
Foto: Kristian Peters -- Fabelfroh 12:31, 25 November 2006 (UTC), CC BY-SA 3.0 · bron
Kruidachtige plant · Composietenfamilie (Asteraceae)
Bezemkruiskruid
Senecio inaequidens
In andere talen: Séneçon du Cap (Français) · Narrow-leaved ragwort (English)
Komt in België in het wild voor.
Bezemkruiskruid is een bossig, overblijvend kruiskruid uit Zuid-Afrika. Het kwam in de 20e eeuw met geïmporteerde schapenwol naar België, onder meer naar de wolwasserijen in de streek van Verviers, en verspreidde zich in de tweede helft van de eeuw snel langs autosnelwegen, spoorwegen en kanalen. Nu is het algemeen in wegbermen, op spoorwegterreinen, industrieterreinen, braakliggende grond, in groeves en in de duinen, en het duikt ook op in tuinen en weiden. Je herkent het aan de bezemachtige groei, de smalle, lijnvormige bladeren en de vele helgele bloemhoofdjes, die van juni tot in november bloeien. Het staat op de Belgische lijst van invasieve soorten: het verdringt inheemse planten op droge, open plekken en is giftig voor vee en paarden. Plant of zaai het dus nooit en verspreid het niet.
Let op: Invasieve exoot op de Belgische lijst van invasieve soorten: plant, zaai of verspreid het nooit. De hele plant is giftig door pyrrolizidine-alkaloïden, ook gedroogd in hooi of kuilvoer: gevaarlijk voor grazers, vooral paarden en runderen, en ook voor mensen en huisdieren als ze ervan eten. Houd kinderen en huisdieren weg, draag handschoenen bij het uittrekken en voer bloeiende planten en zaad af in een dichte zak bij het restafval, nooit op de composthoop.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Droog
verdraagt droogte
Winterhard
Volledig winterhard
tot -20 °C
Grootte
0,6 m
hoog, 0,5 m breed
Bloei
juni–november
| Snoeimaanden | mei–oktober |
|---|---|
| Hoogte | 0,6 m |
| Inheems in België | Nee, een invasieve exoot |
| Bloei | juni–november |
Herkennen
Zo herken je hem
- Groeivorm
- Bossige, sterk vertakte plant van 40–80 cm, soms tot 1 m, met een kale stengel die onderaan verhout. Ze lijkt op een kleine, gele bezem en leeft enkele jaren.
- Blad
- Smal lijnvormig, 4–10 cm lang en maar 2–6 mm breed, kaal, met een gave of fijn getande rand; de voet omvat de stengel met twee kleine oortjes. Afwisselend geplaatst.
- Bloem
- Helgele hoofdjes van 1,5–2,5 cm breed, met een krans van gele lintbloemen rond een geel hart, in losse trossen aan de toppen van de takken. Van juni tot in november, in zachte winters nog later.
- Vrucht/Zaad
- Kleine, langwerpige zaadjes met een witte pluis, samen in een donzig bolletje dat lijkt op een kleine paardenbloempluis en met de wind wegwaait.
- Wortels
- Een penwortel met veel zijwortels. Jonge planten trek je makkelijk uit; oude, verhoute planten steek je beter los met een spitvork.
- Verwarring met
- Jakobskruiskruid is inheems, heeft diep ingesneden, geveerde bladeren en bloeit in een platte tuil. Klein kruiskruid heeft geen of bijna geen lintbloemen. Bezemkruiskruid herken je aan de combinatie van smalle, ongedeelde bladeren en een bossige, bezemachtige groei.
Bloei: juni–november · Snoeien: mei–oktober
In je tuin
Wat je moet weten
- Het is giftig: net als jakobskruiskruid bevat het pyrrolizidine-alkaloïden, die de lever van paarden en runderen aantasten, ook als de plant gedroogd in hooi of kuilvoer zit.
- Elke plant vormt duizenden pluiszaden die met de wind, met de luchtstroom van auto’s en treinen en met aangevoerde grond ver reizen: wie het vroeg herkent, voorkomt veel werk.
