
Foto: Eclipse2009, Public domain · bron
Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)
Gewoon biggenkruid
Hypochaeris radicata
In andere talen: Porcelle enracinée (Français) · Cat’s-ear (English)
Komt in België in het wild voor.
Gewoon biggenkruid is een zeer algemene, inheemse composiet van gazons, bermen, droge graslanden, duinen, heide en open plekken op zand, in heel België. Op het eerste gezicht lijkt hij op een paardenbloem, maar de gele bloemhoofdjes staan op lange, vertakte, bijna bladloze stelen boven een platte rozet van ruw behaarde, golvend getande bladeren. Hij bloeit van mei tot in oktober en is een belangrijke stuifmeelbron voor wilde bijen, waaronder enkele soorten die gespecialiseerd zijn in gele composieten. Omdat zijn rozet plat tegen de grond ligt, overleeft hij maaien goed. Zo is hij een van de vaste bloemen van een bloemrijk gazon of een schrale berm.
Let op: Paarden die langdurig grote hoeveelheden biggenkruid eten, bijvoorbeeld in een kale, overbegraasde wei, kunnen een zenuwaandoening krijgen waarbij ze de achterbenen schokkerig optrekken (hanentred). Zorg in paardenweiden voor voldoende ander voer.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog tot normaal
geen natte voeten
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
0,4 m
hoog, 0,3 m breed
Bloei
mei–oktober
| Snoeimaanden | juni en september |
|---|---|
| Hoogte | 0,4 m |
| Inheems in België | Ja |
| Bloei | mei–oktober |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Overblijvende rozetplant met een dikke penwortel. Uit de rozet groeien één of meer vertakte bloeistengels van 20–60 cm.
- Blad
- In een platte rozet, 5–20 cm lang, langwerpig met golvend getande tot bochtig ingesneden randen; aan beide kanten bezet met stijve, ruwe haren. Bij beschadiging komt er wit melksap uit.
- Bloem
- Goudgele hoofdjes van 2,5–4 cm breed, met alleen lintbloemen; de buitenste zijn aan de onderkant grijsgroen. Tussen de bloemetjes staan smalle, vliezige stroschubben, een goed kenmerk. De hoofdjes gaan bij zonnig weer open en sluiten later op de dag of bij regen.
- Vrucht/Zaad
- Een bol zaadpluis zoals bij een paardenbloem. De zaden hebben een lange snavel en een pluis van veervormig vertakte haren, waarmee ze met de wind meevliegen.
- Stengel
- Lang, kaal, stevig en bijna bladloos, met kleine, schubvormige schutblaadjes; vaak een paar keer gevorkt en onder de hoofdjes iets verdikt.
- Verwarring met
- Paardenbloem heeft een holle, onvertakte steel met één hoofdje en kale bladeren. Vertakte leeuwentand lijkt sterk, maar heeft bijna kale, diep veerdelig ingesneden bladeren en geen stroschubben tussen de bloemetjes. Kleine leeuwentand heeft gevorkte haren op de bladeren en onvertakte stelen. Muizenoor heeft lichtgele hoofdjes, viltig behaarde bladeren en bovengrondse uitlopers.
Bloei: mei–oktober · Snoeien: juni en september
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Gele bloemen van mei tot in oktober, zelfs in een gazon dat af en toe gemaaid wordt.
- Een belangrijke stuifmeelplant voor wilde bijen die gespecialiseerd zijn in gele composieten, zoals de pluimvoetbij en de roetbijen.
- Ook hommels, zweefvliegen en dagvlinders bezoeken de bloemen.
- Ideaal voor een bloemrijk gazon of een schrale berm op zand: hij verdraagt betreding en maaien.
- De jonge bladeren werden vroeger, net als die van paardenbloem, als wilde groente gegeten.
Waar staat een gewoon biggenkruid graag?
- In het wild: gazons, bermen, droge en matig vochtige graslanden, duinen, heide, spoorwegtaluds en open plekken op zand en zure leem.
- Hij houdt van zonnige, open plekken op arme tot matig voedselrijke, goed doorlatende grond; op zand voelt hij zich het best thuis.
- In de tuin: volle zon, in een bloemrijk gazon, een schrale berm, op een zandig talud of langs een grindpad.
- In hoog, dicht gras op rijke grond verdwijnt hij, omdat zijn platte rozet dan geen licht meer krijgt.
Mooi samen met
- Muizenoor: Lichtgele hoofdjes en zilvergrijze rozetten op dezelfde droge, zandige plekken.
- Gewone rolklaver: Gele vlinderbloemen in dezelfde schrale berm, en waardplant voor het icarusblauwtje.
- Zandblauwtje: Hemelsblauwe bolletjes tussen het geel, op arm zand.
- Schapenzuring: Roodbruine bloeiaren op zure grond, en waardplant voor de kleine vuurvlinder.
