
Foto: Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 · bron
Naaldboom · Apenboomfamilie (Araucariaceae)
Slangenden
Araucaria araucana · ook: Apenboom, Apenpuzzel
De slangenden of apenverdriet komt uit de Andes in Chili en Argentinië en is onmiskenbaar: dikke, slangachtige takken die helemaal bedekt zijn met brede, driehoekige, vlijmscherpe blaadjes. Hij groeit traag uit tot een boom van 10–25 m met een kroon als een kandelaar; oudere bomen verliezen hun onderste takken. In de 19e en het begin van de 20e eeuw was hij een modeboom in villatuinen en parken, en zo staat hij nog vaak in oude voortuinen. Een blikvanger als solitaire boom, maar plant hem niet naast een pad of een speelplaats.
Let op: De blaadjes zijn vlijmscherp: plant hem niet naast een pad, een terras of een speelplaats, en draag handschoenen als je afgevallen takken opruimt.
Licht
Volle zon
warm en licht
Vocht
Normaal
geen natte voeten
Grond
Elke tuingrond
elke zuurtegraad
Winterhard
In heel België
geen bescherming nodig
Grootte
10–25 m
hoog
| Snoeimaanden | april–mei |
|---|---|
| Hoogte | 10–25 m |
| Inheems in België | Nee, aangeplant |
| Goed voor bijen, vlinders en vogels | Weinig |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
Herkennen
Hoe herken je een slangenden?
- Groeivorm
- Groenblijvende boom van 10–25 m, jong breed kegelvormig, later met een hoge, open kroon als een kandelaar; de takken staan in kransen rond de stam.
- Blad
- Leerachtige, driehoekige blaadjes van 3–5 cm met een stekelpunt, spiraalsgewijs en overlappend rondom de takken; ze blijven 10–15 jaar zitten.
- Schors
- Grijs, met ringvormige littekens van oude takken.
- Kegel
- Grote, bolvormige kegels (10–15 cm) die jaren nodig hebben om te rijpen; in Chili eet men de zaden. Mannelijke en vrouwelijke kegels staan meestal op aparte bomen.
- Verschil met de kamerden
- De kamerden (Araucaria heterophylla) heeft zachte, kleine naaldjes en is een kamerplant die niet buiten kan.
Snoeien: april–mei
Herkennen per kenmerk: Stekende naalden
Lijkt op, maar is het niet
- Kamerden (Araucaria heterophylla): zachte, kleine naaldjes; een kamerplant die niet buiten kan.
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een silhouet dat je nergens anders ziet: een blikvanger voor een ruime voortuin of een park.
- Groenblijvend en het hele jaar even opvallend, ook in de winter.
- Weinig werk: hij groeit traag en hoeft bijna nooit gesnoeid te worden.
- Volledig winterhard en bestand tegen wind.
Waar staat een slangenden graag?
- Volle zon; daar groeit hij het mooist.
- Elke goed doorlatende grond, zuur of kalkrijk, die niet uitdroogt en niet lang nat blijft.
- Verdraagt wind goed, ook aan de kust.
- Reken op een kroon van ongeveer 8 m breed en 15 m of meer hoog: geen boom voor een kleine tuin, wel voor een ruime voortuin, een grote tuin of een park. Houd afstand van paden, terrassen en speelplekken.
- Licht
- Volle zon
- Grond
- Elke tuingrond
- Vocht
- Normaal
- Grootte
- 15 m hoog, 8 m breed
- Winterhard
- In heel België, geen bescherming nodig
Mooi samen met
- Atlasceder: In een park of grote tuin: nog een groenblijvende blikvanger uit de tijd van de grote parkaanleg.
- Mammoetboom: Twee exoten die je in oude kasteelparken vaak samen ziet; alleen voor wie heel veel ruimte heeft.
- Sierjeneverbes: Een lage, kruipende jeneverbes rond de voet vult de grond, vraagt weinig zorg en houdt mensen op afstand van de stekelige takken.
Past goed bij, en liever niet bij
Past goed bij
- Verdragen de schaduw onder deze boom: mahonie, rododendron, olijfwilg, skimmia, haagliguster, camelia, altijdgroene sneeuwbal, haagkamperfoelie
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een slangenden?
- Plant in april of september, uit pot of met kluit. Een jonge plant slaat het best aan.
- Kies meteen de definitieve plek, ver genoeg van huis, paden en speelplekken: hij wordt breed en de blaadjes steken.
- Graaf een ruim plantgat, maak de grond los en zet de plant even diep als hij in de pot stond.