- Op droge, open plekken zoals duinen, schrale graslanden en rotshellingen verdringt het inheemse planten van die zeldzame milieus.
- Een jonge plant trek je in een handomdraai uit; een oude, verhoute plant heeft al jaren zaad verspreid.
- De bloemen krijgen wel bezoek van bijen en zweefvliegen, maar inheemse gele bloemen zoals rolklaver en walstro doen dat net zo goed, zonder te woekeren.
Waar staat een bezemkruiskruid graag?
- In het wild: wegbermen en middenbermen, spoorwegterreinen, kanaaldijken, industrieterreinen, braakliggende grond, groeves, stortplaatsen en duinen.
- Droge, open, schaars begroeide grond: zand, grind, puin en spoorwegballast, voedselarm tot matig voedselrijk.
- Volle zon; in de schaduw groeit het slecht.
- Het duikt op in grindtuinen, opritten, op aangevoerde grond en in moestuinen, en in open, droge weiden en paardenweiden, waar het een risico is voor grazers.
Beter in de plaats
- Gewone rolklaver: Inheems alternatief met gele bloemen op droge, zonnige grond, en waardplant voor het icarusblauwtje.
- Echt walstro: Geurende, gele pluimen in de zomer, in dezelfde droge, schrale grond.
- Muurpeper: Lage, gele sterretjes op grind en zand, ideaal voor een grindtuin.
- Wilde marjolein: Paarse bloemen voor vlinders en bijen op droge, zonnige grond.
- Grasklokje: Blauwe klokjes in schraal, droog grasland.
Onderhoud
Zo verwijder je hem
- Plant of zaai bezemkruiskruid nooit en geef geen zaad of planten door: het staat op de Belgische lijst van invasieve soorten.
- Trek elke plant zo vroeg mogelijk uit, liefst voor de bloei, met wortel en al. Draag handschoenen; grotere planten steek je eerst los met een spitvork.
- Bloeit de plant al, knip dan eerst de bloemhoofdjes voorzichtig in een zak en trek daarna de plant uit. Ook uitgetrokken planten kunnen hun bloemen nog tot zaad laten rijpen.
- Stop bloeiende planten en zaadhoofdjes in een dichte zak bij het restafval. Nooit op de composthoop, in de gft-bak of in de natuur dumpen.
- Kom van juni tot november elke 3–4 weken terug: het bloeit maanden lang en er blijven nieuwe zaailingen opkomen. Houd dat enkele jaren vol.
- Zaai of plant op kale grond inheemse soorten, zodat nieuwe kiemplanten minder kans krijgen. Meld grote haarden in bermen of weiden bij je gemeente.
Bestrijden
- Uittrekken
- De beste methode: de hele plant met wortel uittrekken of uitsteken, voor ze zaad vormt. Na een regenbui komt de wortel makkelijker mee.
- Maaien
- Alleen maaien helpt weinig: de plant loopt opnieuw uit en bloeit dan lager. Maai je toch, doe het voor de bloei, herhaal het en voer het maaisel af.
- Afval
- Bloeiende planten en zaadhoofdjes in een dichte zak bij het restafval. Niet composteren en nooit in de natuur dumpen.
- Weide en hooi
- Haal planten uit paardenweiden en hooiland voor je maait. Voeder nooit hooi of kuilvoer waarin bezemkruiskruid zit.
- Nazorg
- Controleer de plek tot in november en de volgende jaren opnieuw op zaailingen. Een gesloten begroeiing van inheemse planten houdt nieuwe kiemplanten tegen.
Tip: Trek elke plant die je in of rond je tuin ziet meteen uit, ook als het er maar één is: zo wordt één plant uit de berm geen haard van honderden. Kijk vooral langs grindpaden en op kale grond.
Snoeien en maaien
Snoeimaanden: mei–oktober.
Wanneer: Van mei tot november: niet om de plant te verzorgen, maar om te voorkomen dat ze zaad vormt.
