
Foto: by Thomas Moore ; edited by John Lindley ; nature-printed by Henry Bradbury., Public domain · bron
Varen · Thelypteridaceae
Smalle beukvaren
Phegopteris connectilis
In andere talen: Phégoptéris du hêtre (Français) · Beech fern (English)
De smalle beukvaren is een lage, inheemse bosvaren die in de koele, vochtige bossen van Europa, Azië en Noord-Amerika groeit. In België vind je hem vooral in vochtige loofbossen, langs beken en op beschaduwde hellingen, het meest in het zuiden van het land. Hij wordt 20–30 cm hoog en kruipt met dunne wortelstokken door de grond, zodat hij langzaam een losse groep of tapijt vormt. De zachte, lichtgroene en wat behaarde bladeren zijn smal driehoekig, en het onderste paar deelblaadjes wijst opvallend schuin naar beneden. Tuinliefhebbers gebruiken hem als fijne bodembedekker in een natuurlijke schaduwtuin.
Licht
Halfschaduw of schaduw
verdraagt weinig zon
Vocht
Normaal tot nat
mag niet uitdrogen
Grond
Zand of leem
zuur tot neutraal
Winterhard
Volledig winterhard
tot -30 °C
Grootte
0,3 m
hoog, 0,4 m breed
| Hoogte | 0,3 m |
|---|---|
| Inheems in België | Ja |
| Giftig voor mens en huisdier | Niet als giftig bekend |
Herkennen
Hoe herken je een smalle beukvaren?
- Groeivorm
- Lage, kruipende varen van 20–30 cm hoog die langzaam een groep van 40 cm breed en meer vormt.
- Blad
- Smal driehoekig, enkel geveerd met diep ingesneden deelblaadjes; het onderste paar wijst schuin naar beneden en naar voren.
- Kleur
- Licht- tot frisgroen, zacht behaard. Het blad sterft in de herfst af.
- Bladsteel
- Dun, langer dan het blad, waardoor het blad schuin boven de grond staat.
- Sporen
- Kleine, ronde sporenhoopjes zonder dekvliesje, vlak bij de rand van de deelblaadjes; varens bloeien niet.
- Wortels
- Dunne, kruipende wortelstokken vlak onder het oppervlak.
Planten: maart–mei en september–oktober
In je tuin
Waarom in je tuin?
- Een fijne, lichtgroene bodembedekker voor zure, vochtige grond in de schaduw.
- Inheems: hij past perfect in een natuurlijke bostuin of langs een beschaduwde beek.
- Het zachte, wat behaarde blad brengt licht in donkere hoekjes.
- Klein en niet opdringerig: mooi tussen stenen, boomwortels en langs een pad.
- Bijna geen werk: het oude blad vergaat vanzelf, snoeien is niet nodig.
Waar staat een smalle beukvaren graag?
- Halfschaduw tot schaduw, bijvoorbeeld onder loofbomen, aan de noordkant van een muur of langs een beschaduwde beek.
- Losse, humusrijke en zure tot neutrale grond: zand of leem, met veel bladcompost. Geen kalk.
- Normaal vochtig tot nat: koel en vochthoudend, nooit uitdrogend. Langs een beek of vijverrand voelt hij zich thuis.
- Een beschutte plek zonder harde wind en zonder concurrentie van sterke woekeraars.
- Plant 25–30 cm uit elkaar; zo sluit de groep na twee à drie jaar.
- Licht
- Halfschaduw en schaduw
- Grondsoort
- Zand of leem
- Zuurtegraad
- Zuur of neutraal
- Vocht
- Normaal of nat
- Grootte
- 0,3 m hoog, 0,4 m breed
- Winterhard
- Winterhard (tot -30 °C)
Mooi samen met
- Bosanemoon: Bloeit in maart–april, voor het varenblad zich ontrolt, in dezelfde bosgrond.
- Witte klaverzuring: Een lage, inheemse bodembedekker voor zure, vochtige bosgrond.
- Wilde hyacint: Blauwe klokjes in april–mei onder loofbomen, een inheemse voorjaarsbloeier.
- Gebogen driehoeksvaren: Een andere kleine, kruipende inheemse varen die in de natuur vaak op dezelfde plekken groeit.
- Hosta: Grote, brede bladeren als rustig contrast met het fijne varenblad.
Onderhoud
Hoe en wanneer plant je een smalle beukvaren?
Planten in maart–mei en september–oktober.
