
Foto: No machine-readable author provided. Thierry Caro assumed (based on copyright claims)., CC BY-SA 2.5 · bron
Boom · Cupressaceae
Japanse ceder
Cryptomeria japonica
In andere talen: Cryptoméria du Japon (Français) · Japanese cedar (English)
De Japanse ceder of sugi komt uit de bergbossen van Japan en het zuiden van China en is de nationale boom van Japan. Het is een slanke, kegelvormige conifeer met roodbruine schors die in lange repen loslaat en korte, priemvormige naalden die spiraalsgewijs rond de twijgen staan. Ondanks zijn naam is hij geen echte ceder, maar familie van de cipres. De soort wordt na vele jaren een grote boom, maar er bestaan veel kleine tuinvormen, zoals bolronde dwergvormen en ‘Elegans’, met zacht, pluimig jeugdblad dat in de winter bronsrood kleurt. Hij houdt van frisse, kalkarme grond en een beschutte plek.
Licht
Zon of halfschaduw
liefst wat zon
Vocht
Normaal tot nat
mag niet uitdrogen
Grond
Zand of leem
zuur tot neutraal
Winterhard
Volledig winterhard
tot -25 °C
Grootte
20 m
hoog, 8 m breed
| Snoeimaanden | april en augustus |
|---|---|
| Hoogte | 20 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
Herkennen
Hoe herken je een Japanse ceder?
- Groeivorm
- Slanke, kegelvormige boom met een rechte stam; na vele jaren tot 20 m hoog en 8 m breed. Dwergvormen blijven bolrond en klein.
- Naalden
- Priemvormig, 0,5–1,5 cm, spiraalsgewijs en naar voren gebogen rond de twijgen; fris- tot donkergroen, bij sommige vormen bronsrood in de winter.
- Schors
- Roodbruin en vezelig; ze laat in lange, smalle repen los.
- Kegels
- Rond, 1–2 cm, eerst groen en later bruin, aan de toppen van de twijgen. De kleine mannelijke kegeltjes geven in het voorjaar stuifmeel af.
- Wortels
- Breed vertakt in de bovenste grondlaag; in droge grond lijdt hij snel.
Planten: april–mei en september–oktober · Snoeien: april en augustus
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Groenblijvend: het hele jaar structuur en kleur, ook midden in de winter.
- De roodbruine, vezelige schors is mooi van dichtbij, zeker bij oudere bomen.
- Veel tuinvormen: van dwergbolletjes voor een rotstuin of pot tot een statige solitaire boom voor een grote tuin.
- Sommige vormen kleuren in de winter bronsrood en worden in het voorjaar weer groen.
- Verdraagt een snoeibeurt beter dan de meeste coniferen.
Waar staat een Japanse ceder graag?
- Zon of halfschaduw; jonge bomen waarderen wat schaduw op het heetst van de dag.
- Frisse, humusrijke grond: zand of leem, zuur tot neutraal. Op kalkrijke grond groeit hij slecht.
- Vocht is belangrijk: een vochtige plek is geen probleem, droge en schrale grond wel.
- Beschut tegen koude, uitdrogende oostenwind, die de naalden bruin kleurt.
- Geef de soort minstens 6–8 m ruimte en houd afstand van het huis; dwergvormen passen op 1 m.
- Licht
- Zon en halfschaduw
- Grondsoort
- Zand of leem
- Zuurtegraad
- Zuur of neutraal
- Vocht
- Normaal of nat
- Grootte
- 20 m hoog, 8 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -25 °C)
Mooi samen met
- Japanse esdoorn: Fijn blad en herfstkleur naast het donkere groen, op dezelfde frisse, zure grond.
- Rododendron: Houdt van dezelfde kalkarme, vochtige grond en halfschaduw.
- Japans bosgras: Een zachte, sierlijke rand aan de voet.
- Varens: Frisse onderbeplanting in de halfschaduw.
- Heide: Laag en kleurrijk naast dwergvormen in een zonnige, zure border.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een Japanse ceder?
Planten in april–mei en september–oktober.
- Plant in april–mei of in september–oktober, als de grond niet bevroren en niet kurkdroog is.
- Graaf een plantgat twee keer zo breed als de kluit en meng er een paar scheppen bladcompost door.
- Zet de boom even diep als hij in de pot of kluit stond en druk de grond goed aan.
- Zet een jonge boom op een winderige plek vast aan een schuine paal.