Hoe:
- Trek of steek de planten uit voor de eerste bloemen opengaan.
- Bij bloeiende planten: knip eerst de bloemhoofdjes voorzichtig in een zak en trek daarna de plant uit.
- Schud een uitgetrokken plant niet uit: rijpe pluiszaden waaien meteen weg.
- Kom elke 3–4 weken terug, want er komen steeds nieuwe bloemen en zaailingen bij.
Let op: Alleen afknippen of maaien zonder de wortel weg te halen doet de plant opnieuw uitlopen en bloeien. Haal altijd de hele plant weg.
Hoe hij zich verspreidt
- Zaad
- De belangrijkste weg: elke plant vormt jaarlijks duizenden pluiszaden, die met de wind wegwaaien en met de luchtstroom van auto’s en treinen langs wegen en spoorlijnen worden meegevoerd.
- Grond en voertuigen
- Zaden reizen mee met aangevoerde grond, grind, banden, schoenen en maaimachines. Maak gereedschap, schoenen en machines schoon na het werk.
- Lange bloei
- Doordat het van juni tot in november bloeit, vormt het maandenlang zaad. Eén controle per jaar is daarom niet genoeg.
Hoe komt een bezemkruiskruid de winter door?
Winterhard tot −20 °C.
- In zachte winters blijft het groen en bloeit het soms door. Bij strenge vorst sterven de takken deels af, maar de verhoute voet loopt in het voorjaar weer uit.
- Steek in de winter grote, verhoute planten uit en kijk of er geen rijpe zaadhoofdjes meer aan hangen.
- Ook dode, droge planten blijven giftig: laat ze niet liggen in een weide of in hooiland.
Ziektes en plagen
- Giftig voor vee: De alkaloïden beschadigen de lever, ook in kleine hoeveelheden die zich na verloop van tijd opstapelen. Haal de plant uit weiden en hooiland.
- Zaad uit de berm: Pluiszaden waaien vanuit wegbermen en spoorwegen naar tuinen en weiden. Controleer je tuin geregeld, zeker grindpaden en kale grond.
- Hergroei: Een afgeknipte of half uitgetrokken plant loopt opnieuw uit. Haal de wortel helemaal weg.
- Verwarring: Trek geen inheemse gele composieten uit door een vergissing. Kijk naar de smalle, ongedeelde bladeren en de bossige groei.
- Huidcontact: Draag handschoenen als je veel planten uittrekt en was daarna je handen.
Het jaar rond
- Maart: Controleer bermen, grindpaden en kale grond op overwinterde planten en zaailingen.
- April: Steek grote, verhoute planten uit voor ze opnieuw gaan bloeien.
- Mei: Zaailingen en jonge planten uittrekken; dat gaat nu nog makkelijk.
- Juni: De bloei begint. Trek planten uit voor ze zaad vormen.
- Juli: Elke 3–4 weken controleren en uittrekken. Bloeiende planten in een dichte zak bij het restafval.
- Augustus: Volle bloei en zaadvorming: blijf controleren, ook in weiden en hooiland.
- September: Blijf uittrekken en let op nieuwe zaailingen.
- Oktober: Het bloeit nog volop: haal bloeiende planten weg voor het zaad rijp is.
- November: Laatste ronde: haal de laatste bloeiende planten weg.
- December: In zachte winters bloeien er nog planten. Noteer waar het groeide, om er volgend jaar op te letten.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Bezemkruiskruid is een bekende wolplant: de zaadjes zaten in schapenwol uit Zuid-Afrika en kwamen bij de wolwasserijen en spinnerijen in Europa in het wild terecht.
- Langs autosnelwegen reist het mee met het verkeer: de luchtstroom van voorbijrijdende auto’s en vrachtwagens neemt de pluiszaden mee langs de berm.
- In zijn thuisland groeit het in de graslanden van het hoogland van Zuid-Afrika en Lesotho; daardoor kan het ook bij ons tegen vorst.