- Geef de eerste twee jaar water bij droogte; daarna redt hij zich.
- Wil je ooit zaden oogsten, dan heb je een mannelijke en een vrouwelijke boom nodig. Welk geslacht een boom heeft, zie je pas na vele jaren, als hij kegels vormt.
Verzorgen
- Water
- De eerste jaren bij droogte; een oudere boom heeft geen water nodig.
- Bemesten
- Niet nodig; wat compost bij het planten volstaat.
- Onderste takken
- Oudere bomen verliezen van onderuit hun takken. Dat is normaal: haal de afgestorven takken in de lente weg.
- Afgevallen takken
- Dode takken vallen met blaadjes en al af en blijven lang scherp: ruim ze op met stevige handschoenen.
Tip: Zet een jonge slangenden niet te dicht bij het huis of het pad: wat nu een plantje van een meter is, wordt een boom met een kroon van 8 m breed en blaadjes als messen.
Wanneer snoei je een slangenden?
Snoeimaanden: april–mei.
Wanneer: Haal in de lente de onderste, afgestorven takken weg.
Hoe:
- Zaag dode takken vlak bij de stam af, zonder in de stam te zagen.
- Snoei geen gezonde takken om hem kleiner te maken: een weggezaagde tak groeit niet terug, en een weggezaagde top wordt niet mooi vervangen.
- Werk bij een grote boom met een zaag op een lange steel, en sta naast de tak, niet eronder.
Let op: Draag stevige handschoenen en lange mouwen: de blaadjes zijn vlijmscherp, ook op dode takken.
Vermeerderen
- Zaaien
- Verse zaden uit een bevruchte vrouwelijke kegel kiemen vlot; laat ze niet uitdrogen. Zaai ze in een diepe pot met zanderige grond. Zaailingen groeien traag.
- Stekken
- Lukt slecht: een stek van een zijtak blijft zijwaarts groeien en wordt nooit een mooie boom.
Hoe komt een slangenden de winter door?
Winterhard in heel België: geen bescherming nodig.
- Volledig winterhard in België en Nederland.
- Jonge bomen kunnen bij strenge vorst met koude, droge oostenwind bruine blaadjes krijgen; meestal herstellen ze in de lente.
- Kijk na een winterstorm of er takken zijn afgebroken, en ruim ze met handschoenen op.
Ziektes en plagen
- Afstervende onderste takken: Bij oudere bomen normaal. Gaat het snel, of sterven ook hogere takken af, denk dan aan droogte, verdichte grond, strooizout of wortelrot.
- Wortelrot: Bruine, afstervende takken op natte, slecht doorlatende grond. Plant hem op een goed doorlatende plek; een zieke boom is moeilijk te redden.
- Bruine blaadjes: Na een strenge winter met koude wind, vooral bij jonge bomen. Wacht af: de boom loopt in de lente weer uit.
Het jaar rond
- Januari: Na een storm: afgebroken takken met handschoenen opruimen.
- April: Onderste, afgestorven takken wegzagen; planten uit pot.
- Mei: Snoei van dode takken afronden.
- Juli: Jonge bomen water geven bij droogte.
- Augustus: Water geven bij aanhoudende droogte, de eerste jaren.
- September: Planten uit pot of met kluit.
- November: Afgevallen takken opruimen; een laag mulch rond een jonge boom.
Gebruiken
Wat kan je ermee?
- Tuin en landschap
- Opvallende solitaire boom met een kroon als een kandelaar; groeit traag.
- Eten en drinken
- In Chili eet men de grote zaden (piñones), gekookt of geroosterd.
Let op: De blaadjes zijn vlijmscherp: plant hem niet naast een pad of speelplaats.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- De Engelse naam ‘monkey puzzle’ komt van de opmerking dat zelfs een aap er moeite mee zou hebben om erin te klimmen.
- Een levend fossiel: zijn familie bestond al toen er dinosaurussen leefden.
- De Pehuenche in de Andes danken hun naam aan de boom (pehuén); de zaden (piñones) zijn er een belangrijk voedsel. In Chili is hij beschermd, want in het wild is hij bedreigd.
- De Schotse scheepsarts Archibald Menzies kreeg in Chili de zaden als dessert opgediend. Hij stak er enkele op zak, kweekte ze aan boord op en bracht zo de eerste slangendennen naar Groot-Brittannië.
- De familie van de apenbomen bestond al in de tijd van de dinosauriërs: er zijn fossiele araucaria’s uit het Jura bekend.