek voor kleine insecten en spinnen.

Ziektes en plagen

  • Verdringing door gras: Op voedselrijke grond groeit het gras er snel over. Maai, voer het maaisel af en bemest niet.
  • Woekeren: In een rotstuin kan hij kleine plantjes overgroeien. Trek de uitlopers op tijd uit.
  • Wegrotten: Op natte, zware grond in de winter. Plant op een zandige, goed doorlatende plek of meng grind door de grond.
  • Slakken: Slakken eten soms jonge zaailingen. Zaai of plant op een droge, zonnige plek, waar ze minder komen.

Het jaar rond

  • Maart: Planten of scheuren. Kale plekjes vrijhouden voor zaailingen.
  • April: Nieuwe uitlopers groeien. Gewortelde rozetjes verplanten.
  • Mei: Begin van de bloei. Bijen en zweefvliegen op de hoofdjes.
  • Juni: Volle bloei. Niet maaien.
  • Juli: Bloei en eerste zaadpluizen.
  • Augustus: Nabloei. Zaad laten rijpen of verzamelen.
  • September: Maaien en maaisel afvoeren. Zaaien of planten.
  • Oktober: Zaaien of planten op arme grond.
  • December: Rust. De grijze rozetten blijven zichtbaar.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • Gregor Mendel deed na zijn erwtenproeven ook kruisingen met havikskruiden, waartoe muizenoor toen gerekend werd. De resultaten klopten niet met zijn regels, omdat deze planten vaak zaad vormen zonder bevruchting.
  • De naam muizenoor verwijst naar de kleine, behaarde blaadjes; de wetenschappelijke naam Pilosella komt van het Latijnse pilosus, ‘behaard’.
  • In Nieuw-Zeeland, waar hij ooit is ingevoerd, is muizenoor een lastige plaag in schrale graslanden geworden. Bij ons is het een inheemse plant die eerder achteruitgaat.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…