Donzige eik (Quercus pubescens)

Foto: Etrusko25, CC BY-SA 3.0 · bron

Boom · Napjesdragersfamilie (Fagaceae)

Donzige eik

Quercus pubescens

In andere talen: Chêne pubescent (Français) · Downy oak (English)

Komt in het wild voor in Europa, maar niet in België.

De donzige eik is een kleine tot middelgrote, bladverliezende eik uit Zuid- en Midden-Europa, van Spanje en Frankrijk tot de Kaukasus en Klein-Azië. Hij groeit in het wild op warme, droge hellingen, vaak op kalk, in lichte bossen en struwelen samen met gele kornoelje, wollige sneeuwbal en Franse esdoorn. In België komt hij niet wild voor; de dichtstbijzijnde wilde groeiplaatsen liggen in Frankrijk en Zuid-Duitsland. Je herkent hem aan de grijs behaarde jonge twijgen en knoppen, aan de gelobde bladeren die aan de onderkant viltig blijven en aan het dorre blad dat vaak tot in het voorjaar aan de takken hangt. Zoals alle eiken voedt hij veel insecten en vogels, en omdat hij hitte en droogte goed verdraagt, wordt hij steeds vaker als klimaatboom aangeplant.

Let op: Eikels en jong eikenblad bevatten veel looistoffen en zijn in grote hoeveelheden schadelijk voor paarden, runderen en honden. Plant hem niet in of vlak naast een weide met paarden of vee, en laat honden niet op eikels kauwen.

  • Licht

    Volle zon

    warm en licht

  • Vocht

    Droog

    verdraagt droogte

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -25 °C

  • Grootte

    12 m

    hoog, 10 m breed

  • Bloei

    april–mei

Feiten op een rij
Snoeimaandenjanuari–februari en augustus
Hoogte12 m
Inheems in BelgiëNee, aangeplant
Bloeiapril–mei

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Kleine tot middelgrote boom van 10–15 m, op arme grond vaak een kronkelige boom of grote struik. Brede, onregelmatige kroon; schors donkergrijs en fijn geblokt.
Blad
Afwisselend, 5–10 cm, met 4–8 paar afgeronde tot iets spitse lobben; leerachtig en grijsgroen. Jong aan beide kanten behaard, later bovenaan bijna kaal en aan de onderkant blijvend grijs viltig. Bladsteel 0,5–1,5 cm, ook behaard.
Twijgen en knoppen
Jonge twijgen en knoppen zijn dicht grijs behaard: het duidelijkste kenmerk, ook in de winter.
Bloem
Eenhuizig: hangende, gele mannelijke katjes en onopvallende vrouwelijke bloempjes aan dezelfde boom, in april–mei, samen met het jonge blad. Bestoven door de wind.
Vrucht
Eikels van 1,5–2 cm, alleen of met enkele samen, zittend of kort gesteeld, in een napje met behaarde, aanliggende schubben. Rijp in september–oktober.
Verwarring met
Wintereik: blad aan de onderkant kaal of maar licht behaard, twijgen kaal. Zomereik: kale bladeren met oortjes aan de voet en een heel korte steel, eikels aan lange stelen. Moseik: napje met lange, gekrulde schubben en draadvormige steunblaadjes bij de knoppen. Met de wintereik vormt hij vaak kruisingen die tussen beide in liggen.

Bloei: april–mei · Snoeien: januari–februari en augustus

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Zoals alle eiken is hij voedselplant voor rupsen van tientallen soorten nachtvlinders en voor veel andere insecten, die op hun beurt mezen en andere vogels voeden.
  • De eikels zijn wintervoer voor gaaien, houtduiven, eekhoorns en muizen; gaaien verstoppen ze en planten zo nieuwe eiken.
  • Verdraagt hitte, droogte en kalk beter dan zomereik en wintereik: een boom voor warme, stenige plekken en voor drogere zomers.
  • Galwespen maken op zijn bladeren, knoppen en twijgen allerlei vreemde gallen, een boeiende wereld om te ontdekken.
  • Het dorre, koperbruine blad blijft vaak de hele winter hangen en geeft de boom ook dan kleur.
  • Groeit traag en blijft kleiner en grilliger dan onze inheemse eiken, zodat hij ook in een grotere tuin past.

Waar staat een donzige eik graag?

  • In het wild: zonnige, droge kalkhellingen, rotsige bodems, lichte bossen en struwelen; in Zuid-Europa ook op andere arme grond.
  • Volle zon; in de schaduw van andere bomen groeit hij slecht.
  • Droge tot matig vochtige, goed doorlatende grond; kalkrijk is ideaal, maar leem en zand gaan ook. Natte, zware grond verdraagt hij slecht.
  • In de tuin: een warme, open plek in een grote tuin, op minstens 8–10 m van het huis, of als losse boom op een zonnige helling.
  • Verdraagt de hitte van verharde omgevingen goed en wordt daarom ook als straat- of parkboom geplant.

Mooi samen met

  • Gele kornoelje: Gele bloempjes in februari en rode vruchten in de zomer; groeit in het wild in dezelfde warme eikenbossen.
  • Wollige sneeuwbal: Een struik voor kalkgrond, met witte schermen en rode tot zwarte bessen voor vogels.
  • Franse esdoorn: Een kleine esdoorn met drielobbig blad, in het wild een vaste buur van de donzige eik.
  • Bloedooievaarsbek: Felle magentaroze bloemen aan de zonnige bosrand, op dezelfde droge grond.
  • Terpentijnboom: Een mediterrane struik met rode herfstkleur, die in het wild vaak samen met de donzige eik groeit.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een donzige eik?

