Decaisnea (Decaisnea fargesii)

Foto: MPF, CC BY-SA 3.0 · bron

Heester · Lardizabalaceae

Decaisnea

Decaisnea fargesii

In andere talen: Arbre aux haricots bleus (Français) · Blue sausage fruit (English)

De decaisnea, in het Engels treffend ‘blue sausage fruit’ genoemd, is een bladverliezende struik uit de bergbossen van West-China. Hij groeit met enkele rechtopgaande, weinig vertakte stammen uit tot een struik van 3–4 m hoog en ongeveer 3 m breed, met grote, geveerde bladeren van 50–80 cm die hem een exotisch, bijna tropisch uiterlijk geven. In mei–juni hangen lange trossen groengele, klokvormige bloemen onder het blad. In de herfst volgt de grote attractie: metaalblauwe, worstvormige peulen van 5–10 cm, gevuld met wit, geleiachtig en zoetig vruchtvlees dat je kunt eten. Tuiniers kiezen hem vooral als blikvanger en gespreksonderwerp, en omdat hij verder weinig werk vraagt.

  • Licht

    Zon of halfschaduw

    liefst wat zon

  • Vocht

    Normaal

    geen natte voeten

  • Grond

    Zand, leem of klei

    zuur tot neutraal

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -20 °C

  • Grootte

    4 m

    hoog, 3 m breed

  • Bloei

    mei–juni

Feiten op een rij
Snoeimaandenmaart
Hoogte4 m
Inheems in BelgiëNee, aangeplant
Giftig voor mens en huisdierNiet als giftig bekend
Bloeimei–juni

Herkennen

Hoe herken je een decaisnea?

Groeivorm
Opgaande struik met enkele dikke, weinig vertakte stammen, 3–4 m hoog en ongeveer 3 m breed.
Blad
Geveerd, 50–80 cm lang, met 13–25 eironde blaadjes; frisgroen, aan de onderkant blauwgroen. Gele herfstkleur.
Bloem
Groengele, klokvormige bloemen in lange, hangende trossen, in mei–juni.
Vrucht
Metaalblauwe, worstvormige peulen van 5–10 cm in trosjes, rijp in september–oktober. Binnenin wit, doorschijnend vruchtvlees met platte zwarte zaden.
Smaak
Het vruchtvlees smaakt mild en zoetig, wat aan meloen doet denken.

Bloei: mei–juni · Oogst en vruchten: september–oktober · Planten: maart–april en oktober–november · Snoeien: maart

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Een echte blikvanger in de herfst: trossen metaalblauwe peulen die je nergens anders ziet.
  • Eetbaar vruchtvlees met een zachte, zoete smaak, voor wie eens iets anders wil proeven.
  • Groot, geveerd blad met een exotische uitstraling, dat in de herfst geel kleurt.
  • Een sierlijke, opgaande struik voor achteraan in een grote border of als solitair in het gazon.
  • Weinig snoeiwerk en zelden last van ziekten of plagen.

Waar staat een decaisnea graag?

  • Zon of halfschaduw; in de zon draagt hij het meest, maar op droge grond is wat bescherming tegen de felste middagzon welkom.
  • Humusrijke, vochthoudende grond die goed doorlaat: zand, leem of klei, zuur tot neutraal.
  • Beschut tegen harde wind, die de grote bladeren beschadigt, en tegen late nachtvorst: vermijd lage, koude plekken.
  • Reken op 3 m ruimte: plant hem als solitair of achteraan in een grote border.
Licht
Zon en halfschaduw
Grondsoort
Zand, leem of klei
Zuurtegraad
Zuur of neutraal
Vocht
Normaal
Grootte
4 m hoog, 3 m breed
Winterhard
Winterhard (tot -20 °C)

Mooi samen met

  • Schoonvrucht: Paarse besjes in de herfst, prachtig naast de blauwe peulen.
  • Japanse esdoorn: Rode of oranje herfstkleur naast het gele blad.
  • Hosta: Groot blad aan de voet, in de halfschaduw.
  • Varens: Een frisse onderbeplanting die het exotische karakter versterkt.
  • Japanse anemoon: Bloeit in september onder de struik, als de peulen kleuren.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een decaisnea?

Planten in maart–april en oktober–november.

  1. Plant in maart–april of in oktober–november, als de grond niet bevroren of te nat is.
  2. Graaf een ruim plantgat, twee keer zo breed als de kluit, en meng er compost of bladaarde door.
  3. Zet de plant even diep als in de pot en druk de grond goed aan.
  4. Houd ongeveer 3 m vrij rond de struik, ook ten opzichte van paden en gebouwen.
  5. Geef meteen ruim water en het eerste jaar regelmatig bij droogte.
  6. Leg een laag mulch van compost of houtsnippers rond de voet.

Verzorgen

Water
Het eerste jaar regelmatig bij droogte; daarna in droge zomers af en toe flink water geven, dan blijven blad en vruchten mooier.
Bemesten
In april een laag compost of wat organische mest.
Mulchen
Een laag bladcompost in het voorjaar houdt de grond koel en vochtig.
Late nachtvorst
Dek jonge planten bij een vorstnacht in april–mei af met vliesdoek, zodat het jonge blad niet bevriest.
Oogsten
Pluk de peulen in september–oktober, als ze zacht aanvoelen en beginnen open te splijten. Lepel het vruchtvlees eruit en spuug de zaden uit; de schil eet je niet.