- Geef meteen ruim water en het eerste jaar elke week bij droog weer.
- Leg een laag mulch van bladcompost of houtsnippers rond de voet.
Verzorgen
- Water
- Het eerste jaar wekelijks bij droogte. Ook later bij lange droogte water geven: hij verdraagt geen uitgedroogde grond.
- Bemesten
- Meestal niet nodig. Op arme grond in april wat compost of organische mest voor coniferen.
- Mulchen
- Een laag bladcompost of houtsnippers in het voorjaar houdt de grond koel, vochtig en licht zuur.
- Naaldval
- In de herfst worden de binnenste twijgjes bruin en vallen ze af. Dat is normaal en geen ziekte.
- In een pot
- Dwergvormen staan goed in een grote pot met potgrond voor zuurminnende planten. Laat de kluit nooit uitdrogen.
Tip: Kies voor een kleine tuin een dwergvorm: de soort zelf wordt na vele jaren een boom van 20 m. Geef hem frisse, kalkarme grond en houd hem uit de koude wind.
Wanneer snoei je een Japanse ceder?
Snoeimaanden: april en augustus.
Wanneer: Snoeien is zelden nodig. Wil je vormen of inkorten, doe het dan in april of eind augustus.
Hoe:
- Knip dode, beschadigde of bruine takken weg tot op gezond hout.
- Dwergvormen en hagen kun je licht in vorm knippen; knip bij voorkeur in de groene twijgen.
- Heeft een jonge boom twee toppen, haal dan de zwakste weg, zodat er één rechte stam blijft.
- Bij een vrijstaande boom is de natuurlijke vorm het mooist: beperk je tot wat echt nodig is.
Let op: Snoei niet bij vriesweer of tijdens een hittegolf: de snijwonden en de naalden drogen dan uit.
Vermeerderen
- Stekken
- In augustus–september: stekken van 10–15 cm van halfrijpe twijgen, met een hieltje, in vochtige stekgrond onder glas of plastic. Na enkele maanden wortels; zo blijven tuinvormen echt.
- Zaad
- Alleen voor de soort zelf: zaai in het voorjaar, na enkele weken koude in de koelkast. Zaailingen groeien traag.
Hoe komt een Japanse ceder de winter door?
Winterhard tot −25 °C.
- Winterhard tot ongeveer −25 °C: in Belgische winters is bescherming meestal niet nodig.
- Koude, droge oostenwind kan de naalden bruin kleuren. Bescherm jonge bomen op een open plek met een windscherm van jute.
- Geef in een droge herfst nog goed water, zodat de boom niet uitgedroogd de winter in gaat.
- De bronsrode wintertint van vormen als ‘Elegans’ is normaal; in het voorjaar worden ze weer groen.
Ziektes en plagen
- Bruine naalden: Na een droge zomer of een koude, winderige winter. Water geven bij droogte, een beschutte plek kiezen en dode takjes wegknippen.
- Naaldval binnenin: Bruine twijgjes binnen in de boom in de herfst zijn normaal: ze vallen vanzelf af.
- Spint: Fijne spinseltjes en een grauwe, gespikkelde kleur in een hete, droge zomer. De boom nat spuiten met water en de grond vochtig houden helpt.
- Gele naalden: Teken van kalkrijke of te droge grond. Mulchen met bladcompost en gieten met regenwater helpt.
Het jaar rond
- Januari: Rust. Zware sneeuw voorzichtig van de takken schudden.
- Maart: Mulch van bladcompost aanbrengen.
- April: Planten. Licht in vorm knippen als dat nodig is.
- Mei: Planten. Jonge bomen water geven bij droogte.
- Juni: Water geven bij droogte. Letten op spint.
- Juli: Water geven bij droogte.
- Augustus: Licht snoeien. Stekken nemen.
- September: Planten. Stekken nemen.
- Oktober: Planten. Bruine binnentwijgjes vallen af: dat is normaal.
- November: Windscherm rond jonge bomen op een open plek.
- December: Bronsrode wintertint bij sommige vormen.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Ondanks de naam is hij geen echte ceder (Cedrus): hij hoort bij de cipresfamilie.
- Bij Nikko in Japan loopt een laan van tientallen kilometers met duizenden sugi’s die in de 17e eeuw zijn aangeplant.
- De naam Cryptomeria betekent ‘verborgen delen’ en verwijst naar de onopvallende bloei- en zaaddelen.