- Plant van maart tot mei of in september–oktober, als de grond niet bevroren of te droog is.
- Maak de grond los en meng er royaal bladcompost of verteerde boombladeren door.
- Graaf een ondiep plantgat iets breder dan de pot en leg de wortelstokken vlak onder het oppervlak, niet dieper dan ze stonden.
- Houd 25–30 cm tussen de planten en druk de grond voorzichtig aan.
- Geef meteen ruim water, liefst regenwater, en houd de grond de eerste weken goed vochtig.
- Strooi een dun laagje bladcompost tussen de planten als mulch.
Verzorgen
- Water
- Bij droogte water geven, liefst regenwater: kraantjeswater bevat vaak kalk. De grond mag nooit uitdrogen.
- Bemesten
- Niet nodig: een laagje bladcompost in het voorjaar volstaat. Geen kunstmest en geen kalk.
- Mulchen
- Laat afgevallen boombladeren liggen: ze vergaan tot de losse, zure bosgrond waarin hij het best groeit.
- Wieden
- Wied voorzichtig met de hand tot de groep gesloten is; schoffelen beschadigt de ondiepe wortelstokken.
- Oud blad
- Het blad vergaat in de herfst en winter vanzelf. Laten liggen.
Tip: Geef hem koele, zure en altijd vochtige grond met veel bladcompost, bijvoorbeeld langs een beschaduwde beek of vijverrand. Giet met regenwater en laat afgevallen blad liggen.
Wanneer snoei je een smalle beukvaren?
Wanneer: Snoeien is niet nodig: het blad sterft in de herfst af en vergaat vanzelf tot een natuurlijke mulch.
Hoe:
- Laat het dode blad liggen: het beschermt de wortelstokken en voedt de grond.
- Verdroogd blad in een droge zomer mag je wegknippen; de plant loopt het volgende voorjaar weer uit.
- Groeit hij te ver, steek dan in het voorjaar de randen af met een spade.
Vermeerderen
- Delen
- In maart–april een stuk van de groep met wortelstokken en wat grond afsteken en meteen elders planten. Goed water geven.
- Sporen
- In de zomer rijpe sporen verzamelen en uitzaaien op steriele, vochtige zaaigrond onder glas. Dat vraagt geduld: pas na enkele maanden verschijnen kleine varentjes.
Hoe komt een smalle beukvaren de winter door?
Winterhard tot −30 °C.
- Zeer winterhard, tot ongeveer −30 °C: in België is geen bescherming nodig.
- Het blad sterft in de herfst af; in de winter is er niets te zien. Markeer de plek, zodat je er in het voorjaar niet per ongeluk in spit.
- Laat afgevallen boombladeren op de groep liggen als natuurlijke winterdeken.
- In een pot: zet de pot beschut tegen een muur en laat de potgrond niet uitdrogen.
Ziektes en plagen
- Verdroogd blad: Bruin, verschrompeld blad in de zomer door droogte of te veel zon. Water geven, mulchen en eventueel verplanten naar een koelere, schaduwrijkere plek.
- Geel blad: Bleek, geel blad in kalkrijke grond of door kalkrijk kraantjeswater. Gebruik regenwater en meng veel bladcompost door de grond.
- Overwoekerd: Sterke buren of onkruid groeien over de lage groep heen. Geef de varen een eigen plek en wied met de hand.
- Slakken: Vreten soms aan het jonge blad in het voorjaar. Raap ze ’s avonds weg of lok ze met een plankje als schuilplaats.
Het jaar rond
- Maart: Planten. Bladcompost strooien.
- April: Planten of delen.
- Mei: Nieuw blad ontrolt. Slakken in de gaten houden.
- Juni: Water geven bij droogte, liefst regenwater.
- Juli: Water geven bij droogte. Rijpe sporen verzamelen.
- Augustus: Water geven bij droogte.
- September: Planten. Rijpe sporen verzamelen.
- Oktober: Planten. Het blad verkleurt en sterft af.
- November: Afgevallen boombladeren laten liggen als winterdeken.
Jij en deze soort
Wist je dat?
- Je herkent hem meteen aan het onderste paar deelblaadjes, dat schuin naar beneden en naar voren wijst.
- ‘Connectilis’ verwijst naar de deelblaadjes, die met een smalle groene rand langs de middennerf met elkaar verbonden zijn, behalve het onderste paar.
- Vroeger werd hij Thelypteris phegopteris genoemd; die naam vind je nog in oudere boeken.