Tip: Proef de vruchten pas als de peulen zacht worden en vanzelf beginnen open te splijten: dan is het vruchtvlees het zoetst.

Wanneer snoei je een decaisnea?

Snoeimaanden: maart.

Wanneer: Snoeien is nauwelijks nodig. Doe het zo nodig in maart, voor het blad uitloopt.

Hoe:

  • Knip dode, bevroren of beschadigde takken terug tot op gezond hout.
  • Neem om de paar jaar een van de oudste stammen aan de voet weg om de struik jong en open te houden.
  • Wacht na een late nachtvorst een paar weken en knip dan pas weg wat echt dood is.

Let op: Kort de stammen niet allemaal in: hij vertakt weinig en verliest dan zijn sierlijke vorm.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Zaaien
Zaai de zaden liefst vers in de herfst in een pot buiten; na de winter kiemen ze meestal goed. Een zaailing draagt pas na enkele jaren vruchten.
Opkweken
Pot de zaailingen apart en zet ze de eerste winter beschut. Plant ze pas uit als ze stevig genoeg zijn, in het voorjaar of de herfst.

Hoe komt een decaisnea de winter door?

Winterhard tot −20 °C.

  • Winterhard tot ongeveer −20 °C: de struik doorstaat Belgische winters zonder bescherming.
  • Het grootste risico is late nachtvorst in april–mei, die jong blad en bloemknoppen kan beschadigen. Dek jonge planten dan af met vliesdoek.
  • Geef jonge planten de eerste winters een laag mulch over de wortels.

Ziektes en plagen

  • Bevroren jong blad: Zwart of bruin jong blad na een late vorstnacht. Knip pas weg wat echt dood is; de struik maakt meestal nieuwe scheuten. Plant hem beschut.
  • Gescheurd of verbrand blad: Door harde wind of felle zon op droge grond. Kies een beschutte plek en geef water in droge zomers.
  • Geen vruchten: Jonge planten dragen pas na enkele jaren, en late vorst kan de bloemen vernielen. Geduld en een beschutte, zonnige plek helpen.
  • Hangend blad: Teken van droogte: geef ruim water aan de voet en mulch de grond.

Het jaar rond

  • Maart: Zo nodig dode takken wegknippen. Planten.
  • April: Planten. Compost geven en mulchen. Jong blad afdekken bij nachtvorst.
  • Mei: Bloei. Bij late nachtvorst afdekken.
  • Juni: Laatste bloemen. Water geven bij droogte.
  • Juli: De jonge peulen groeien. Water geven bij droogte.
  • Augustus: De peulen kleuren blauw.
  • September: Peulen oogsten als ze zacht worden en opensplijten.
  • Oktober: Laatste peulen oogsten. Zaden zaaien. Gele herfstkleur. Planten.
  • November: Planten. Het blad valt af.

Gebruiken

Eetbaar en bruikbaar

Vruchten (september–oktober)
De blauwe peulen rijpen in september en oktober, maar een jonge struik draagt pas na enkele jaren, en na een late nachtvorst in het voorjaar soms helemaal niet. Pluk ze als ze zacht aanvoelen en vanzelf beginnen open te splijten: dan is het vruchtvlees het zoetst; harde peulen laat je hangen. Binnenin zit wit, doorschijnend, geleiachtig vruchtvlees met rijen platte, zwarte zaden. Het smaakt mild en zoetig, wat aan meloen doet denken: verwacht geen uitgesproken smaak. Lepel het vers uit de peul en spuug de zaden uit, of zeef het en schep het over yoghurt of door een fruitsalade, met een scheutje limoensap dat de smaak wat oppept. De blauwe schil eet je niet.
Bewaring
Rijpe peulen houden een paar dagen in de koelkast; het vruchtvlees bewaart slecht, eet het dus liefst meteen. Inmaken of drogen is de moeite niet: daarvoor is de smaak te zacht.

Let op: Eet enkel het vruchtvlees: de zaden en de blauwe schil eet je niet. De zaden zitten stevig in de gelei: haal ze eruit met een lepel of een zeef, zeker voor kinderen. Proef de eerste keer een klein beetje: de geleiachtige structuur lust niet iedereen. Reken niet elk jaar op een oogst: na een late nachtvorst, of aan een jonge struik, blijven de peulen weg.

Eten en gebruiken doe je op eigen risico: zie de gebruiksvoorwaarden.

Recepten

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • Het geslacht is genoemd naar de Franse botanicus Joseph Decaisne, die aan de Jardin des Plantes in Parijs werkte; de soortnaam eert Paul Guillaume Farges, een Franse missionaris die in China planten verzamelde.
  • Hij hoort bij dezelfde familie als de klimplant akebia, die ook vruchten met eetbaar, zoet vruchtvlees draagt.
  • In het Engels heet hij ook ‘dead man’s fingers’, naar de blauwe, vingervormige peulen.

Tuinplanten · Alle soorten

Laden…