  1. Koop een jonge boom bij een kwekerij voor inheemse en Europese bomen. Haal nooit zaailingen uit het wild, ook niet op vakantie.
  2. Kies een jonge plant van 1–2 jaar: eiken maken een diepe penwortel en slaan als kleine plant veel beter aan dan als grote boom.
  3. Plant in de winterrust, van november tot maart, als de grond niet bevroren is.
  4. Graaf een ruim plantgat, maak de ondergrond los en meng zware grond met grof zand of grind. Zet de plant even diep als hij stond en druk de grond goed aan.
  5. Bescherm jonge bomen met een boomkorf of gaas tegen konijnen en reeën, en geef meteen flink water.
  6. Geef de eerste twee zomers water bij lange droogte; daarna is dat niet meer nodig.

Verzorgen

Water
Alleen de eerste twee jaar bij droogte. Daarna is hij heel droogtebestendig.
Bemesten
Niet nodig: op arme grond groeit hij stevig en gezond.
Mulchen
Een laag bladcompost of houtsnippers rond jonge bomen houdt gras en onkruid weg en de grond koel.
Geduld
Hij groeit traag, zeker de eerste jaren, terwijl de penwortel zich ontwikkelt. Dat is normaal.
Afgevallen blad
Het dorre blad valt pas in het voorjaar. Laat het onder de boom liggen als mulch en schuilplaats voor insecten.

Tip: Plant een kleine, jonge boom of zaai zelf een eikel ter plaatse: met een onbeschadigde penwortel groeit hij na een paar jaar sneller en droogtebestendiger dan een grote boom uit de kwekerij.

Snoeien en maaien

Snoeimaanden: januari–februari en augustus.

Wanneer: Weinig nodig. Vormsnoei in de winterrust, in januari–februari, of eind augustus, na het broedseizoen. Niet bij strenge vorst.

Hoe:

  • Jonge boom: kies één doorgaande hoofdstam als je een hoge boom wilt, of laat hem meerstammig groeien voor een natuurlijke vorm.
  • Haal dode, gebroken en kruisende takken weg, net buiten de takkraag en zonder een stomp te laten staan.
  • Kroon geleidelijk opkronen, nooit meer dan een kwart van de kroon in één keer.
  • Laat dood hout in oude bomen zoveel mogelijk zitten: het is waardevol voor insecten en vogels, tenzij het gevaar oplevert.

Let op: Grote snoeiwonden genezen bij eiken traag. Snoei liever jong en beperkt dan later dikke takken af te zagen.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Zaad (eikels)
Raap in oktober rijpe, bruine eikels zonder gaatjes. Laat ze niet uitdrogen en zaai ze meteen, 3–5 cm diep, in een diepe pot of ter plaatse. Bescherm ze met gaas tegen muizen en gaaien. Ze maken vaak in de herfst al een worteltje en lopen in het voorjaar uit.
Verplanten
Zaailingen verplant je in hun eerste of tweede winter, zolang de penwortel nog kort is.

Hoe komt een donzige eik de winter door?

Winterhard tot −25 °C.

  • Bladverliezend, maar het dorre, bruine blad blijft vaak tot in het voorjaar aan de takken hangen.
  • Winterhard tot ongeveer −25 °C; in België is geen bescherming nodig.
  • De grijs behaarde knoppen en twijgen maken hem in de winter makkelijk te herkennen.
  • Gaaien en eekhoorns halen in de winter hun verstopte eikels weer op.

Ziektes en plagen

  • Eikenprocessierups: De rupsen leven in mei–juli in nesten op stam en takken; hun brandharen veroorzaken jeuk en irritatie bij mens en dier. Raak ze niet aan en laat nesten door een specialist verwijderen. Mezen en sluipwespen helpen ze in toom te houden.
  • Meeldauw: Wit poeder op jong blad in de zomer, vooral op nieuwe scheuten. Lastig, maar zelden schadelijk voor een gevestigde boom.
  • Gallen: Bolletjes, knikkers en andere vergroeiingen op blad, knoppen en twijgen, gemaakt door galwespen. Onschuldig: laat ze gerust.
  • Natte grond: Op natte, zware grond kwijnt hij en sterft hij soms af. Plant op een droge, goed doorlatende plek.
  • Wildschade: Konijnen en reeën knabbelen aan jonge bomen. Een boomkorf of gaas voorkomt dat.

Het jaar rond

  • Januari: Rust. Vormsnoei bij zacht weer. Planten.
  • Februari: Laatste vormsnoei. Planten.
  • Maart: Het oude, dorre blad valt af. Laatste kans om te planten.
  • April: Het grijs behaarde jonge blad loopt uit. Gele katjes verschijnen.
  • Mei: Bloei. Let op nesten van de eikenprocessierups.
  • Juni: Insecten en gallen op het blad ontdekken. Jonge bomen water geven bij droogte.
  • Augustus: Kleine correcties snoeien, na het broedseizoen.
  • September: De eikels kleuren bruin.
  • Oktober: Eikels rapen en meteen zaaien. Gaaien verstoppen eikels.
  • November: Bruine herfstkleur; het blad blijft deels hangen. Planten.
  • December: Rust. Planten bij zacht weer.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • In Zuid-Frankrijk is de donzige eik de klassieke truffeleik: de zwarte truffel leeft in symbiose met zijn wortels.
  • De soortnaam pubescens betekent ‘donzig behaard’, naar de haartjes op twijgen, knoppen en bladeren. In Zuid-Frankrijk heet hij ook ‘chêne blanc’, witte eik.
  • Dat het dorre blad in de winter aan de takken blijft hangen, heet marcescentie; je ziet het ook bij jonge beuken en eiken.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…