Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis)

Foto: Didier Descouens, CC BY-SA 4.0 · bron

Kruidachtige plant · Weegbreefamilie (Plantaginaceae)

Muurleeuwenbek

Cymbalaria muralis

In andere talen: Cymbalaire des murs (Français) · Ivy-leaved toadflax (English)

Komt in België in het wild voor.

Muurleeuwenbek is een klein, kruipend plantje dat in lange slingers over oude muren, kademuren en rotsen hangt. Hij komt oorspronkelijk uit de bergen van Zuid-Europa, werd eeuwen geleden als tuinplant naar het noorden gebracht en is nu in heel België ingeburgerd op oude muren in steden en dorpen. Je herkent hem aan de kleine, klimopachtige blaadjes op lange steeltjes en de lila leeuwenbekjes met twee gele bultjes. Hij bloeit van april tot in de herfst en is een van de weinige bloeiende planten die het op een kale muur volhouden. Voor kleine wilde bijen is hij een welkome nectarbron op een plek waar verder weinig groeit.

  • Licht

    Zon tot schaduw

    niet kieskeurig

  • Vocht

    Droog tot normaal

    geen natte voeten

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -20 °C

  • Grootte

    0,05 m

    hoog, 0,5 m breed

  • Bloei

    april–oktober

Feiten op een rij
Hoogte0,05 m
Inheems in BelgiëNee, ingeburgerd
Bloeiapril–oktober

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Kruipende en hangende vaste plant met dunne, vaak paarsrode stengels van 10–60 cm die op de knopen wortelen. Vormt losse matjes en gordijntjes van hooguit 5 cm dik.
Blad
Rond tot niervormig, 1–3 cm breed, met 5–7 ondiepe, afgeronde lobben, zoals een mini-klimopblaadje. Kaal en wat vlezig, onderaan vaak paars, op lange steeltjes.
Bloem
Kleine leeuwenbekjes van ongeveer 1 cm, lila tot lichtpaars met een korte spoor, op lange steeltjes uit de bladoksels. In de keel twee gele bultjes.
Vrucht/Zaad
Een rond doosvruchtje met piepkleine, gerimpelde zaadjes. Na de bloei buigt de vruchtsteel naar de muur toe en duwt hij het vruchtje in een spleet.
Wortels
Dunne, vezelige wortels die zich in voegen en kieren klemmen; de stengels wortelen ook waar ze de grond of de muur raken.
Verwarring met
Hondsdraf heeft ook ronde blaadjes, maar die zijn gekarteld en staan tegenover elkaar op een vierkante, geurige stengel; de bloemen zijn blauwpaarse lipbloemen. Jonge klimop heeft grotere, leerachtige, glanzende bladeren en geen bloemen.

Bloei: april–oktober

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Bloeit maandenlang, van april tot oktober, en in een zachte herfst vaak nog later.
  • Brengt leven op kale muren, trappen, keermuren en tussen stenen, waar bijna niets anders groeit.
  • De bloempjes worden bezocht door hommels en kleine wilde bijen.
  • Groeit in zon én schaduw, op droge plekken, met bijna geen grond en zonder verzorging.
  • Een fascinerend plantje voor kinderen: na de bloei draaien de steeltjes weg van het licht en planten ze zelf het zaad in de muur.

Waar staat een muurleeuwenbek graag?

  • In het wild: oude muren met kalkmortel, kademuren, bruggen, rotsen en puin, vooral in steden, dorpen en langs rivieren.
  • Zon tot schaduw: op een noordmuur blijft hij frisgroen, in volle zon bloeit hij rijker maar blijft hij kleiner.
  • Heeft bijna geen grond nodig: een voeg met wat kalkmortel, zand of stof is genoeg.
  • In de tuin: droge stapelmuren, een rotstuin, de rand van een verhoogde border, tussen traptreden of in een hangpot.
  • Liefst kalkrijk en goed doorlatend; zware, natte grond verdraagt hij slecht.

Mooi samen met

  • Steenbreekvaren: Een klein, wintergroen varentje dat in dezelfde muurvoegen groeit.
  • Muurvaren: Klassieke muurplant op kalkmortel, met grijsgroene blaadjes.
  • Gele helmbloem: Bloeit even lang, in het geel, en zaait zich ook uit in muren.
  • Muurpeper: Gele sterretjes in juni voor de zonnigste, droogste stukken van de muur.
  • Robertskruid: Roze bloempjes en rood blad aan de schaduwkant van de muur.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een muurleeuwenbek?

