Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis)

Foto: Olivier vandevelde, CC0 · bron

Grasachtige plant · Grassenfamilie (Poaceae)

Grote vossenstaart

Alopecurus pratensis

In andere talen: Vulpin des prés (Français) · Meadow foxtail (English)

Komt in België in het wild voor.

Grote vossenstaart is een stevig, inheems polgras van 30–100 cm dat in vochtige, voedselrijke hooilanden, uiterwaarden, bermen en slootkanten groeit. In België is hij algemeen, vooral in de valleien van rivieren en beken op klei en leem. Hij is een van de vroegste grassen: al in april en mei verschijnen zijn zachte, cilindervormige aren, die door de uithangende helmknoppen geelachtig tot paarsachtig kleuren. Je herkent hem aan die zachte ‘vossenstaart’, die bij aanraking niet ruw aanvoelt zoals de aar van timoteegras. In een natte bloemenweide geeft hij vroeg in het seizoen structuur, en zijn pollen bieden beschutting aan insecten en voedsel aan rupsen van graslandvlinders.

  • Licht

    Zon of halfschaduw

    liefst wat zon

  • Vocht

    Normaal tot nat

    mag niet uitdrogen

  • Winterhard

    Volledig winterhard

    tot -30 °C

  • Grootte

    0,8 m

    hoog, 0,3 m breed

  • Bloei

    april–juni

Feiten op een rij
Snoeimaandenjuni en september
Hoogte0,8 m
Inheems in BelgiëJa
Bloeiapril–juni

Herkennen

Zo herken je hem

Groeivorm
Losse tot vrij dichte pol van 30–100 cm, soms met korte uitlopers; de halmen staan rechtop of zijn aan de voet licht gebogen.
Blad
Vlak, dofgroen, 3–10 mm breed en vrij zacht; het tongetje (het vliesje waar blad en bladschede samenkomen) is kort en stomp.
Bloem
Dichte, zachte, cilindervormige aarpluim van 3–10 cm lang en 6–10 mm dik, van april tot juni. Elk aartje draagt een kort, uitstekend naaldje, waardoor de aar zacht en wat harig oogt.
Stengel
Gladde, ronde halmen met enkele knopen, rechtop of aan de voet licht geknikt.
Vrucht/Zaad
Het zaad rijpt in juni–juli en valt makkelijk uit; de aar wordt dan grijsbruin.
Verwarring met
Timoteegras heeft een ruwe, harde aar met twee korte puntjes aan elk aartje en bloeit later, van juni tot augustus. Geknikte vossenstaart is lager, ligt met geknikte stengels op de grond en groeit op natte, kale plekken. Duist heeft een slanke, spits toelopende aar en is een eenjarig akkeronkruid.

Bloei: april–juni · Snoeien: juni en september

In je tuin

Waarom in je tuin?

  • Een van de eerste grassen die bloeien: in april–mei geeft hij al hoogte en structuur aan een natte weide.
  • Kenmerkend gras van bloemrijke, vochtige hooilanden met onder meer grote pimpernel, pinksterbloem en echte koekoeksbloem.
  • Rupsen van graslandvlinders, zoals het bruin zandoogje, en veel sprinkhanen eten van brede grassen als grote vossenstaart.
  • Het zaad is in de zomer voedsel voor zaadeters zoals vinken en mussen.
  • De dichte pollen bieden het hele jaar beschutting aan spinnen, kevers en andere kleine diertjes.
  • Een vroeg en smakelijk voedergras: boeren waarderen het al lang in hooi en weide.

Waar staat een grote vossenstaart graag?

  • In het wild: vochtige tot natte hooilanden en weilanden, uiterwaarden, beekvalleien, bermen, dijken en slootkanten.
  • Zon tot lichte halfschaduw.
  • Vochtige, voedselrijke grond: klei, leem of zavel; verdraagt overstroming in de winter.
  • In de tuin: in een natte bloemenweide, langs een poel of sloot, of in een ruige strook op vochtige grond. Op droog zand blijft hij klein en verdwijnt hij snel.

Mooi samen met

  • Grote pimpernel: Donkerrode bolletjes in de zomer; samen typisch voor natte hooilanden.
  • Pinksterbloem: Lila bloemen in april, tegelijk met de eerste aren, en waardplant van het oranjetipje.
  • Echte koekoeksbloem: Roze, gerafelde bloemen in mei–juni op natte grond.
  • Scherpe boterbloem: Glanzend geel tussen de zachte aren.
  • Moerasspirea: Romige, geurige pluimen in de zomer langs de slootkant.

Onderhoud

Hoe en wanneer plant je een grote vossenstaart?