- Duizendblad: Witte schermen die het geel aanvullen in een bloemrijk gazon.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een gewoon biggenkruid?
- Koop zaad bij een kwekerij voor inheemse planten of in een mengsel voor een schraal, bloemrijk gazon. Haal geen planten weg uit het wild.
- Zaai in maart–mei of in september op open, onkruidvrije grond. Strooi het zaad dun, hark het licht in en druk het aan; het kiemt meestal binnen enkele weken.
- In een bestaand gazon krab je eerst een paar plekjes open of steek je kleine zoden weg, en daar zaai of plant je.
- Jonge planten zet je in het voorjaar of de vroege herfst, 20–30 cm uit elkaar. Laat de penwortel recht naar beneden wijzen.
- Geef de eerste weken water bij droogte; daarna heeft hij geen hulp meer nodig.
Verzorgen
- Water
- Alleen na het zaaien of planten. Met zijn diepe penwortel overleeft hij lange droogte.
- Bemesten
- Niet doen: op bemeste grond groeit het gras te snel en verdwijnt hij.
- Maaien
- Een schrale berm of hooiland maai je twee keer per jaar, eind juni en in september, met afvoer van het maaisel. Een bloemrijk gazon maai je om de 4–6 weken en niet te kort; de platte rozet blijft dan gespaard.
- Zaad laten vallen
- Laat een deel van de hoofdjes uitbloeien en pluizen: zo zaait hij zich vanzelf uit op open plekjes.
- Wegsteken
- Staat hij ergens waar je hem niet wilt, steek de rozet dan uit met een smalle onkruidsteker en haal zoveel mogelijk van de penwortel weg.
Tip: Maai je gazon in de zomer wat minder vaak en wat hoger: binnen enkele weken staat het vol gele biggenkruidbloemen, druk bezocht door wilde bijen.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: juni en september.
Wanneer: Eind juni en in september bij het maaien van een berm of hooiland; in een gazon bij de gewone maaibeurten.
Hoe:
- Maai op 5–8 cm hoogte: de platte rozet blijft dan grotendeels gespaard en loopt snel opnieuw uit met nieuwe bloemstelen.
- Laat het maaisel een paar dagen liggen zodat de zaden kunnen uitvallen, en voer het daarna af.
- Spaar bij elke maaibeurt een strook of hoekje, zodat er altijd bloemen voor de bijen overblijven.
Let op: Maai liefst op een bewolkte dag of laat op de middag, als de hoofdjes gesloten zijn en er minder bijen op zitten.
Vermeerderen
- Zaad
- Oogst de pluizen in de zomer zodra de hoofdjes droog zijn, en zaai meteen of in het voorjaar op open grond. Het zaad kiemt vlot, zonder koudeperiode.
- Zelf uitzaaien
- Met zijn pluiszaad verspreidt hij zich vanzelf over open plekken in gazon en berm. Jonge rozetten kun je verplanten zolang de penwortel nog kort is.
Hoe komt een gewoon biggenkruid de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- De bladrozet blijft de hele winter groen en plat tegen de grond liggen.
- Volledig winterhard, tot ongeveer −25 °C.
- In zachte herfsten bloeien soms nog tot in november losse hoofdjes, een late bron van stuifmeel.
Ziektes en plagen
- Te veel in het gazon: Wil je een strak gazon, steek de rozetten dan uit met een onkruidsteker. In een natuurlijke tuin is hij juist een aanwinst.
- Verdwijnt: In hoog gras op rijke grond verdwijnt hij. Maai en voer het maaisel af om de grond te verschralen.
- Meeldauw: Wit poeder op de bladeren in droge nazomers; meestal onschuldig. Laat het zo of haal aangetaste bladeren weg.
- Paarden: Paarden die langdurig veel biggenkruid eten, kunnen een zenuwaandoening van de achterbenen krijgen. Houd het aandeel in paardenweiden laag.
Het jaar rond
- Maart: De rozetten groeien weer. Zaaien kan.
- April: Zaaien of planten op open plekjes.
- Mei: Eerste bloemen.
- Juni: Volle bloei. Eind juni eerste maaibeurt in de berm; spaar een strook.
- Juli: Bloei en eerste pluizen. Wilde bijen verzamelen stuifmeel.
- Augustus: Bloei. Zaad oogsten.
- September: Tweede maaibeurt; maaisel afvoeren. Zaaien.
- Oktober: Laatste bloemen.
- December: Groene rozetten overwinteren.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De geslachtsnaam Hypochaeris verwijst naar varkens (Grieks choiros), die de wortels graag zouden opeten; de Nederlandse naam biggenkruid sluit daarbij aan.
- In Australië, Nieuw-Zeeland en Noord-Amerika is het een ingevoerde soort die in gazons en weiden zeer algemeen is geworden.
- Net als paardenbloem bevat de plant wit melksap, en net als bij paardenbloem vliegen de zaden met een pluisje met de wind mee.