  1. Koop een plantje bij een kwekerij voor inheemse planten of rotsplanten, of vraag een stukje aan iemand die hem op de muur heeft. Graaf nooit planten uit in de natuur.
  2. Plant in april–mei of in september, als de muur niet te heet of te droog is.
  3. Duw een klein kluitje in een voeg of spleet, met wat zandige leem of potgrond erbij, en klem het vast met een steentje of wat mos.
  4. Zaaien kan ook: meng het fijne zaad in het voorjaar met wat vochtige leem en druk dat balletje in een voeg.
  5. Zet planten op 30–40 cm van elkaar; ze groeien snel naar elkaar toe.
  6. Houd de voeg de eerste weken vochtig met een plantenspuit of een fijne gieter, tot het plantje vastzit.

Verzorgen

Water
Na het aanslaan niet meer nodig. In een hete zomer verwelkt hij soms, maar na regen loopt hij weer uit.
Bemesten
Niet doen: op een schrale muur blijft hij compact en bloeit hij het best.
Woekeren
Wordt hij te uitbundig, trek dan gewoon wat slingers los. De wortels zitten ondiep en laten makkelijk los.
Zaad laten vallen
Laat de vruchtjes zitten: zo zaait hij zichzelf in nieuwe spleten en blijft de muur begroeid, ook als een oude plant verdwijnt.
Muren
Op gezonde muren doet hij weinig schade. In brokkelige kalkvoegen kunnen de wortels de voeg wat losser maken; haal hem weg waar je voegen herstelt.

Tip: Wil je een kale muur snel groen? Meng een snuifje zaad met een handje vochtige leem, rol er balletjes van en druk die in de voegen: zo blijft het zaad zitten en kiemt het in de kieren.

Snoeien en maaien

Wanneer: Snoeien is niet nodig. Uitdunnen kan wanneer je wil, liefst in het voorjaar.

Hoe:

  • Trek te lange of kale slingers los of knip ze aan de voet af.
  • Haal na een strenge winter in het voorjaar de dode, bruine stengels weg.
  • Laat altijd een deel van de planten staan, zodat hij zich opnieuw kan uitzaaien.

Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Zaad
Zaait zichzelf uit in spleten. Zelf zaaien in april–mei: het zaad niet of nauwelijks bedekken en vochtig houden. Het kiemt meestal vlot.
Scheuren
Maak in het voorjaar of de vroege herfst stengels los die al op de knopen geworteld zijn en duw ze in een andere voeg.
Stekken
In de zomer wortelen stukjes stengel van 5–10 cm makkelijk in vochtig zand.

Hoe komt een muurleeuwenbek de winter door?

Winterhard tot −20 °C.

  • In zachte winters blijft hij groen en bloeit hij soms nog in november of december.
  • Bij strenge vorst sterft hij bovengronds af, maar in het voorjaar loopt hij weer uit vanuit de wortels of uit zaad.
  • Winterhard tot ongeveer −20 °C; in een droge muurvoeg overleeft hij vorst beter dan in natte grond.

Ziektes en plagen

  • Verdroging: In een hete zomer hangt hij in volle zon slap. Niet erg: na regen herstelt hij. Op een zuidmuur kiest hij vanzelf de koelere voegen.
  • Te veel zaailingen: Verschijnt soms in de moestuin of tussen de tegels. Trek ze uit: ze laten makkelijk los.
  • Slakken: Kunnen op een vochtige, schaduwrijke muur aan het blad knabbelen. Meestal herstelt de plant vanzelf.
  • Losse voegen: Op een oude muur met brokkelige kalkmortel kunnen de wortels de voegen verder losmaken. Herstel de voeg en laat de plant elders groeien.

Het jaar rond

  • Maart: Nieuwe scheuten. Dode stengels van na de winter weghalen.
  • April: Eerste bloemen. Planten of zaaien in voegen.
  • Mei: Volle bloei. Hommels en kleine bijen bezoeken de bloempjes.
  • Juni: Bloei. De eerste vruchtsteeltjes buigen naar de muur.
  • Juli: Bloei. In volle zon kan hij bij droogte slap hangen.
  • Augustus: Bloei en zaadzetting. Stekken nemen.
  • September: Nog in bloei. Zaailingen verschijnen in nieuwe spleten. Planten kan nog.
  • Oktober: Laatste bloemen. Te lange slingers lostrekken.
  • December: In zachte winters blijft hij groen.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • Na de bloei buigen de vruchtsteeltjes weg van het licht, naar de donkere muur toe. Zo duwt de plant haar zaad zelf in een spleet waar het kan kiemen.
  • De wetenschappelijke naam Cymbalaria komt van het Griekse kymbalon, cimbaal, naar de ronde blaadjes; muralis betekent ‘van de muren’.
  • Hij is familie van het vingerhoedskruid en de weegbree: vroeger hoorde hij bij de helmkruidfamilie, nu bij de weegbreefamilie.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…