  1. Koop zaad van inheemse herkomst, liefst in een mengsel voor vochtige hooilanden, bij een kwekerij of zaadhandel voor inheemse planten.
  2. Zaai bij voorkeur in september–oktober: het gras zelf heeft geen kou nodig, maar veel wilde bloemen in het mengsel wel. Maart–april kan ook.
  3. Maak een fijn, onkruidvrij zaaibed, strooi dun, hark het zaad licht in en druk het aan.
  4. Houd het zaaibed vochtig tot de kieming, na 1–3 weken.
  5. Voor een kleine strook kun je ook potplantjes zetten, 30–40 cm uit elkaar.
  6. Haal nooit zoden of pollen weg uit hooilanden, bermen of natuurgebieden.

Verzorgen

Water
Na de kieming niet nodig. Op een vochtige plek redt hij zich ook in droge zomers.
Bemesten
Niet nodig. Op rijke grond neemt hij snel de overhand; zonder mest blijft er ruimte voor bloemen.
Maaien
Maai als hooiland: een eerste keer half juni tot begin juli, een tweede keer in september. Voer het maaisel altijd af.
Woekeren
Wordt hij te dominant, maai dan een paar jaar al eind mei of begin juni en zaai ratelaar in: die remt de grassen af.
Zaad laten vallen
Wil je dat hij zich uitzaait, maai dan niet voor half juni: dan is het zaad rijp.

Tip: Maai je natte weide de eerste jaren al rond half juni en voer alles af: zo houd je grote vossenstaart in toom en krijgen de bloemen een kans.

Snoeien en maaien

Snoeimaanden: juni en september.

Wanneer: Half juni tot begin juli en opnieuw in september, zoals een hooiland.

Hoe:

  • Maai op 5–10 cm hoogte met een zeis, bosmaaier of balkmaaier.
  • Laat het maaisel enkele dagen drogen, zodat zaad kan uitvallen, en voer het dan af.
  • Laat telkens een strook of hoek ongemaaid staan als schuilplaats voor insecten.
  • Maai in de herfst niet alles kort: de pollen en oude halmen beschermen overwinterende diertjes.

Let op: Laat het maaisel niet liggen en klepel niet: dan wordt de grond rijker en verdwijnen de bloemen uit je weide.

Snoeien: wanneer en hoe · Snoeikalender en basisregels

Vermeerderen

Zaad
Rijpt in juni–juli. Strooi het in de herfst op open grond; hij zaait zich ook vanzelf uit.
Delen
In maart–april of september–oktober een pol uitsteken, in stukken trekken en op 30 cm afstand opnieuw planten.

Hoe komt een grote vossenstaart de winter door?

Winterhard tot −30 °C.

  • Het blad blijft deels groen; de oude halmen verkleuren strobruin.
  • Volledig winterhard, tot ongeveer −30 °C, en bestand tegen overstroming in de winter.
  • In de pollen overwinteren rupsen, kevers en spinnen: laat een deel staan.
  • Al in februari–maart loopt hij weer uit, als een van de eerste grassen.

Ziektes en plagen

  • Te dominant: Op bemeste, vochtige grond verdringt hij bloemen. Twee keer per jaar maaien en afvoeren verschraalt de bodem.
  • Hooikoorts: Hij bloeit al in april–mei, en zijn stuifmeel hoort bij de eerste graspollen van het jaar. Maai vlak bij het huis voor de bloei als iemand gevoelig is.
  • Verdroging: Op droge zandgrond kwijnt hij weg. Kies daar liever een gras van droge grond, zoals rood zwenkgras.
  • Roest: Oranje of bruine stipjes op het blad in de zomer. Meestal onschuldig; maaien en afvoeren helpt.

Het jaar rond

  • Februari: Het eerste nieuwe blad verschijnt al bij zacht weer.
  • Maart: Pollen delen of een weide inzaaien kan.
  • April: De eerste zachte aren verschijnen.
  • Mei: Volle bloei. Gevoelige mensen merken het stuifmeel.
  • Juni: Zaad rijpt. Vanaf half juni eerste maaibeurt, maaisel afvoeren.
  • Juli: Nagroei na het maaien.
  • September: Tweede maaibeurt; een strook laten staan.
  • Oktober: Beste maand om een vochtige bloemenweide in te zaaien.
  • December: Rust; insecten overwinteren in de pollen.

Jij en deze soort

Wist je dat?

  • Alopecurus komt van de Griekse woorden alopex (vos) en oura (staart): de zachte aar lijkt op een vossenstaart.
  • Het Europese natuurtype van laaggelegen, bloemrijke hooilanden draagt grote vossenstaart en grote pimpernel in zijn wetenschappelijke naam.
  • Omdat hij zo vroeg groeit en smakelijk is voor vee, werd hij vroeger bewust ingezaaid in hooilanden.

Meer soorten uit Europa · Alle soorten

Laden…